Tussen Cassel en Bavay

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       9 months ago     321 Views     Leave your thoughts  

Het lijkt me duidelijk dat vele oude kronieken niet meer zijn dan absurde verhalen van “zogenaamde” historici. Zonder enige vorm van kritische opstelling hebben ze vele eeuwen lang het ene verzinsel aan het andere gebreid. Een zuivere “copy paste” waarbij bij het plakken weer nieuwe verzinsels toegevoegd werden aan die oude verhalen waarbij de flagrantste en meest absurde fantasieën stilaan met de werkelijkheid werden verward. Maar los van de wetenschap dat veel van wat geschreven is over de geschiedenis van Ieper pure verhalen zijn, blijft natuurlijk de vraag bestaan wat er dan effectief gebeurd is in de Ieperse gordel ten tijde van de inval en de bezetting van de Romeinen.

De Latijnse schrijvers van die tijd geven bitter weinig aanwijzingen in hun geschriften en ook in de 19de-eeuwse archieven van de stad Ieper is er weinig van de Romeinse tijd terug te vinden. Welke gebieden hebben de Romeinen dan bezet in de vallei van Ieper en van de Ijzer? Alleen de bodem van de plaatsen waar er zich ooit Romeinen vestigden zal de waarheid vertellen. Niet de bladzijden historische documenten.

Ten tijde van de Romeinse inval in onze streken die later “Het Westland” zal worden genoemd, is de streek deels grondgebied van de Menapiërs en deels van de Morinen. De regio is bezaaid met immense moerassen en reusachtige wouden. De Menapiërs en Morinen leven er in armoedige dorpen (vici). Er zijn geen steden in België en van Ieper zal er de volgende (bijna) 1000 jaar geen sprake zijn.

Wanneer Caesar en zijn machtige troepen verschijnen in de streek, is de inheemse bevolking gevlucht in de diepte van hun wouden. De onherbergzame streek is een moeilijk te overwinnen obstakel voor de Romeinen. Toch aarzelt Caesar niet om de Morinen en de Menapiërs te bestrijden en aanvankelijk ook te overwinnen. De regen en het ongezonde klimaat dwingen de veroveraars om zich echter terug te trekken. Opéénvolgende expedities om de lokale volksstammen te temmen leveren al evenmin blijvende resultaten op. De Romeinen slagen er niet echt in om de Westhoek volledig in te palmen en beperken zich tot het installeren van militaire posten op strategische plaatsen in de streek.

Die plaatsen worden gekozen aan hooggelegen oevers van rivieren en ze vormen min of meer natuurlijke grenzen. Om een veilige en gemakkelijke verbinding te krijgen tussen de militaire posten (enkele groeien al snel uit tot steden) leggen de Romeinse legioenen steenwegen (lapidea strata) aan.

De periode tussen de jaren 96 en 180 betekent een bloeiperiode voor de Romeinen en wordt als “de gouden eeuw van de Antonijnen” omschreven. Bij gebrek aan eigen nakomelingen kunnen vijf opeenvolgende Romeinse keizers één of twee zonen als opvolgers adopteren. Tijdens de periode van de vijf goede keizers wordt er een kasteel gebouwd op de Casselberg (Cas-Tellum Morinorum of Menaporium). Het kasteel wordt door een grote militaire steenweg gelinkt met het oostelijk gelegen Bavay. Ten noordwesten wordt de Schelde (de Hont) verbonden met het kasteel op de Casselberg. De Romeinen leggen een belangrijke heirbaan aan tussen Doornik – Kortrijk en Oudenburg. Er komen nog twee wegen ten noorden van de Ijzer en ook verschillende kleinere wegen (diverticulata) worden aangelegd.

