Tussen Oost-Hende en West-Hende

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     117 Views     Leave your thoughts  

Op 31 maart verschijnt deel 7 van De Kronieken van de Westhoek. Het laatste hoofdstuk van de nieuweling gaat over de geschiedenis van Oostende. Jullie kan al een eerste keer kennismaken met mijn nieuwe creatie op de website van ‘De Standaard Boekhandel’. Ik kijk er al naar uit om dit deel 7 voor de leeuwen te gooien. Alvast toch al eens naar Oostende!

Oudenburg en Rodenburg
De Vlaamse kroniekschrijver Oudegherst (+1592) verzekert ons dat Oudenburg en Rodenburg (nu Aardenburg) in het midden van de 5de eeuw twee bedrijvige kuststeden waren met drukke handelsactiviteiten. Zijn collega Lambrecht Onulph (Lambert van Sint-Omaars) wist al rond de jaren 1100 in zijn boek ‘Floridus Lamberti’ te vertellen dat Oudenburg en Rodenburg aan de oever van de zee lagen. Jacobus Bowens twijfelt er aan. Diezelfde schrijvers hebben het allebei over het bestaan van Wenduine, Oostburg en Snellegem en nog andere dorpen aan de zeekant. Maar hoe valt hun bestaan te rijmen met de grote veranderingen die onze kusten later zullen ondergaan? Caesar had het expliciet over de havens van Mardijk, Kales en Witzand, dus die bestonden al tweeduizend jaar geleden. Als dat ook het geval was met Wenduine-aan-Zee dan zou dat betekenen dat de zeekust in Vlaanderen niet die grote veranderingen kan ondergaan hebben vermits Wenduine er nu nog altijd aan zee ligt. Jacobus gelooft eerder dat er een grote geul liep door de Sinte Catharina Polder, een grote kreek, de oude Ieperlee die gebruikt werd om de schepen te laten varen tot in Oudenburg en via een gelijkaardige geul verder richting Rodenburg.

We mogen echter niet dagdromen: Caesar heeft het nooit gehad over Oostende, dus zal de plaats in elk geval niet het noemen waard geweest zijn. Ik laat de inleiding achter me en haast me nu naar het eigenlijk begin van Bowens’ boek. Oostende ligt op vier uur van Brugge en drie van Nieuwpoort. Oorspronkelijk is er sprake van twee steden: een oude en een nieuwe stad. De oude stad was ooit de plek waar de vissers woonden en die werd in de loop van de jaren door de zee verzwolgen. Die vissers zagen al eerder de bui hangen en vroegen de toelating om een vaart te delven aan de westelijke kant van het stadje, op de plek waar het riviertje de Ieperlee de achterwateren doorspoelde. Dat graafwerk moet de nodige arbeid en moeite gevergd hebben maar heeft van Oostende wel de schoonste haven van Europa gemaakt. Dat vindt mijn Jacobus in elk geval. Door de groei van de bevolking zal de haven aan de westelijke kant ingesloten geraakt zijn en in onbruik geraakt. De loop van Ieperlee werd in de loop van de tijd verlegd in de richting van de haven van Nieuwpoort waar de vaart nu nog altijd zijn loop heeft.

Vroeger was het Oost-Hende
De historicus Marchantius is van mening dat Oostende eerder Oost-Hende was. Letterlijk de grens of het einde van het oostelijke deel van Vlaanderen. Net zoals Westende ooit wel de grens van het westen zal geweest zijn. De eerste aanwijzing over het bestaan van Oostende komt van Gobertus van Steenlandt van de abdij van Sint-Omaars. In deze kronieken van het jaar 814 heeft Gobertus het over een schenking van 32 plaatsen, steden en dorpen zonder daarbij echter namen te noemen. Jacobus Bowens veronderstelt dat Oostende daar wel zal bij gezeten hebben maar dat het een te verwaarlozen dorp moet zijn geweest. Vooral omdat geen enkele andere schrijver er voor het jaar 900 ook maar enige melding van maakt. Het land van Oostende is niet veel meer dan een wildernis. Bossen en moerassen met hier en daar primitieve forten waar verschillende volkeren woonden. Vaak verwoest door vreemde indringers die de dorpen overvielen, in brand staken en beroofden. Met daarbij nog de aanwezigheid van pest en andere besmettelijke ziekten en de menigvuldige overstromingen van de zee die het land zo goed als onbewoonbaar maakten. Niet moeilijk dat broeder Gobertus niet eens de naam kon noemen van zijn 32 gehuchten aan zee.

Later betert het er niet echt op. De zee blijft de kusten regelmatig geselen. In 1003, in juni 1014, en dan nog eens op de 4de en 5de oktober van 1042 toen noodweer er voor zorgt dat de Noordzee het hele hinterland overspoelt. Ons vroegere land was eeuwen aan een stuk niet veel meer dan één grote woeste wildernis, een leeg moeras dat niet door de minste dijk beschermd werd voor de grillen van de zee en de overstromingen van de rivieren. Van de naam van Oostende is er geen sprake. Graaf Robrecht de Fries, de tiende in de reeks van Vlaamse graven, registreert in 1072 de herstellingen en de stichtingen van dertig kerken die allemaal opgedragen worden aan Sint-Pieter die toen nog heel devoot als de heilige apostel Petrus werd aangesproken. Eén van die kerken zou dus toen gebouwd zijn in Oostende die op dat moment niet meer is dan een groot dorp.

