Van burcht naar Vlaamse stad

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     211 Views     Leave your thoughts  

In de 10de en 11de eeuw heeft de graaf nog geen vaste verblijfplaats. Hij reist met zijn hof van de ene burcht naar de andere, verblijft er een korte tijd en verhuist dan naar een andere verblijfplaats. Toch is de burcht van Brugge één van de favoriete verblijfplaatsen van de graven. De burcht, verblijfplaats van de burchtgraaf, is vanuit alle oogpunten, rechterlijk, administratief, economisch en militair, het centrum van de kasselrij. De meeste van die versterkte kastelen dateren uit de tijd van de Noormannen. Ze werden gebouwd vanuit een concreet strategisch perspectief. In onze streken waar geen rotspunten of steile heuvels kunnen zorgen voor een natuurlijke bescherming, zijn die strategische plekken altijd belangrijke verkeerspunten. De plaats waar rivieren samenkomen of over de welke men over valleien kan heersen. De plaats waar wegen elkaar kruisen, waar een rivier stroomopwaarts niet langer bevaarbaar is. Ook plaatsen waar schepen op een snelle en veilige manier grote hoeveelheden manschappen en proviand kunnen aanvoeren zijn populair.

Op die manier ontstaan de burchten van de graven van Vlaanderen: deze van Gent, Brugge, Oudenaarde, Kortrijk, Rijsel, Sint-Winoksbergen, enz. De burchten spelen trouwens nog een andere rol! De handel die in de Karolingische tijd bestond, was met de invallen van de Noormannen totaal stilgevallen, maar herleeft spontaan na hun vertrek. Te land en vooral per schip worden handelswaren aangevoerd.

Metaal uit Engeland, wijn uit de Rijnstreek, kostbare producten en specerijen uit het oosten, of gewoonweg graan dat door het ontbreken van lokale oogsten van levensbelang is voor de Vlamingen. Schepen vervoeren de wol van de plaatsen waar zich veel schapen bevinden naar de regio waar de lakennijverheid begint te groeien. De reizende handelslieden staan bloot aan veel gevaren want rovers van allerlei allooi zijn tuk op hun buit. En hoe vaak komen ze niet terecht in de talrijke oorlogstaferelen van die tijd? De handelaars proberen zich veiligheidshalve in groep en in karavaan te verplaatsen. Dat geldt natuurlijk voor de zomer, maar waar kunnen ze terecht in de herfst- en winterperiodes? Als ze niet kunnen reizen?

De handelaars gaan zich vestigen in de schaduw van de eerste kastelen en burchten. Hun ligging is strategisch goed gekozen en hier kunnen de ‘mercatores’ in contact komen met soortgenoten die hen advies kunnen geven over de markt en de koopwaar. En in de buurt van burchten verblijven er méér en méér mensen met wie er zaken te doen vallen.

Naast de meeste burchten ontstaat er een markt waar handel kan gedreven worden. Zoals het Veerleplein aan het Gravenkasteel te Gent, de grote markt bij de Burg in Brugge. Het wordt stilaan een vaste traditie dat handelaars overwinteren bij een burcht. Die betekenen een vast en regelmatig afzetgebied voor ambachtslieden, herbergiers en winkeliers die dan ook komen wonen in de nabijheid van een burcht. Zo wordt de burcht stilaan de kern van een stad.

Zowat alle Vlaamse steden ontstaan op die manier. In die tijd betekent een stad niet meer dan een groep huizen rond een burcht met hier en daar een kerktorentje dat boven de daken uitsteekt en die bewoond wordt door mensen die zich langzaamaan bewust aan het worden zijn van hun gemeenschappelijke belangen. Het herleven van de handel en nijverheid is niet zonder belang voor de graaf van Vlaanderen. Hij bezit onmetelijke schapenweiden aan de kust en is zo een grote producent van wol die hij moet zien te verkopen. En zoiets vergt een goed georganiseerd handelsverkeer. Langs de verkeerskanalen kan hij bovendien tol heffen.