De grote militaire steenweg tussen Cassel en Bavay loopt via Dranouter, Wijtschate en Wulvergem en gaat verder via Wervik aan de Leie en via Doornik om uiteindelijk Bavay te bereiken waar 7 andere heirbanen hun aansluiting vinden. De onverharde weg van Cassel naar de westelijke Schelde (de Hont) loopt voorbij Watou en Poperinge langs Bikschote, Oost-Vleteren, Noordschote en Merkem naar de buurt van Diksmuide en dan verder noordoostwaarts naar Gent en de Hont

De steenweg van Doornik naar Oudenburg komt voorbij Kortrijk dat met een zijweg verbonden is met Wervik. Via Kortrijk gaat de heirbaan verder via Roeselare, Brugge naar Oudenburg. Een aantal routes (diverticulata) in de Westhoekvallei, ten noorden van de Ijzer verbinden Lo dat aan de noordzee ligt (de Loowegh) met Boulogne, Veurne (via Wulveringem) en Cassel. De wegen kruisen zich ter hoogte van Isenberge.

Geen enkele van de aangehaalde wegen komt voorbij in de nabijheid van de vallei van Ieper. De naam Ipra verschijnt generlei op historische kaarten uit de Romeinse periode. Zelfs in de latere Frankische tijden functioneren de oorspronkelijke steenwegen als een verafgelegen gordel rond de streek van Ieper. Er bestaat dus niet het minste bewijs dat de Romeinen een nederzetting hebben in de laaggelegen graslanden van Ieper, daar waar eeuwen later de “Burgus de Ipra” zal gebouwd worden.

Op een archeologische kaart van historicus Vander Maelen staat vermeld dat er in de buurt van Ieper Romeinse munten worden gevonden. Rond 1872 worden er in Ieper inderdaad verschillende stukken aardewerk opgegraven onder de funderingen van een woning ter hoogte van de veemarkt. De veemarkt bevindt zich dan dicht bij de Ieperlee bij de uitgang van de stad. Het opgegraven aardewerk dateert met zekerheid uit de Romeinse of Frankische tijden en is einde de jaren 1800 een deel van de rijke verzameling van antieke vazen, Vlaams porselein en oude kunstvoorwerpen, alle in het bezit van Maurice Merghelynck in Ieper. De vraag blijft echter bestaan of dat oude materiaal niet achteraf werd binnengebracht nadat de Burgus van Ipra gebouwd werd. Want uiteindelijk worden er in de loop van de jaren geen structurele bewijzen gevonden van enige Romeinse aanwezigheid in Ieper. Het valt natuurlijk ook niet uit te sluiten dat Romeinse kolonisten zich sporadisch vestigden in de weilanden waar Ipra zich later zal vormen.

De vondst van Romeinse voorwerpen in Wijtschate en in Noordschote vormt daarentegen wel een geloofwaardig bewijs van de Romeinse aanwezigheid in de Westhoek. Wijtschate, Widisgat in 961, Widegas in 1066 is een dorp gebouwd op zo’n acht km ten zuiden van Ieper. Het dorp situeert zich op de noordelijke helling van de waterscheidingslijn tussen de Leie en de Ieperlee. De Romeinse weg van Cassel via Wervik naar Bavay loopt voorbij bij het Wijtschaatse Wulverghem. In 1845 vinden arbeiders er een Romeinse aarderoden vaas onder een oud huis dat ze aan het afbreken zijn. De arbeiders die geen enkele notie hebben dat ze hier te maken hebben met een kostbare vaas, verbrijzelen die en vinden er zo’n 1000 à 1200 zilveren Romeinse muntstukken.

Een echte schat. Een aantal scherven van de vaas wordt door schrijver Vandenpeereboom in het Ieperse museum aangetroffen. Een groot aantal van die munten zal in de smeltketel belanden. Een aantal muntstukken wordt her en der verkocht en een aantal belanden uiteindelijk bij de vereniging die recent het museum van Ieper opgericht heeft. Vandenpeereboom onderzoekt de munten en vindt er op munten de beeltenissen van Trajanus, Septimius Severus, Caracalla, Heliogabalus, Julia Maesa en veel andere Romeinse keizers. Onder de beeltenissen bevindt zich eveneens die van Marcus Cassianius Latinius Postumus die regeerde tussen 260 en 269. Het is dus aanneembaar dat de vaas met de munten kort na de dood van Postumus door een in Widisgat levende kolonist wordt begraven.

