Tussen Leliaards & Klauwaards

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     181 Views     Leave your thoughts  

Tussen de jaren 1286 en 1289 staat Willem II aan het roer van de Ieperse Sint-Maartensproosdij. Dat lezen we toch in ‘Les cartulaires de la prévôte de Saint-Martin à Ypres’, een 19de eeuwse studie van de historici Eusèbe Feys en Aloïs Nelis. Ze halen hun mosterd bij het 368 stukken tellende Novum-register uit 1422 of iets later. Aan de hand van het oudere Rubrum register zijn we al op stap geweest op het bestaanspad van de machtige kerk die de scepter zwaait over het jonge en erg welvarende Ieper van die dagen. Eigenlijk begint het Novum register met een valse start, want er bestaan ernstige hiaten in de stukken tussen augustus 1285 en 31 oktober van het jaar 1287.

Van proost Willem II is daardoor weinig geweten. Zijn broer Paskinus is kanunnik in Harelbeke. In februari van 1288 stichten de deken en de leden van de broederschap van Sint-Niklaas een kapelanij in de Sint-Maartenskerk. Dat gebeurt wel te verstaan met de toestemming van proost Willem die trouwens zelf bepaalt waar het altaar en de kapel ter ere van de heilige Nikolaas zullen worden gebouwd. De kapelaan van Sint-Niklaas krijgt voortaan een jaarlijkse toelage van 18 pond en voor een koster worden er 30 centen voorzien. De stichtingsakte bevat enkele specifieke clausules.

De nieuwe kapelaan zal voortaan een mis opdragen voor zijn levende en overleden confraters, een mis die zal doorgaan onmiddellijk na de eucharistievieringen voor de Heilige Maagd. Een gezongen mis kan er enkel worden opgedragen met toestemming van de proost of van diegene die hem in Sint-Maartens vervangt. Uitvaartdiensten van collega’s mogen met de volle show doorgaan en ook op de feestdag van Sint-Niklaas zijn er ochtenddiensten en vespers toegestaan die in afwachting van de realisatie van het altaar alvast kunnen gecelebreerd worden aan het bestaande altaar van Sint-Andreas.

Ze moeten er gewoon voor zorgen dat de gewone misvieringen geen vertraging oplopen. Jan de Witte wordt aangesteld als nieuwe kapelaan en als hij sterft of zelf opstapt, is het aan de proost van Sint-Maartens om een andere kanunnik aan te stellen. De opbrengsten zullen in dat geval toekomen aan de abdij van Sint-Maartens. De diensten zullen een jaar of twintig doorgaan in de kerk van Sint-Maartens zelf.

Op 4 juli 1307 komt proost Jan III de belofte van zijn voorganger na door de bouw van een kapel die aanleunt tegen de hoofdkerk en waar voortaan voor de eeuwigheid missen zullen mogen worden opgedragen in het nieuwe gebouw. Alleen op de dagen waar er sermoenen worden gehouden, dienen de misvieringen op een ander tijdstip te worden georganiseerd. De 18de proost van Sint-Maartens komt er aan in 1289. Na de dood van Willem op 14 september 1289. De archieven zijn blijkbaar weer compleet. Robert Madidus is de nieuwe sterke man. ‘Le Moiste’ wordt hij genoemd. Telg uit een adellijke familie van Boulogne.

Zijn vader was koninklijk adviseur en zijn moeder is Marguerite Bucquet. Rijk en machtig volk. Zijn broer Jacques van Boulogne schopt het tussen 1287 en 1301 tot bisschop van Terwaan en zijn andere broer Willem staat bekend als een moedige verdediger van zijn land. Jacques van Boulogne is al in 1287 moeten tussenkomen om het al lang aanslepend conflict tussen het kapittel van Ieper en de aartsdiaken van Vlaanderen in Terwaan uit de wereld te helpen. Het is niet verwonderlijk dat die relaties, met de aanstelling van zijn broer Robert Madidus, de volgende jaren probleemloos zullen verlopen.

De bisschop komt voortaan regelmatig naar Ieper waar hij telkens enkele dagen in de abdij logeert. De kanunniken zijn telkens zwaar onder de indruk van het feit dat de bisschop de eigenste broer is van hun patroon. Maar toch blijven ze op hun hoede voor de bedoelingen en de verborgen agenda van het hof van Terwaan en ze zorgen er telkens opnieuw voor om hun rechten en privileges te laten herbevestigen. Zo bijvoorbeeld op Sinksen van het jaar 1290. Bisschop Jacques van Boulogne komt de mis voordragen in Sint-Maartens. Zijn persoonlijke kapelanen muizen er van onder met de offerandegelden die in de handen van hun bisschop werden gestopt.