Het is dan ook evident dat de graaf het ontstaan van steden rond burchten en de concentratie van potentiële klanten toejuicht en stimuleert. De voorgangers van Boudewijn IV waren rechtstreekse opvolger van de Karolingische gouw in Vlaanderen. Dat betekende dat ze het beleid konden voeren in alle gebieden. Of die nu hun persoonlijke eigendom was of die van andere leenheren, deed er eigenlijk niet toe. De graaf kan overal in Vlaanderen rechtspraak uitoefenen, soldaten lichten, belastingen heffen en ambtenaren aanstellen.

Na de dood van Arnulf I is er veel veranderd. Overal doorheen het graafschap hadden de heren in meerdere of mindere mate zich zelf heerlijke rechten gaan toe-eigenen. De ene sprak recht op zijn land, de andere hief belastingen op de ingezetenen van zijn domein en nog anderen verplichtten hun onderdanen om voor hem ten strijde te trekken. Elk gedroeg zich alsof hij de graaf van zijn rijk was.

Waar er vroeger sprake was van één vorstendom, was Vlaanderen veranderd in een lappendeken, een mozaïek van kleine heerlijkheden, waar het vorstelijk gezag nog maar gedeeltelijk kon gelden. Het gezag van de graaf was van bedroevend laag niveau, het beheer over Vlaanderen was erg kritisch geworden. De situatie was niet eenvoudig voor graaf Boudewijn IV die natuurlijk weer graaf wilde zijn over een homogeen rijk. De mogelijkheid om de situatie op autoritaire en krachtdadige manier te herstellen zou niet lukken, want dan zouden alle edelen zich tegen hem keren. Boudewijn kon zich veroorloven om vreemden aan zijn wil te onderwerpen, maar met zijn eigen achterban was dit andere koek. Hoe kon de graaf dan die situatie ongedaan maken?

De regering van Boudewijn IV en zijn opvolger valt samen met het ontstaan van de zogezegde ‘godsvrede’. Een aantal hooggeplaatsten gaan zich engageren om een aantal burgerrechten te respecteren en op menslievende manier oorlog te gaan voeren. Dit betekent het sparen van vrouwen en kinderen, van de niet strijdende burgerbevolking en het vermijden van nutteloze en zinloze verwoestingen. De godsvrede als eerste kiem van het toekomstige volkenrecht! Het probleem met de godsvrede is dat deze enkel een ambitie, een doelstelling is, waarbij mensen zich uit vrije wil bij kunnen aansluiten.

Er worden echter geen sancties voorzien voor wie de godsvrede niet respecteert. De geestelijke straffen die soms opgelegd worden, zijn in elk geval niet erg doeltreffend te noemen. De godsvredebeweging was ontstaan in Zuid-Frankrijk en bereikt Vlaanderen via Reims in 1023. Boudewijn snapt al vrij snel de voordelen die er voor zijn persoonlijke machtspositie in deze godsvrede schuilen. Hij laat in 1030 een grote hoeveelheid relikwieën in Oudenaarde samenbrengen, waarna hij de godsvrede officieel uitvaardigt in Vlaanderen.

Later verplicht hij bisschop Gerard van Kamerijk-Atrecht om ook over te gaan tot dergelijke uitvaardiging. Maar waarom is de afkondiging van die godsvrede nu zo belangrijk voor de Vlaamse graaf? Die wordt trouwens zowat overal geestdriftig onthaald maar evengoed door iedereen over het hoofd gezien. Met de steun aan die godsvrede in zijn graafschap maakt Boudewijn echter het overtreden van deze godsvrede synoniem met het overtreden van een grafelijk bevel. Want uiteindelijk is het hij zelf die deze vrede heeft uitgeroepen.