Maar het blijft allemaal speculatie. Dat Oostende anno 2018 wel degelijk zijn Sint-Pieterskerk bezit wijst in elk geval in de richting van Robrecht de Fries. In het levenswerk van de heilige Arnulphus wordt de regio in het jaar 1084 niet bepaald als een gezellige regio omschreven. Ik citeer even: ‘Ten jare 1084 zat het land helemaal vol met moordenaars, de inwoners waren gewoon aan bloedstortingen en ze lieten geen dag voorbijgaan zonder zelf iemand te vermoorden, iets wat gebeurde om de kleinste futiliteiten.’ Verder in dit werk staat er nog neergeschreven dat men in het gewest Brugge (waar Oostende deel van uitmaakte) jaarlijks voor een totaal aan tienduizend zilveren marken betaalde om dergelijke misdaden af te kopen.

De verschrikkelijke aardbeving van 1084
In datzelfde 1084 voelen de inwoners van onze provincie een verschrikkelijke aardbeving, gevolgd door allerhande pestziekten die het volgende decennium volk en mensen uit hun levens wegrukken. En alsof dat nog niet allemaal genoeg is eist de Noordzee ook nog zijn deel van de miserie op. De overstromingen van de zeewateren zijn in 1105, 1109 en 1112 opnieuw zo omvangrijk dat het hele hinterland verloren dreigt te gaan. Er is nog niet het minste spoor van zeedammen. Het niets ontziende water verplicht de inwoners om hun woonsten achter te laten en zich op veiligere en vooral drogere plekken te vestigen. Hendrik I, de toenmalige koning van Engeland ontvangt hen in zijn rijk en stuurt de Vlaamse inwijkelingen naar een onbewoonde heide in de buurt van York en op een later tijdstip dienen ze nog een keer te verhuizen naar Wales, meer bepaald bij Ross en Pembrouck waar hun nakomelingen heden ten dage nog altijd hun leven slijten. In het jaar 1123 volgt opnieuw een onstuimige storm.

De overstromingen zijn zo omvangrijk dat het dorp van O.L.V. Ter Streep in de buurt van Oostende met de verdwijning bedreigd wordt. ‘De wateren omstroomden heel het dorp en al de omliggende landen waardoor het grote schade leed en de inwoners in de grootste ellende gedompeld werden.’ De winter van 1126 is dan op zijn beurt zo hard, de prijzen van de levensmiddelen zo hoog, dat veel inwoners in de grootste nood verkeren en dan nog drie jaar later getrakteerd worden met een verwoestende pest die een ware ravage aanricht onder de levenden. Ook in de jaren 1134, 1135 en 1143 spelen overstromingen verder de hoofdrol. Hoe is het toch mogelijk dat hier nog mensen overblijven? In 1165 krijgt de kustregio het bezoek van de graaf van Holland. Floris III met schepen en massa’s volk arriveren hier als eersteklas zeeschuimers, verwoesten al de dorpen die ze op hun weg ontmoeten. Maar de brutale graaf en het grootste deel van zijn vrijbuiters worden gevangen genomen en naar Brugge overgebracht waar velen hun verdiende straf ondergaan. De naam ‘Oostende’ zelf valt nog altijd niet. Wel die van de parochie ‘Stene’ in het jaar 1171. In een brief van graaf Filips van de Elzas. Jacobus Bowens heeft overschot van gelijk als hij de inhoud ervan citeert. Ik volg zijn voorbeeld, lees maar:

Een vervaarlijk zeegedrocht op het strand
‘Filips, door de gratie van God graaf van Vlaanderen … Ik heb besloten om ons heden in het bezit te komen stellen van de nieuwe landen aan de zeekant. We hebben toegelaten dat de tienden van dat nieuw land die momenteel beploegbaar is, te weten die in de parochies van Slijpe, Leffinge, Steenen en O.L.V.Kapelle voor altijd zullen toebehoren aan de tempeliers, tot lavenis van onze ziel en die van onze voorvaderen, naast de vroegere tienden die ze bij wijze van aalmoes geschonken hebben aan de altaren van dezelfde parochies.’ Het document wordt ondertekend door Robert, tresorier van Torhout en kanselier van Vlaanderen. Daarnaast prijken ook de tekens en namen van Rogerus, de kasteelheer van Kortrijk en van twee prominente tempeliers. In het jaar 1178 spoelt een vervaarlijk zeegedrocht aan op het strand van Oostende.