Noordschote is een dorp ten noorden van de stad Ieper, vlakbij de Ijzer, in de buurt van Merkem te midden van de Broeken, het laagland van de Westhoek. Een plaats die geregeld verandert in een groot meer. Een dokument van 1180 omschrijft één van de wegen die door Noordschote lopen als “Lapidea Strata”. De naam Strata laat vermoeden dat deze weg een “diverticulum” (kleinere weg) was die aangelegd wordt door Romeinen die langs de oevers van de Ijzer wonen. Op vandaag bestaat trouwens nog steeds de naam van Steen Straete (Lapidea Strata).

Steenstraete ligt langs de weg die Ieper met Merkem en Diksmuide. Ook in Merkem en Diksmuide worden er in latere tijden Romeinse munten opgegraven. In de lente van 1857 ploegt een boerenknecht door een landbouwakker ten zuiden van de kerk van Noordschote in het land dat ze daar “nieuwland” noemen. Op een bepaald ogenblik blijft de ploeg haperen aan een voorwerp dat vastzit in de grond. Het blijkt een oude kruik te zijn in Romeins aardewerk. Het blijkt een hele klus om de kruik op te graven tot plots de zon begint te flonkeren in een stapel zilveren munststukken. Prachtig zijn ze. Er worden 150 munten geteld die dit keer wel gelukkig ontsnappen aan de smeltkroes. De zilverschat wordt geschonken aan M. de Breyne-Peelaert, officier in de Leopoldsorde, volksvertegenwoordiger en burgemeester van Diksmuide. Later worden er 68 munten geschonken aan het Ieperse museum. Net zoals bij de vondst in Wijtschate van 12 jaren eerder dateren de munten van de hele Romeinse bezettingsperiode die eindigt rond het jaar 269.

Maar er zijn meer vondsten:
Langs de militaire steenweg tussen Cassel en Bavay (Baviacum), ten zuiden van Ieper.
DRANOUTER: langs de waterval “de Douve” (Drawanultra): potterie en Romeinse munststukken in 1858.
WIJTSCHATE: naast de eerder omschreven vondst wordt in Wulvergem eveneens een groot aantal Romeinse munsten opgegraven.
WERVIK: (Viroviacum): militair station van de Romeinen, vermeld op de Peutingerkaart. Daar worden muntstukken gevonden van de tijd van Caesar en later. Er worden diverse Romeinse voorwerpen aangetroffen; antieke vazen, bronzen beelden, een vernield standbeeld van Mars dat oorspronkelijk voor een heidense tempel opgesteld stond die later zal omgevormd worden tot een kerk ter ere van St.-Maarten.

Langs de steenweg tussen Cassel en de Schelde (de Hont), ten noord-oosten van Ieper.

WATOU: Romeins antiek en rond het jaar 1845 Gallisch zilvergeld versierd met een Germaanse ruiter met helm.
POPERINGE: Op het grondgebied van Poperinge, niet zo ver van Watou wordt in 1844 een zilveren muntstuk van Trajanus gevonden.
RENINGELST: Eveneens rond 1845 wordt een muntstuk in zilver met de beeltenis van Vespasius opgegraven.
OOST-VLETEREN: Gallische en Romeinse geldstukken.
BIKSCHOTE: vroeg-Romeinse antiquiteiten, Gallische muntstukken.
MERKEM: in 1793 worden daar Romeinse munten opgegraven.
DIKSMUIDE: Verschillende Romeinse munten worden in 1826 aangetroffen tussen Merkem en Diksmuide. In 1845 wordt er bij niveleerwerken van een publieke tuin een onyxen bloedsteen gevonden met de afbeelding van een kaal personage waarbij eveneens een stier en een speer gegraveerd werd.