Wie van zijn vazallen of van de inwoners van Vlaanderen de godsvrede overtreedt, maakt zich nu ook schuldig aan opstand tegen de graaf en geeft hem nu een alibi om in te grijpen. Zo wordt de vorst de beschermer van de vrede over het gehele land daarbij ondersteund door een algemene politiemacht die over zijn hele vorstendom recht mag uitoefenen. Uiteindelijk heeft hij de gepaste manier gevonden en aangewend om zijn grafelijk gezag over zijn hele graafschap te kunnen laten gelden, ongeacht de eigenaar van de lenen en de gouwen. Boudewijn IV laat tijdens zijn legislatuur geen enkel beleidsdomein ongewijzigd.

Net zoals zijn voorvader Arnulf I, toont hij grote interesse voor het lot van de kerken en in het bijzonder voor de abdijen. Daar zit de macht! De hervormingen van Gerard van Brogne vanaf 940 waren door de opvolgingscrisis na de dood van Arnulf al lang ongedaan gemaakt. De abdijen hebben ondertussen als een kwart eeuw blootgestaan aan de willekeur van de heren die hun goederen geroofd hebben of in beslag hebben genomen. En wie kon in de bres springen voor de monniken? De koning was ver en de graaf te zwak.

Decadente levensomstandigheden zijn allerminst gunstig voor een evenwichtig geestelijk leven. De kloosterbroeders vervallen dan ook snel in hun vroegere dwalingen. Kortom: de hervorming van de kerk in het graafschap Vlaanderen is grandioos mislukt. Op het Europees vasteland ligt de situatie enigszins anders. Vanuit de abdij van Cluny in Bourgondië zijn de ideeën van een intense hervorming van de kerk overal sterk doorgedrongen. En dat heeft veel te maken met de inspanningen van een monnik: Richard de Saint-Vannes, de abt van de abdij Saint-Vannes te Verdun. Richard doet ook Vlaanderen aan. Zijn bezoek in 1007 staat los van de wil van de graaf die zich op dit moment in troebel oorlogswater bevindt.

De abt van Saint-Vannes heeft een dubbele taak: de tucht in de abdijen herstellen en de goederen die ze onrechtmatig verloren hebben, terug te vorderen. Aanvankelijk slaagt Richard enkel in zijn eerste doelstelling. Wanneer Richard in 1012 een zekere Poppo, een monnik afkomstig van Deinze, tot prior aanstelt, verandert de situatie ten goede. Die Poppo heeft ooit als ridder gediend voor de graaf en dit betekent dat de graaf zich achter de doelstellingen van Richard en Poppo gaat scharen. De steun van de graaf heeft natuurlijk veel te maken met zijn streven om de macht van de dissidente edellieden te muilkorven.

Ze zijn inderdaad machtig geworden omdat ze de lenen die ze ter beschikking hielden voor de graaf als hun eigendom zijn gaan beschouwen en omdat ze al een groot deel van het kerkbezit tot hun eigendom hebben gemaakt. Uiteindelijk komt het er neer dat de graaf met de inbeslagname van de abdijen een rijke bron van inkomsten verloren is. Er moet en zal iets veranderen: de macht van de lokale adel moet gefnuikt worden. Alle goederen die eigendom zijn van de kerk moeten opnieuw naar hun rechtmatige eigenaar terugkeren.

Richard de Saint-Vannes is hoe dan ook een geschikte figuur om de abdijen te laten opereren zonder invloeden van buitenaf, zonder lekeninbreng. Het kan mogelijk tegen de graaf uitdraaien maar de macht van de heren moet dringend ingeperkt worden! De graaf is dan ook zo verstandig om zich in 1012 te verzoenen met Richard. Eén jaar later benoemt hij hem tot abt van de abdij van Sint-Amand.

In 1021 – belangrijk voor de Westhoek – laat hij een volgeling van Richard, de hervormer Roderic, aanstellen tot abt van Sint-Bertijns. Roderic engageert zich eveneens om de tucht in de kleinere abdij van Sint-Winoksbergen te herstellen. Naast een hervormer in de abdij van Marchiennes komen ook de Gentse abdijen aan de beurt: in 1029 wordt Richard abt van Sint-Baafs en in 1034 wordt Leduinus de abt van Sint-Pieters.