Maar de Ieperse kanunniken willen niet zomaar de kaas van tussen hun boterhammen laten wegpikken. Op de dagen wanneer er grote plechtigheden doorgaan, hebben ze al de rechten op de opbrengsten. Pinksterdag staat aangeschreven als ‘uno natalium’, maar het duurt nog tot 3 februari van 1291 vooraleer ze hun geld zullen terugzien.

Broer-bisschop moet zich die 3de februari trouwens zelf in Ieper bevinden, want hij verklaart er dat hij 3 keer heeft gelogeerd in de abdij voor in totaal 6 dagen. Met een niet te miskennen arrogantie, laat hij weten dat Ieper maar recht had aan 3 dagen en dat de extra dagen mogen bekeken worden als een teken van hoffelijkheid, een uitzonderlijke gunst van zijn kant. Tijdens het weekend van Sinksen van 1291 verblijft hij opnieuw in de Sint-Maartensabdij en op 23 oktober herhaalt hij nog eens welk immens voorrecht dit betekent voor de Ieperlingen. Ook de aartsdiaken van Vlaanderen, Jacques van Etaples, komt logeren. De kanunniken hebben recht op de eerste dag, maar de tweede dag staat gestipuleerd als ten dienste en op vraag van de geestelijken.

Proost Madidus zorgt eveneens voor een samenwerking tussen de abdijen van Ieper en die van Onze-Lieve-Vrouw van Boulogne. Blijkbaar koesteren de geestelijken van Boulogne een grote bewondering voor de kanunniken van Ieper. Ze beloven bij het overlijden van eventuele Ieperse geestelijken over te gaan tot een speciale misviering en daarbij de arme mensen uit de regio niet te vergeten. De proost van Ieper schopt het nu zelfs tot proost van de Artesische abdij van Ruisseauville (Beata Maria in Nemore) waar hij flink wat tijd en energie in stopt en trouwens de jurisdictie over de plaats in handen krijgt.

Een mens kan maar op één plek tegelijkertijd zijn en dat laat zijn sporen na daar achter de lakenhalle. Robert Madidus beslist om enkele eigendommen van de abdij van de hand te doen om met de opbrengsten daarvan een hofstede met alle bijhorende tiendenrechten in het Franse Calonne te kopen. De rechten op Passendale, Langemark en die van Reningelst worden verkocht voor het bedrag van 32 Parijse ponden met de lakenhalle als borg indien de Ieperse geestelijken hun verplichtingen niet zouden nakomen.

Deze borgstelling toont de geraffineerde verwevenheid tussen de rijke geestelijkheid en de burgerij van de stad. De welvarende 13de eeuw loopt op zijn laatste beentjes. Het vet is van de soep. Het aantal acquisities is op de vingers van één hand te tellen. Graaf Gwijde van Dampierre duikt rond 29 oktober 1295 op in de Novum registers wanneer hij zijn baljuw in Cassel instructies geeft om een eigendom aan de voet van de Casselberg over te maken aan het Ieperse klooster. Het gaat over gebouwen, weides, waterlopen en een flink stuk landbouwgrond. Graaf Gwijde brengt de schrijvers Feys en Nelis naar Filips de Schone.

De tijden breken aan dat de Franse koning Philippe le Bel een onhoudbare tirannie zal deponeren over Vlaanderen. In zijn strijd tegen Gwijde van Dampierre zet de gehaaide Filips de Schone de lijnen en de valstrikken uit van een op en top misleidende politiek met als bedoeling de graaf te treffen en vooral om het machtige Ieper aan zijn kant te krijgen. ‘Ce fut en vain’ lezen we.

Ieper laat zich niet in een-twee-drie verleiden. Toch slaagt hij er in om verdeeldheid te zaaien in de stad. Tussen de Ieperse rijkelui, de heren, bevinden zich nogal wat aanhangers van de blauwe lelie terwijl de ambachtslieden trouw blijven aan hun graaf en toegewijd zijn aan de oude leeuw van Vlaanderen die in die dagen ongetwijfeld nog niet bekend zal staan als dergelijk roofdier.

Het kapittel komt in een vrij delicate positie te staan tussen beide Ieperse belangengroepen. Geprangd tussen de uiteenlopende vaderlandslievende gevoelens. Dat zeker. Ondanks de wetenschap dat de broer van proost Robert Madidus de functie bekleedt van Bisschop in Terwaan en een leidende rol speelt voor de Leliaards, kiezen de proost en de deken van Sint-Maartens van bij het begin de zijde van Gwijde van Dampierre.