Na een akelig onweer schrikken ze kustbewoners zich vermoedelijk een hoedje als ze aan de kustlijn een zeemonster van wel 42 voet aantreffen. Een vleesberg van veertien meter lang, met de bek van een arend en de kop in de gedaante van een zwaard. Dit ‘schrikdier’ wordt vanwege zijn rariteit van Oostende naar Brugge getransporteerd en door het Brugse stadsbestuur geschonken aan graaf Filips. Diezelfde Filips van de Elzas trouwt in 1189 met Mathilde de koningin van Portugal. Dat zal hopelijk niet zo’n gedrocht zijn. De prinses vertrekt vanuit Lissabon met een vloot van veertien schepen richting Vlaanderen. Aan boord bevinden zich de wapens die de graaf eerder heeft buitgemaakt op de Saracenen, naast haar eigen schatten en juwelen. De Noormannen, vrijbuiters van alle tijden en berucht om hun strooppartijen hebben het blijkbaar op deze kostbaarheden gemunt. Ze onderscheppen de koninklijke vloot en slagen er in om elf van de zuiderse schepen te enteren, te veroveren en die naar Cherbourg af te leiden waar ze allerhande wreedheden bedrijven op de Portugese bemanning.

Lijken langs de zeekant
Mathilde kan ternauwernood ontkomen en meert met de drie resterende schepen aan in Vlaanderen. Wanneer graaf Filips op de hoogte gebracht wordt van de feiten en wie er achter zit, kiest hij resoluut het zeegat met een vloot schepen uit Pruisen en Denemarken. Cherbourg zal zijn medewerking met de Noormannen wel geweten hebben. De mannen van de graaf slaan er aan het plunderen, steken de stad in brand en nemen er de belangrijkste edellieden gevangen. Die mannen worden overgebracht naar Oostende, Damme en Blankenberge waar ze later onthoofd worden. Hun lichamen blijven als schrikbarende voorbeelden vasthangen aan enkele radwielen langs de zeekant. De Vlaamse kust wordt in 1195 al opnieuw gegeseld door zwaar onweer en sterke winden die dammen en dijken doorbreken en het land doen overspoelen. Met achteraf natuurlijk de gebruikelijke schade gevolgd door honger, gebrek en talloze doden. Maar veel info over Oostende vindt Jacobus Bowens helaas niet.

De man is duidelijk gefrustreerd. Hij moet het stellen met gebeurtenissen uit de buurt, de ‘bijlanden’ zoals hij ze noemt. Een brief van de bisschop van Doornik uit het jaar 1200 heeft het over een priorij van monniken in de parochie van Bredene, een abdij die er vermoedelijk al lang geleden opgetrokken werd en die er nog zal blijven staan tot in de 16de eeuw wanneer ze door inlandse oorlogen helemaal vernietigd zal worden. De priorij van Bredene staat onder de patronage van de abt van St. Riquier en Ponthieu die er tienden van binnenrijft. De brief biedt een interessante inhoud. De abdij in Bredene zou in principe moeten beschikken over twaalf monniken die er goddelijke diensten moeten verrichten, vreemdelingen onderdak geven, de zieken troosten, enfin goedbedoelde werken van barmhartigheid. In 1200 trekt het daar blijkbaar op geen kloten.

Bij een inspectiebezoek wordt er geen spoor van monniken aangetroffen. De plaats is veranderd in een wildernis, het grootste deel van de inboedel en de bezittingen, opbrengsten van de tienden die moesten dienen voor het onderhoud van de monniken zijn allemaal schampavie. Weggenomen en overweldigd door een priester die er nu een ellendige kerk op nahoudt, terwijl hier plaats voorzien is voor een prior en twaalf monniken. Het wordt stilaan duidelijk dat het de inwoners zelf zijn die de misbruiken aan het licht hebben gebracht. Deze ‘mistroostige en beweenlijke’ kerk is zijn naam niet waardig en er komt dus een verbod om hier nog verder goddelijke diensten te verrichten. De bewuste priester (het enige wat ik weet is dat zijn naam met een ‘W’ begint) slaagt er nog in om het verbod pas te laten ingaan op Driekoningendag. Ik leer in dezelfde tekst dat de bekende abdij van Ter Doest bij Lissewege (Abbatia Thofana) blijkbaar gesticht werd door toedoen van de nu vermolmde priorij van Bredene.

De gruwelijke pest van het jaar 1214
In het jaar 1214 ontstaat er in Vlaanderen een gruwelijke pest die zich als een woedende feeks vermenigvuldigt tot aan de zeekusten en er ontelbaar veel mensen uit het leven wegrukt. Bowens weet wel wat vertellen is, ik geef het grif toe! ‘Nooit heeft een besmetting zich op zo’n verschrikkelijke manier geopenbaard. De pest leek wel op een verblindend vuur dat brandde in de borst en doorheen de ingewanden. De mond van de lijders deed pijn en verspreidde een onverdraaglijke stank. Het duurde niet lang voor het doodszweet zou uitbreken, maar die matigde evenmin de brand waardoor de beenderen van de ongelukkige slachtoffers begonnen te verteren in deze gloeiende vuurzee. De zoete banden van de vriendschap, nochtans natuurlijke gevoelens, werden met de slag vergeten. De zoon die bijna gek werd van de pijn weigerde om zijn vader te omhelzen, de ene broer liep weg van de andere. De stervende moeder die overgeleverd was aan de woede van de ziekte volgde haar kinderen in het graf waar ze wat later gevolgd werden door haar man.