De monniken in de Vlaamse abdijen worden voor de keuze gesteld: ofwel volgen ze op strikte manier de Benedictijnse regel ofwel verlaten ze de abdij. Heel vaak kiezen ze voor het laatste alternatief en worden de ontbrekende plaatsen ingevuld door hervormde monniken die wel bereid zijn om te leven in strenge eenvoud en discipline met gehoorzaamheid en respect voor de abt. Kenmerkend is de grote nadruk die gelegd wordt op de onafhankelijkheid van de abdij ten opzichte van lekenmachten die de voorbije decennia getracht hebben om kloostergoederen in te palmen. Bovendien is er sprake van een heuse opleving van kunst en cultuur over alle abdijen heen.

Het succes van Richard is natuurlijk deels te danken aan de grafelijke steun voor zijn hervormingsproject. Boudewijn verstaat als geen ander de kunst om de kerk te gebruiken ter bevestiging van zijn gezag in Vlaanderen. Hij laat echter niet toe dat geestelijken tegen hem willen optreden. Tussen 1028 en 1030 komt het tot een conflict tussen Drogo, de bisschop van Terwaan en de graaf. Uiteindelijk wordt hij in 1030 van zijn zetel verjaagd. Ook Gerardus, de bisschop van Kamerijk-Atrecht, die zich verzet tegen de godsvrede moet buigen voor de grafelijke wil. De laatste jaren van graaf Boudewijn worden overschaduwd door de opstand van zijn zoon die eveneens de naam van Boudewijn draagt (Boudewijn van Rijsel). Die treedt in het huwelijk met de dochter van de Franse koning, Lodewijk de Vrome.

Dat huwelijk is natuurlijk een fantastische verbintenis met een schat aan potentieel, maar het zorgt er meteen voor dat Boudewijn van Rijsel naast zijn schoenen begint te lopen. Hij wordt overmoedig en kan het moeilijk verkroppen dat zijn vader hem vooralsnog onvoldoende macht afstaat. Het is een vaak voorkomend fenomeen bij jonge vorsten in die tijd. De jonge Boudewijn komt in opstand tegen zijn vader. Het blijkt al snel hoe onbetrouwbaar de Vlaamse adel wel is en hoe moeilijk ze het hebben om elke vorm van grafelijk gezag te aanvaarden. Een groot deel van de Vlaamse adel sluit zich aan bij de opstandige Boudewijn.

Voor de grijsaard zit er niet veel anders op dan te vluchten naar Normandië waar hij de hulp van hertog Richard afsmeekt. Omdat Boudewijn zijn hele leven heeft afgezien van gebiedsuitbreiding ten nadele van Normandië, vindt hij in Robrecht een trouwe medestander. De Fransen rukken met een leger het opstandige Vlaanderen binnen en richten hier grote verwoestingen aan. De rebellen worden van één van hun voornaamste burchten verjaagd. Boudewijn van Rijsel zoekt nog steun bij de bisschop van Kamerijk maar die voelt er niets voor om zich voor die losbol in een oorlog te storten met de Normandiërs en met de Vlaamse graaf.

Het zit er voor de jonge Boudewijn niets anders op dan zich voor zijn vaders voeten te werpen en hem om vergiffenis te vragen. Zoals gewoonlijk stelt Boudewijn IV zich pragmatisch op en zoekt hij naar de beste oplossing. Hij schenkt zijn zoon vergiffenis en zal hem stilaan deelachtig maken aan de macht. Met Pasen 1032 trekt de oude Boudewijn naar Orléans om er zijn eed af te leggen bij de nieuwe Franse koning Hendrik I. Ook de uitstekende betrekkingen met Normandië worden met een huwelijk bezegeld. In 1030 is Boudewijn IV weduwnaar geworden. Tijdens zijn gedwongen verblijf bij de hertog Richard komt hij in contact met diens dochter. Het komt tot een huwelijk tussen Boudewijn IV en de Normandische Eleonora. Het is duidelijk dat de graaf en zijn zoon met hun huwelijken een stabiele relatie nastreven met hun zuiderburen.