De proosdij steunt de graaf van Vlaanderen volop bij diens claims en klachten die hij bij het pauselijk hof van Rome neerlegt tegen de koning van Frankrijk en tegen Jean, de bisschop van Doornik en zijn vertegenwoordiger Leonard, de proost van Brugge. Ook de abdij en het kapittel van Mesen bevinden zich in het andere kamp. Van zijn kant laat de graaf op 26 maart 1297 via een notariële akte optekenen dat hij te allen tijde de eigendomsrechten van Sint-Maartens zal blijven verdedigen en dat hij zal instaan voor de kosten die ze maken voor hun tussenkomsten in Rome. De schrijvers gaan er van uit dat de kanunniken de volgende jaren trouw blijven aan hun gedragsprincipes. Ze missen echter de bewijsstukken om die stelling hard te maken. De oorlog breekt hoe dan ook uit. Ieper moet drie keer zijn poorten sluiten om te weerstaan aan de Franse aanvallen.

In het jaar 1300 is de situatie echter onhoudbaar geworden en forceren de troepen van Filips de Schone de toegang tot de stad die zich nu moet schikken naar de grillen van de koning. Ieper krijgt een harde behandeling. De 16de juni van 1301 komen Filips de Schone en zijn madame, de koningin van Frankrijk, met hun uitgebreid gevolg op pronkbezoek naar Ieper. Het resultaat van dat bezoek wordt op 1 september te Rijsel vastgelegd. De Leliaards krijgen een leidende rol in het stadsbestuur. De triomf van de lelie is echter een kort leven beschoren.

Begin juni 1302 ontvangen de verbitterde Klauwaards binnen hun stadsmuren het bezoek van de zonen van de gevangen gezette graaf. De 11de juli staan Ieperse milities paraat in Kortrijk en dragen ze bij tot de merkwaardigste dag uit de Vlaamse geschiedenis. Achteraf, in afwachting van een Franse revanche, werken de Ieperse burgers zich vanaf november in het zweet om de buitenwijken te beschermen door de aanleg van extra grachten en versterkingen. Tijdens deze grote strijd om de vrijheid blijven de cartularia stil. De laatste keer dat Robert Madidus effectief wordt geciteerd is op 20 november 1294. Zijn dood wordt door verschillende bronnen bevestigd in het jaar 1299 maar dat kan net zo goed in 1302 zijn volgens geschiedschrijver Malbranq. De tijd van Jan III breekt nu aan.

19. Jan III (1303-1311). 10 jaar geleden, in 1293, vinden we zijn naam al terug als deken van Sint-Maarten. De oude geschriften maken voor het eerst gewag van Jan als proost op 14 februari 1304. Hij komt aan het roer van de Ieperse kerkelijke gemeenschap in een getormenteerde en geagiteerde periode die zich gaandeweg meer en meer opvult met lugubere en macabere voorvallen. Vanuit zijn klooster kan hij ongetwijfeld de doodskreten en het wilde gebrul van de meute horen wanneer die de lakenhalle bestormt. De desastreuze evenementen hebben alles te zien met de drang naar meer democratie die zich is gaan nestelen bij de ambachtsgilden. Een aantal van hun leden zijn er in geslaagd om grote rijkdom te verwerven en ze steken nu hun kop aan het firmament van het stadsbestuur waar ze ook hun deel van de koek willen.

Er heerst al een hele tijd een bijzondere ontevredenheid doorheen de stad. Blijkbaar heeft alles te zien met buitensporige taksen en belastingen die opgelegd worden door de magistraten. Op de vooravond van de feestdag van Sint-Andreas, 29 november 1303, is het prijs. Het gemeen bestormt de halle en richt een bloedbad aan waarbij maar liefst negen schepenen, vier raadsleden en acht andere hoogwaardigheidsbekleders om het leven worden gebracht. De moordpartijen gaan de volgende dag gewoon door en die worden vergezeld van een nooit gezien rooforgie en uitspattingen van alle soort en slag. De opstandelingen installeren zich in het stadhuis, waar ze zich de functies van de schepenen toe-eigenen. Bijna twee weken lang besturen ze Ieper naar eigen goeddunken.