Men zag niets anders dan stervende mensen en lijken en tot overmaat van ramp zond de zee nog eens zijn onheil naar de mensen.’ Je raadt het: doorgebroken dijken en overstroomde landen zodat werkelijk alles in de regio van Brugge onder water komt te staan. En dan breekt eindelijk de tijd aan wanneer Oostende een eerste teken van respect en bestaan krijgt. Dat gebeurt in het jaar van de heer 1267. Margaretha van Constantinopel, de gravin van Vlaanderen schenkt Oostende zijn allereerste privilege. Dat heeft alles te maken met de halle en de vrije markt die er tot stand zijn gekomen. Met deze oorkonde wordt Oostende verheven van dorp tot stad. Weliswaar nog zonder muren, vestingen en bolwerken. Vermoedelijk is de plaats al ferm bewoond en recent enorm uitgebreid. Geschiedschrijver Sanderus beweert dat er voordien al sprake is van zoutontginning en haringvangst en dat de gravin daar orde en reglement in brengt, maar Jacobus weet het zo niet. Diezelfde Sanderus heeft het ook over een premature dijk bij Oostende maar in Bowens’ tijd is daar in elk geval niets meer van te merken. Niet de minste resten of sporen van die dijk. Indien hij werkelijk bestaan heeft moet de zee haar met de grove borstel hebben weggeveegd.

Van een dorp is nu geen sprake meer
Tot in 1270 blijft Oostende een succursale van Brugge. Bij wijze van spreken. Maar nu er van een dorp geen sprake meer is, krijgt Oostende van gravin Margaretha een eigen wetgeving en rechtspraak. En een ruwaard. De zee krijgen ze voorlopig niet klein. Tijdens de jaren 1277, 1284 en 1285 is het water zo onstuimig dat er weer grote schade te melden valt in de stad en zijn ommeland. Toch zullen andere bekommernissen de aandacht opeisen van de Oostendenaars. Zolang Brugge de wetten dicteert zijn de mannen hier verplicht om de Bruggelingen te volgen wanneer ze onder de wapens geroepen worden en zo maken ze zich vaak schuldig aan weerspannigheid tegen hun graven. Die van Oostende worden dus over dezelfde kam geschoren als zijnde rebels tegen de graaf. Omdat ze daar achteraf toch hun spijt voor betonen krijgen ze via ‘brieven van genade’ alsnog vergeving van hun zonden. Ik heb het hier over het jaar 1310. De Guldensporenslag en de Brugse Metten zijn voor Jacobus niet eens het vermelden waard geweest. Er blijkt iets niet in orde met de officiële zegels van de stad Oostende. Blijkbaar wordt er gewerkt met afgietsels en zijn die niet echt koosjer te noemen.

Regent Filips van Chieti, de zoon van Gwijde van Dampierre laat ze via zijn open brieven in 1303 verbrijzelen. Waar haalt Oostende deze vergunning vandaan om zich lukraak te bedienen van handzegels en tegenzegels? Dat ze maar eerst eens de originele exemplaren voor de dag brengen. Die blijken niet vindbaar, een kwestie die volgens schrijver Bowens nog een staartje zal krijgen. Ik ben benieuwd! Een zwaar onweer gevolgd door een nieuwe overstroming zet het boeltje datzelfde jaar nog eens onder water. Wie in Vlaanderen woont moet in die tijd belastingen betalen aan de graaf. Veel is er ondertussen niet veranderd. Volgens de oude ‘Transportboeken’ betaalt Oostende in 1317 nog geen twee pond taksen, zijn inkomen moet absoluut niet groot zijn. Niet moeilijk dat er zo weinig nieuws te melden valt. Die van Oostende moeten ook betrokken zijn in de slag op de Casselberg waarbij Zannekin sneuvelt, samen met duizenden andere Westhoekers. De voornaamste kopstukken worden achteraf getrakteerd op de doodstraf. Graaf Lodewijk van Nevers trekt van stad naar stad om boetes op te leggen. Oostende krijgt 400 pond boete, op zich misschien niet echt opzienbarend. Jacobus Bowens weet in 1792 niet wat ik anno 2018 wel weet. De stad Veurne krijgt voor zijn aandeel in diezelfde slag van Cassel in 1328 van de graaf 6.000 pond boete aangesmeerd. In die tijd is Veurne een stad van hooguit 8.000 inwoners, dat betekent dat Oostende volgens deze verhouding amper 500 inwoners zou bezitten.