De man die van zijn vader een wanhopig, zwak, onrustig en veel te klein graafschap had geërfd, laat bij zijn dood een gebied na dat zich uitstrekt tussen de Dender en de Canche. Over het hele gebied is de grafelijke macht stevig gevestigd. Boudewijn sterft op 30 mei 1035. Hij wordt begraven in de Sint-Pietersabdij van Gent. Boudewijn V komt aan zet. De opvolger van zijn vader dus. Hij streeft er naar zijn vorstelijk gezag in het binnenland te verstevigen door een verdere uitbreiding van de godsvrede en door de begunstiging van de abdijen die hij goed in de hand houdt.

Ook zijn buitenlands beleid blijft er op gericht om in goed nabuurschap te leven met de Franse kroon en met Normandië en tezelfdertijd alle krachten aan te wenden om het Vlaamse vorstendom naar het oosten toe uit te breiden. Tijdens de eerste jaren van zijn regering geniet Vlaanderen voor het eerst sinds jaren van een diepe rust. Een uitschieter in deze kalme periode betekent zeer zeker de strijd van de graaf tegen de voogden van de abdijen. De graaf is baas over de abdijen en moet in die functie de ingezetenen van de abdijen beschermen tegen alle aanmatigingen, onrechtvaardigheden of mishandelingen van derden. Hij staat in voor de onschendbaarheid van de eigendommen van de Vlaamse abdijen.

In ruil voor zijn optreden geniet hij van bepaalde voordelen. De vazallen en de horigen van de abdij dienen op te trekken met zijn leger. De graaf krijgt bepaalde vergoedingen in geld en in natura en een deel van de boetes die binnen de abdijdomeinen worden geheven. De graaf kan echter niet altijd aanwezig zijn en persoonlijk de controle uitoefenen. Hij stelt edelen uit de dichte omgeving van elke abdij aan als voogd die als vertegenwoordiger van de graaf dienen te acteren. Tijdens de crisis die volgde op de dood van Arnulf I waren die voogden natuurlijk vergeten dat ze slechts plaatsvervangers waren van de graaf. Ze traden zelfstandig op, eisten zelfstandig belastingen op, riepen de krijgsmachten van de abdijen ten strijde. Ze spraken zelf recht alsof ze in eigen persoon heer en meester waren van de abdij.

Ze eigenden zich daarenboven rechten toe om delen van de abdijdomeinen in hun eigen heerlijkheden in te palmen. Met zijn hervormingen van de kerk had Boudewijn IV zeker tot doel om een halt toe te roepen aan de onrechtmatige inbeslagname van de abdijdomeinen en de macht van de lokale voogden te beknotten.

Boudewijn V is de eerste graaf die echt de strijd aangaat met die abdijvoogden. Hij legt de rechten en plichten van de voogden vast. Het zich onrechtmatig toe-eigenen van eigendommen van de abdijen is niet langer mogelijk. Er komt een einde aan de rechtsmacht die de voogden voor zichzelf hebben gecreëerd. Het is duidelijk dat graaf Boudewijn de hervormingsbeweging van Richard de Saint-Vannes heel erg genegen is. Na diens dood in 1046 doet hij verwoede pogingen om die beweging in stand te houden. Hij doet beroep hiervoor op de stokoude Poppo, de monnik van Deinze. Maar als ook Poppo overlijdt, komt er een definitief einde aan de hervormingsgolf bij de Vlaamse abdijen. Na enkele jaren is het gedaan met de rust.