Filips van Chieti, de man die tijdelijk het grafelijk bestuur over Vlaanderen waarneemt, reageert aanvankelijk mild op de volksfurie. De 16de december laat hij brieven publiceren waarbij hij gratie verleent aan de schuldigen en waarbij hij maatregelen neemt om de orde en de veiligheid in de stad te herstellen. De collega-schepenen van Gent, Brugge, Rijsel en Douai pikken die mildheid helemaal niet en forceren een herziening van de beslissing van Filips van Chieti die op 4 mei 1304 nu wel zware straffen uitspreekt tegen 43 oproerkraaiers. 38 onder hen worden als moordenaars op het rad gedood en 5 mannen worden als dieven opgeknoopt.

Het is in die turbulente periode dat proost Jan III zijn discipelen de nodige tucht en godsvrucht moet zien bij te brengen. Een tiental akten met weinig betekenis, passeren de revue. Op 14 februari van het jaar 1304 geeft de proost als leidende figuur de toestemming om een extra misviering, een ‘middelmesse’ te organiseren in de kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Brielen. De kerkmeesters en de parochianen reserveren hiervoor een jaarlijkse vergoeding van 15 pond voor de kapelaan. Die moet dagelijks een mis opdragen voor de Heilige Maagd, ‘s morgens tussen acht en negen, tijdens de ‘hora prima’.

De stichters stellen de heer Jan Fraye aan als eerste kapelaan die de vermelde vergoeding de rest van zijn leven zal ontvangen. Moest de kerk om één of andere reden vernield, beschadigd of ontheiligd raken, dan zal de bewuste middelmesse in een andere parochiekerk van Ieper doorgaan.

De kanunniken hadden in Terwaan, aan de Leie, een residentie die ze op 25 februari 1306 van de hand doen aan bisschop Enguerran de Créquy van Terwaan die bereid is om er jaarlijks 200 Doornikse ponden voor te betalen aan de Sint-Maartensproosdij. Er hangt een weerhaak aan de transactie. Als het Vlaamse leger de bewuste residentie moest vernietigen of beschadigen, dan zullen de Ieperse geestelijken verplicht worden om die 200 ponden terug te betalen. In 1310 komt de aartsbisschop van Reims op bezoek naar Ieper en zijn belfort, groot bezoek, waar verder geen informatie bij wordt verschaft. Volgens de Gallia Christiana sterft abt Jan III op 7 januari 1311.

20. Daniel van Lannoy (1311-1320). Meester Daniel van Lannoy is een telg van een van de meest welvarende families die Vlaanderen rijk is. Schrijver Sanderus haalt zijn naam aan in 1311. Robrecht van Bethune stelt hem, samen met de baljuw van Ieper, op 30 augustus van 1313, aan om een onteigeningsprocedure te starten en de waarde te bepalen van alle eigendommen die zullen gebruikt worden om een nieuw kanaal te graven dat naast de Iepere zal worden aangelegd. Daarbij moeten ze onderzoeken en bepalen welke de vergoeding zal zijn die de schippers zullen moeten betalen om het nieuwe kanaal te bevaren.

De volgende dag verwerft graaf Robrecht van Bethune een stuk grond dat zich voor een stuk op het grondgebied van de parochie van Boezinge situeert en dat in vroegere dagen door Denis Nappin, een schoolmeester van Cassel, geschonken werd aan de kerk van Sint-Maarten om er een kapelanij op te richten. In ruil werd Nappin begraven in de kerk van Sint-Maarten en wordt er een dagelijkse misviering voor zijn zielsrust georganiseerd.

Die mis wordt trouwens niet enkel voor die Nappin gehouden, maar ook voor de vermoorde schepenen, want blijkbaar is de schoolmeester op miraculeuze wijze aan de slachting van 1303 ontsnapt. In 1314 trouwt Mathilde, de jongste dochter van Robrecht van Bethune met Mathieu de Lorraine, de hertog van Bar. Het huwelijksfeest gaat door te Ieper waar de bruid al sinds enkele jaren woont in het mottekasteel van het Zaalhof. De juffrouw van Vlaanderen is erg populair bij de Ieperlingen die ze op ietwat familiaire manier ‘lieve Mathilde’ noemen.

Het nieuws van het aanstaande huwelijk van Mathilde wordt met grote vreugde ontvangen, schrijft historicus Vandepeereboom. Ook de graaf wordt bijzonder graag gezien door arm en rijk. Op verzoek van de magistraten gaat het trouwfeest door in de lakenhalle en het is het gewone volk dat instaat voor alle kosten van de maaltijd en het schitterend huwelijksfeest. Waar de proost en zijn kapittel uithangen op dat moment, wordt nergens vermeld.