Janszone vlucht naar Zeeland
De Franse koning Philippe van Valois is de grote baas van onze graaf. Hij komt zich bemoeien in Vlaanderen. Zogezegd om hem te helpen, in werkelijkheid zet hij hier stevig de puntjes op de ‘i’. De poorters van Brugge en Ieper moeten door het stof om pardon te krijgen voor hun weerspannigheid. Valois treedt buitengewoon hard op tegen de kopstukken van de slag op de Casselberg. Hij laat de mannen breken op een rad, levend radbraken, Valois doet hun spieren één na één laten kraken en openspatten terwijl de geteisterde beenderen met ijzeren staven tot splinters geslagen worden. Zeger Janszone, het opperhoofd van de misnoegden, slaagt er in om te ontkomen en vlucht naar Zeeland. Wat dan gebeurt, staat nog altijd netjes neergeschreven in de kronieken van die tijd: ‘Zeger Janszone vluchtte naar Zeeland. Maar na Onze Vrouwe Lichtemisse kwam hij tot Oostende met wel vijfhonderd kloeke gasten en deden ze die van Bredene met hun zweren en wie dat niet wilde doen, zouden ze dood smijten, zo komende naar Oudenburg.

De baljuw van Brugge dit horende, kwam daar naartoe om met hen af te rekenen en hij werd voor het klooster van St. Aernouts gevangen met zijn zoon en met twintig van zijn principaalste medeplichtigen en dan zijn ze naar Brugge gebracht waar hij met gloeiende ijzers gestoken is geweest en hij werd gesleept tot aan de galg. De anderen werden geradbraakt en daarna onthoofd, de lichamen onder de oksels gebonden en met touwen aan nieuwe galgen gemonteerd. Hun hoofden spietste men op staken.’ In het jaar 1330 bekomt Oostende dan toch wat het zo graag zou willen van de graaf: zijn eerste wetten, voorrechten en vrijheden, identiek als die van de stad Damme. Zo kan de vierschaar hier lokaal zijn werk doen. Op de strikte voorwaarde dat er elk jaar nieuwe wetsheren moeten worden aangesteld. Op 13 oktober en 13 november van datzelfde 1330 doorstaat de kust twee zware beproevingen door nieuwe overstromingen. In 1334 is de situatie nog erger wanneer menige landen en dorpen kopje onder gaan in het Noordzeewater. Het staat vast dat het dorp ‘ter Streep’, of ‘Onze-Lieve-Vrouw-ter-Streep’, samen met het oude Oostende op 23 november 1334 volledig overspoeld worden.

Testerep tussen Oost-Hende en West-Hende
Jacobus Bowen geeft niet echt meer uitleg over ter Streep waardoor ik wel verplicht wordt om zelf wat extra research te doen. De woonkern ter Streep blijkt een restant van een breed kusteiland dat zich uitstrekte tussen Oost-Hende en West-Hende. Testerep. Met Middelkerke centraal tussen het Oost-einde en West-einde. Deze hoogte in zee met nog wel meer vissersdorpjes was tussen tussen de jaren 1000 de 1200 van het vasteland gescheiden door een soort rivier, een kreek die met verloop van tijd zal uitgroeien tot een volwassen afwateringsgracht, de oostelijke getijdengeul van de Ijzer met de voorhaven van Brugge aan de noordoostelijke achterzijde. Geen wonder dus dat de zee hier vrij spel heeft. De eerste vermelding van ter Streep dateert van het jaar 1115. Die fameuze voorhaven van Brugge zal geleidelijk aan verzanden en zich ontpoppen tot het Zwin.

De overstroming van ter Streep in 1334 betekent de genadeslag voor de plek en eigenlijk het startschot voor de uitbouw van Oostende. Andreas Ghini, de bisschop van Doornik geeft niet toevallig in datzelfde jaar goedkeuring voor de bouw van een nieuwe kerk in Oostende. De stichtingsakte onthult voor een stuk de aanleiding daartoe. Ik ga op zoek naar interessante weetjes maar probeer het veel te uitgebreid stuk palaver wat in te korten: ‘..aangezien onze lieve zoon Jacobus de Cotheem een zeker stuk land gegeven tot het stichten of verplaatsen van de kerk en het kerkhof van Oostende ter Streepe, en omdat de gezeide kerk door de schielijke en menigvuldige overstromingen van de zee niet kan blijven staan op deze plaats kan er een nieuwe kerk komen op de nieuwe grond, zolang er maar elk jaar een mis kan opgedragen worden voor onze graaf die hiervoor de toestemming geeft. De hele transactie en heropbouw is bedoeld als stimulans voor de godsdienst die wij hier trachten te vermeerderen, et cetera et cetera.’

Al die stadhuistaal
Een tweede document komt van het magistraat van Oostende en dateert van 1335. Opnieuw veel stadhuistaal. Met belangrijke details wel te verstaan. Ik ga opnieuw snuisteren in de tekst en citeer wat mij echt interesseert. ‘…wegens de overstroming en het geweld van het zeewater zullen de kerk van de heilige Petrus van Oostende en zijn kerkhoven niet langer kunnen blijven staan waar ze nu gebouwd zijn. Door de bijzondere gift van een stuk land van één gemet (een kleine halve hectare) door Jacobus de Cotheem kan hier binnen onze stad Oostende een nieuwe kerk gebouwd worden. Het stuk land paalt van de ene kant aan het land van Renier Waghenaere en van de andere kant aan het land van Wauter, zoon van Hendrik en van Hendrik, zoon van Hendrik. Verder grenst het land eveneens aan een gemet grond die toebehoort aan Pieter Couvent en aan de huisvrouw van de voornoemde Jacobus.’