Langs de Romeinse heirbaan van Doornik naar Oudenburg (ten westen van Ieper)
KORTRIJK: gouden munt van Faustinus, bronzen muntstukken van Nero, Vespasianus, Trajanus, Hadrianus en Marcus-Aurelius.
ROESELARE: vroeg-Romeinse gebruiksvoorwerpen, grafversiering

Langs de Romeinse zijwegen aan de linkerkant van de Ijzer
ISENBERGHE: Romeinse antiquiteiten
WULVERINGEM: Romeinse antiquiteiten

De vermelde plaatsen in de oude Westhoek en de aangrenzende terreinen zijn met elkaar verbonden door steenwegen. De vraag blijft natuurlijk of er op die plaatsen sprake is van een permanente bewoning. Alleen van Viroviacum (Wervik) kan dit met zekerheid worden gesteld.

Vandenpeerenboom gaat verder op zoek naar de oorsprong van Ipra. Andere theorieën zullen later opduiken op westhoek.net, maar hier gaan we verder met de studie van onze vermaarde Ieperse historicus Alphonse Vandenpeereboom in zijn beroemde Ypriana geschriften. Volgens geschiedschrijvers Sanderus, Gramaye, Malbranq en Van Scrieck evolueert de stadsnaam van Ypra, Ypretum, Yppre, Iper, Iperen, Ipre, Ipra, Ippre, Iperum, Hypera, Hypretum, Hipretum, Uppre, Upres, Ypres, Ieper.

Volgens Malbranq ligt Yperen centraal in een enorm woud. Ook de naam van “Dickebusch” ondersteunt deze stelling. Staan er veel Iepen in dit bos? Het Frans voor Iepen is Ypréaux en in het oud Nederlands Ypen, Ypenbomen of Ipen.

Maar is dit werkelijk de juiste etymologische naam van Ipra? Wat te denken van de verklaring dat aan de oorsprong van de naam het woord “uppre” staat voor het ietwat hoger gelegen deel in een streek vol moerassen en veengebieden? Dat is in elk geval een mogelijkheid: met uitzondering van de oostelijke zijde, is Ieper omringd door laaggelegen gronden en moerasgebieden die in een later punt van de geschiedenis een belangrijk onderdeel zullen uitmaken in de verdediging van de stad.

Het zijn die moerassen die later de overstromingsgebieden zullen vormen plaatsen zoals “Bellewarde” en “Paddevyver” in het noorden, “Bailleul” in het zuid-westen, “Mesen” in het zuiden en vanuit het zuiden strekken die moerassen zich uit tot aan Zillebeke. Ter hoogte van Zillebeke zal trouwens een zone moeras gereserveerd worden om er een vijver met de naam van “Zillebeke vijver” uit te graven.

Wat betreft de gronden in Veurne ambacht, lag hun niveau een stuk lager dan wat we op vandaag zien. Door een breuk in de duinen, waarschijnlijk in het begin van de 4e eeuw (PS: dit was in werkelijkheid rond het jaar 270 en wordt vandaag omschreven als de Duinkerke II transgressie) wordt een kloof geslagen naar de achterliggende gebieden en worden die door de Noordzee overstroomd. Het blijkt trouwens uit veelvuldige opgravingen dat veel Romeinse nederzettingen door de zee worden verzwolgen (vb De Panne).

De nieuwe zee-engte strekt zich oorspronkelijk uit tot Diksmuide en Lo. Tot aan de 16de eeuw kan de zee nog (bij vloed) via het kanaal van Nieuwpoort doorstromen tot in Diksmuide. In 1620 wordt een schip geladen met stenen ontdekt in een moeras ter hoogte van Mannekensvere. De bodem van het schip zit zo ongeveer anderhalve meter diep in de veengrond en zelf tot in de onderliggende kleilaag. Geleidelijk aan zal het stuk Westhoek opnieuw heroverd worden op de Noordzee. Het is dus niet onmogelijk dat de etymologische naam van Ieper verwijst naar het eerste hoger gelegen gebied ten oosten van de Noordzee.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>