Proost Daniel van Lannoy zal zich vermoedelijk bezig houden met een conflict dat er gerezen is tussen de bisschop van Arras en de Ieperse kanunniken en dat jaren zal aanslepen. Bisschop Gerard beweert dat de Ieperse geestelijken hem een vergoeding schuldig zijn voor wat betreft hun eigendommen in Calonne aan de Leie. De Ieperlingen weigeren te betalen en op zijn beurt laat de bisschop de eigendommen aanslaan door de sergeant van de Franse koning en komt de affaire heel ongebruikelijk voor een niet-kerkelijke rechtbank. De zaak zal aanslepen tot in 1428.

21. Pieter II Boom (1320-1326). Rond 1320 houdt Daniel van Lannoy het voor bekeken en wil hij naar eigen zeggen een meer spiritueel leven leiden. Hij trekt naar de Chartreuzenabdij van Brugge waar hij overlijdt op 21 april 1322. Ondertussen is zijn opvolger Pieter Boom, telg van een Ieperse schepenfamilie, al in actie geschoten in de Sint-Maartensproosdij waar hij voordien trouwens al deken geweest is. Zijn naam verschijnt twee keer in de archieven.

Er is eerst de discussie tussen de procureur en de schepenen met de kerkmeester en de parochianen van Sint-Maarten. Onderwerp van de debatten is de bouw en het onderhoud van de kerk van Sint-Maarten en de abdij. Blijkbaar hebben de partijen extern advies nodig en zo worden er scheidsrechters aangesteld. Jan Badereel, de deken van de kerk, meester Jan van Beisslare, parochiepriester en chef van de administratie Alard van Dentergem worden aangeduid van de kant van de geestelijken. Het schepencollege vaardigt procureur Pieter Paelding af. Samen met de schepenen André Broederlam en François Belle.

Ze krijgen de tijd om een oordeel te vellen tot de 27e oktober van 1321 en de uitspraak moet openbaar gemaakt worden voor kerstdag. Meer weten we niet. We komen wat meer te weten in de tweede akte van juli 1322 met een ruiltransactie tussen de kanunniken en de schepenen. De abdij krijgt een stuk grond van 600m² (40 roeden) dat aansluit bij de pastorie van Sint-Pieters. De schepenen krijgen in ruil de rechten op gronden in de parochie van Vlamertinge, meer speciaal in de omgeving van de vijver van Dikkebus.

We beleven de tijden waarbij Robrecht van Bethune op gevorderde leeftijd in Ieper overlijdt. Hij leeft al enkele jaren teruggetrokken in de stad waarbij de Ieperlingen nogal wat affectie tonen voor de oude graaf en zijn dood bijzonder betreuren. De kanunniken krijgen de opdracht om te zorgen voor een begrafenis die past bij zijn status. De dienst zal doorgaan in het koor van hun Sint-Maartenskerk. Maar Robrecht heeft vroeger de wens geuit dat hij begraven wil worden in de abdijkerk van Flines, in de nabijheid van Douai.

Waar ook zijn vader Gwijde van Dampierre begraven ligt. Douai en Rijsel zijn echter tijdens zijn leven verloren gegaan aan de Fransen en de oude graaf wil er uiteindelijk pas begraven worden als beide kasselrijen weer Vlaams grondgebied zijn geworden. 14 dagen na zijn dood, de 1e oktober van 1322, worden de wensen van Robrecht van Bethune door Pieter Boom overgemaakt aan de geestelijken van de abdij van Flines. De overleden graaf krijgt in elk geval een mausoleum van kostbare jaspersteen waar zijn lichaam afgebeeld ligt in wit marmer onder een albasten baldakijn. Zijn beeltenis is voorzien van een maliënkolder.

Zijn hoofd is gekroond met een kroon van rozetten. Het monument zal in 1586, net zoals zo veel andere, vernield worden door de beeldenstormers. De eerste wereldoorlog is nog veraf als Feys en Nelis nog de grafsteen aantreffen midden in het koor van de Sint-Maartenskerk. De inscriptie luidt als volgt; CY GIST NOBLE PUISSANT PRINCE DE BONNE MEMOIRE MON SEIGNEUR ROBERT, COMTE DE FLANDRE, QUI TREPASSA L’AN DE GRACE M. CCC. XXII. LE JOUR St LAMBERT.

De cartularia blijven stom tussen 14 oktober 1323 en 13 september 1327. Geen enkele akte. Een veelbetekenende lacune die ongetwijfeld alles te zien heeft met de trieste situatie die Vlaanderen meemaakt tijdens het bestuur van Lodewijk van Nevers. Abt Pieter Boom volgt het voorbeeld van zijn voorganger en neemt in 1326 ontslag uit zijn functie. Hij zal nog 20 jaar leven.

Dit is een fragment uit boek 4 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>