Verder staan er nog specificaties vermeld over de misdiensten die moeten gehouden worden als tegenprestatie voor de goodwill van de graaf. Elk jaar een plechtige mis en na zijn dood een requiem als dessert. In het jaar 1339 is er spektakel te zien voor de kustlijn van Oostende. De machtige vloot van Frankrijk vaart er voorbij met bijna vierhonderd zeilschepen. Het moet een indrukwekkend schouwspel zijn. Aan boord bevinden zich de admiraals Nicolas van Bahuchet en Hugo de Keruël. Ze zijn hier in opdracht van koning Philippe om onze graaf Lodewijk te ondersteunen tegen de Gentenaars van Jacob van Artevelde die in alliantie gegaan zijn met de Engelsen van koning Edward. Een rechtstreekse confrontatie tussen twee wereldvloten. Die van Engeland is al even ontzaglijk met Edward persoonlijk aan het commando. De Fransen gaan in het offensief maar krijgen lik op stuk. Veel van hun schepen worden getorpedeerd en overmeesterd. Tijdens dat zeegevecht verliezen 30.000 Fransen het leven terwijl aan Engelse zijde er sprake is van 4.000 gesneuvelden. Koning Edward heeft die historische zege in grote mate te danken aan de Vlamingen die hem ter hulp zijn geschoten. Deze gedenkwaardige slag speelt zich af op 23 juni 1339 op de Noordzee tussen Blankenberge en Sluis.

Het kaken van de haringen
In het jaar 1347 ontschepen in Oostende en in Biervliet voor het eerst de zogezegde ‘haringbuizen’. Een uitvinding van Guilielmus Beukels volgens Bowens. Na wat extra opzoekwerk moet ik hem opnieuw corrigeren. Er zijn twee personen verbonden aan de nieuwe techniek. Inderdaad die vernoemde Beukels, een man uit Biervliet. Daarnaast is er inderdaad sprake van een Oostendenaar die mee aan de basis ligt van de haringbuizen. Jacob Kien. Vroeger moest de gevangen haring aan land opengesneden en gekuist worden vooraleer die dan in het zout te pekelen. Met de nieuwe techniek van Beukels en Kien wordt de gevangen haring al onmiddellijk op het schip zelf ‘gekaakt’. De haring wordt niet langer opengesneden, het zout wordt voortaan direct via de kieuwopening ingebracht en daarna wordt de opgevulde haring in tonnen gestopt. Jacobus heeft het over ‘zouten’ en ‘tonnen’ en focust zich daarna weer helemaal op een nieuw geval van pest. Na de ravage van 1214 ontstaat er opnieuw pest in 1349. De eerste gevallen duiken op in Sluis en het duurt niet lang voor de vreselijke ziekte zich over heel Vlaanderen verspreidt en er zorgt voor ongelooflijk veel dodelijke slachtoffers.

De jaren 1300 zijn absoluut geen plezierige jaren voor de inwoners van Oostende. In 1335 worden de omgeving van de stad zwaar getroffen door een sprinkhanenplaag, smerige beesten die de velden kaalvreten waardoor er natuurlijk hongersnood volgt. Naast de voortdurende watersnood natuurlijk. Op 12 september 1356, 25 september 1357, 17 februari 1362 en in de decembermaanden van 1367 en 1370 barsten de dijken onder druk van het briesende zeewater. Voeg daarbij de aanhoudende pest, de schaarsheid van de levensmiddelen en dan krijg je een erbarmelijke cocktail, een ‘beweenware toestand die niemand zich zou kunnen inbeelden.’ In 1370 bezit Oostende nog geen beschermende stadsmuren, het is nog geen besloten stad, hoewel het nu toch al bekend staat als zijnde de tweede grootste zeehaven van Vlaanderen.

De bewoners beginnen rond 1372 met het bouwen van palissaden, hier en daar worden palen in de grond geslagen om zich toch al enigszins te kunnen beschermen tegen onvoorziene invallen van vijanden. In die tijd staan de Oostendse jongelingen nog altijd onder de wapens van die van Brugge. Op 16 november 1372 krijgt de kustlijn tussen Oostende en Sluis af te rekenen met opnieuw geweldige overstromingen. Zeventien dorpen komen onder water te staan met inbegrip van Oostende zelf. De inwoners zijn die overstromingen spuugzat. Velen denken er aan om een nieuwe woning op te trekken op een meer zuidelijk en vooral hoger gelegen perceel duinenland. Maar daar is natuurlijk de toelating voor nodig.

De grond davert onder de Vlaamse voeten
De verwoestingen door het water worden korte tijd later gevolgd door een verschrikkelijke aardbeving die in 1382 in zowat heel Vlaanderen wordt gevoeld. De schrik voor deze vreselijke gebeurtenis bij de inwoners is ongezien, vooral omdat men hier niet gewoon is dat de aarde zo hard tekeer kan gaan. Niet alleen de grond onder de Vlaamse voeten davert. Het lijkt erop dat de mensen die er op lopen er door geïnspireerd worden. In 1383 ontstaat er grote ruzie tussen die van Brugge en Gent. Het is zo erg dat ze tegen elkaar ten strijde trekken. De Gentenaars krijgen de steun van de Engelsen en die maken zich meester van al de steden en dorpen langs de kust waar ze een spoor van diefstal en verwoesting achterlaten. Jacobus Bowens geeft geen verdere details prijs. In 1393 is de maat nu wel echt vol voor de Oostendenaars. De nieuwe overstroming tijdens de nacht van Sint-Vincentius decimeert nog maar eens het pas heropgebouwde stadje. De piste om de stad wat op te schuiven naar een hoger gelegen perceel komt weer op de agenda. Een jaar later doet het schepencollege het Oostends probleem uit de doeken voor hertog Filips de Stoute. In die tijden noemen ze dat een ‘smeekschrift’.

De hertog gaat in op dat verzoek en schenkt hen een flinke drie hectare duinenland om hun agglomeratie uit te breiden. De Oostendenaars profiteren ervan om nog datzelfde jaar scheidingspalen te plaatsen. In 1402 krijgen de inwoners hun eigen ziekenhuis, een hospitaal of gasthuis, dat door de paus begunstigd wordt met verscheidene aflaten. Op vandaag spreekt men van subsidies, in die tijd komt het geld van mensen die denken dat ze met bidden en sponsoring van christelijke doelen hun hemel wel zullen verdienen. Dat eerste hospitaal staat op de plaats waar zich in de 18de eeuw het klooster van de zwarte zusters zal situeren. Bowens baseert zijn veronderstelling op een oud stadsplan uit 1551 waar een kerkje getekend staat. Nog een hele tijd voor er sprake is van de grauwe en later de zwarte zusters. Een jaar later spoelen er op het strand van Oostende acht walvissen aan. Nee, geen zwarte zusters als je het mij vraagt. Elke vis op zijn minst twintig meter lang, goed voor vierentwintig ton spek. In de ‘kronyk van Vlaenderen’ heeft de schrijver het over ‘de walvissen van Brixius nachte’, zijnde die van 12 november 1402.

Haantjesgedrag van de Bruggelingen
Oostende krijgt in 1411 te maken met de Franse oorlog die graaf Jan zonder Vrees voert tegen zijn erfvijand, de hertog van Orléans. Ik heb de hele historie ooit nog uitgebreid verteld in eerdere kronieken van de Westhoek. En nu krijg ik er nog eens mee te maken. Een nieuw perspectief vind ik altijd meegenomen. Jan zonder Vrees kan die van Brugge en het Brugse Vrije ervan overtuigen om een volksleger ter beschikking te stellen voor zijn afrekening met die type van Orléans. En dus worden de gemeenten en steden aan de kustlijn automatisch betrokken partij. Ze willen allemaal hun heer dienen, maar in welke volgorde zullen ze naar Frankrijk stappen? Wat volgt is zuiver haantjesgedrag van Brugge en het Vrije. Zij willen voorop lopen. Maar waarom zouden die van Brugge of het Vrije zich beter wanen dan de rest?

Een heikele kwestie dus waar hertog Jan zelf de knoop moet doorhakken. De steden van Sluis, Damme, Monnikenrede, Hoeke, Muide, Blankenberge, Oostende en Diksmuide worden ingedeeld bij de divisie van Brugge terwijl Ijsendijke, Oostburg, Aardenburg, Oudenburg, Gistel, Torhout, Eeklo, Kaprijke en Lembeke die van het land van het Vrije zullen volgen. In die slagorde vertrekken de West-Vlamingen naar Clermont. Ze komen daar terecht in een uitzichtloze oorlog tot ze er maanden later doodmoe en verbitterd de brui aan geven, hun hertog in de steek laten en op eigen houtje naar Vlaanderen terugkeren. In oktober arriveren de deserteurs in Brugge. Aan de buitenzijde van de Smedenpoort, in de buurt van de abdij van Sint-Andries slaan ze hun kamp op. Er ontpopt zich een vinnige discussie met het stadsbestuur binnenin de stad.

Zolang de graantaksen niet verdwijnen zullen de teruggekeerde mannen hun respectieve ambachten niet aanvatten en zullen ze al zeker niet de wapens neerleggen. Burgerlijke ongehoorzaamheid waar die van Diksmuide, Sluis, Damme, Oostende en Torhout zich aan bezondigen. Maar ze halen hun slag thuis. Deze waargebeurde story laat Jacobus veronderstellen dat Oostende dan al flink gegroeid moet zijn en er al sprake is van een uitgebreide zeehandel en veel nering op het land.

Een dijk tussen Sluis en Nieuwpoort
De kustlijn tussen Sluis en Nieuwpoort moet rond 1412 een eerste algemene dijk hebben gekregen. Oostende zal er wel mee van hebben geprofiteerd. Geen stenen bescherming, eerder een wal van opgeworpen vette aarde. Jan zonder Vrees laat die opwerpen om verdere overstromingen te voorkomen. Anno 1700 is er geen spoor meer van de bewuste dijk. Bowens heeft weet van oude overblijfselen van een dam; ‘de schans van Albertus’ (aangelegd door Albrecht & Isabella in het begin van de jaren 1600) die mogelijk een deel van die eerste grote dijk heeft ingenomen. De aarden dijk is zeker geen overbodige luxe. De overstromingen van 1418 brengen Oostende weer in nauwe schoentjes. Langs de zeekant vangt men onverwacht een vreemdsoortig zeegedrocht. Het lijkt wel op een varken maar is wel veel groter, het beest heeft een lengte van 5,5 el wat neerkomt op een kleine 4 meter. Het dier wordt in Doornik aan de man gebracht. Kroniekschrijver Meyer heeft het alweer over nieuwe overstromingen.

Die van 13 december 1421 en van 19 november 1428. Ze gaan vergezeld van groot onweer en ‘doorspoelingen’ van de Vlaamse kusten. Het stadsregister van Oostende maakt dan weer gewag van een verschrikkelijk onweder dat hier veel onheil en schade veroorzaakt op 17 maart 1432. Dat jaar krijgen de Oostendenaars van graaf Filips de Goede de toelating om een klok of een schel te mogen luiden aan hun stadhuis of schepenhuis. Volgens oude stadsplannen staat dat stadhuis aan de andere kant van waar het in de 18de eeuw opgebouwd staat, op een plaats waar nu de ‘poort van het gouvernement’ staat. 1435. De Bruggelingen en hun onderhorigen, met onder hen dus de mannen van Oostende, gaan samen met veel andere Vlamingen op weg naar Calais. Ze willen hun graaf Filips de Goede helpen om de door de Engelsen bezet gehouden haven te heroveren. De Vlamingen vertrekken op 11 juni. Zegezeker, ja en dat zijn ze beter niet. De opdracht mislukt faliekant, de Engelsen verdedigen hun stad met de vingers in de neusgaten, krijgen vanuit de zeekant zoveel versterking als ze willen en bezorgen de Vlamingen een kater en een nederlaag die kan tellen. Die van ons kunnen niet veel anders dan afdruipen in de richting van het noorden. De verliezen aan Vlaamse kant zijn daarbij aanzienlijk.

Er zijn nog enkele rekeningen te vereffenen
Deze wanordelijke terugkeer zet de Engelsen ertoe aan om in de achtervolging te gaan. Twee bendes scheiden zich van elkaar af en vallen beide West-Vlaanderen binnen waar ze zorgen voor grote verwoestingen. Een deel van de Engelse vloot verschijnt voor Oostende maar zeilt gelukkig verder naar Walcheren waar ze door de Zeelanders met alle egards worden ontvangen en er voorzien worden van levensmiddelen. De ‘muitzuchtige’ boeren van daar voegen zich doodleuk bij de Engelse soldaten en hun zeelieden en komen nu in hele bendes afgezakt naar Oostende. Ze vermoorden hier de graafgezinde Jan van Hoorne op de meest wrede manier. Gewoon om hun dorst naar bloed te lessen. Zijn dood wordt door de graaf zelf beweend en zijn lichaam wordt achteraf begraven in de kerk van Sint-Donaas te Brugge.

De relaties met Filips de Goede zijn door de desertie flink verstoord. Die is er natuurlijk niet gelukkig mee dat de Bruggelingen en die van Oostende hem in de steek hebben gelaten daar in Calais. Hij kan het niet goed verteren dat hij daar afgegaan is als een gieter. Op 4 september 1435 komt hij enkele rekeningen vereffenen in Brugge. Zijn woede vertaalt zich in een hallengebod dat al de hagepoorters van Brugge zich binnen de drie dagen moeten komen melden bij hem. Hij richt zich specifiek tot de Bruggelingen die boerderijen en landerijen uitbaten in de wijde omgeving van de stad en enkel tijdens de winter in de stad wonen. Wie niet ingaat op zijn bevel mag zich aan zware straffen verwachten. Ondanks het prinselijk verbod komen die van Oostende en sommige andere plaatsen in het geheim mee naar Brugge waar ze zich publiekelijk en in een sfeer van weerbarstige verbetenheid onder hun vaandels gaan scharen. Tussen de Vlamingstraat en de Vismarkt staat er één aaneengesloten blok van opstandige ambachtslieden.

Het is duidelijk dat Filips de Goede op niet al te veel respect kan rekenen bij de Brugse en Oostendse bevolking. Hoe het verder afloopt kom ik van Jacobus Bowens niet te weten. In het jaar 1439 komt Van der Veere, de admiraal van Holland en Zeeland met een omvangrijke vloot onze kant uit. Zijn schepen worden bemand door ballingen, rovers en vluchtelingen. Ze hebben het gemunt op de koopmansschepen en vooral die van Vlaanderen. De roversbenden ontschepen op het strand van Oostende en op andere plaatsen aan de Vlaamse kust waar ze alles verbranden en verwoesten. Vooral Oostende zelf en Sluis krijgen er van langs. De schepen die er met hun ladingen klaarliggen om uit te varen worden doodleuk gestolen.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>