Rond 1040 komt graaf Herman aan de macht in het naburige Henegouwen. Deze afstammeling van de markgraven van Ename kan onmogelijk aanvaarden dat die regio en ook de regio van Valencijn Vlaams grondgebied is. Herman wordt een gevaarlijke vijand voor Boudewijn V. Herman treedt uiterst kordaat op want voor 1044 herovert hij de marke en de burcht van Ename. Ook de streek van Valencijn wordt opnieuw ingenomen.

In 1047 gaan Boudewijn en Herman een bondgenootschap aan waarbij het conflict rond Ename en Valencijn geregeld wordt in het voordeel van graaf Herman: de gebieden worden Henegouws gebied. Ename dat tientallen jaren een bloeiende handelsplaats was geweest, kwijnt weg omdat het niet langer tot Vlaanderen behoort. De plaats van Ename wordt ingenomen door het nieuwe Oudenaarde, dat gebouwd wordt aan de Vlaamse kant van de Schelde. Oudenaarde overvleugelt al snel Ename in alle opzichten.

In 1043-1044 slaat de goede verhouding die er tussen de West-Europese heersers bestaat om in een hevige vijandschap. Het begint eerst tussen de Franse en de Duitse koning. Er bestaat al een bondgenootschap tussen hen sinds 1033 voor zover dat de Franse koning Hendrik I getrouwd is met een Duitse vorstin. Maar Hendrik III van Duitsland vat om politieke redenen het plan op om te trouwen met de pleegdochter van de machtige Franse graaf Godfried van Anjou, de heerser over het zuiden van Frankrijk en grote delen van Italië.

De Franse koning vreest het samengaan van al die gebieden ten zuiden en ten oosten van Frankrijk en doet er alles aan om het plan van zijn Duitse collega te verijdelen. Tevergeefs echter want het huwelijk wordt in 1043 afgesloten. En ook in Lotharingen krijgt Hendrik III grote problemen met het Lotharingse hertogengeslacht. In 1044 breken de eerste onlusten uit. Hendrik III, die pas enkele jaren later keizer zal worden, denkt handig te zijn en biedt Boudewijn V het markgraafschap aan van zijn Antwerpse leengebieden.

Deze marke behoort eigenlijk toe aan de hertog van Lotharingen. Hendrik III probeert met die belening tweedracht te zaaien tussen de graaf van Vlaanderen en Godfried, de hertog van Lotharingen. Zoveel is wel duidelijk! En tegelijk wil hij zich verzekeren van het bondgenootschap van de Vlaamse graaf. Boudewijn is natuurlijk niet van gisteren en heeft de strategische manoeuvres van de Duitse koning door. Hij voelt natuurlijk dat Vlaanderen baat kan hebben met de tweespalt aan zijn oostelijke grenzen. Hij hapt toe op het voorstel van de Duitsers. Maar ook hertog Godfried is op zoek naar bondgenoten in zijn strijd tegen de Hendrik III.

Boudewijn is een opportunist van de zuiverste soort en is bereid een partnerschap aan te gaan met Godfried. Hij trekt in 1046 naar Frankrijk en slaagt er in om zijn schoonbroer, koning Hendrik, te overtuigen om zich bij hen aan te sluiten. Enkele maanden later, bij het afsluiten van zijn deal met graaf Herman van Henegouwen, stapt Henegouwen eveneens in de combine. En ook de graaf van Holland sluit zich aan bij Boudewijn. In het voorjaar van 1047 plant de Franse koning de eerste stap in de oorlog: een expeditie op Aken.

Die wordt echter verijdeld door Godfried van Anjou, de schoonvader van de Duitse koning. Aan de noordkant van Vlaanderen vallen de Hollanders de streek van Utrecht binnen waar de ondertussen tot keizer benoemde Hendrik heerst. De Duitse keizer krijgt er van langs en ook bij zijn terugtocht in Duitsland wachten hem slechte berichten. Godfried en Boudewijn hebben zijn keizerlijk paleis te Nijmegen vernield. De bisschoppelijke stad Verdun is in brand gestoken.

Overal in Lotharingen krijgen de getrouwen van de Duitse keizer het hard te verduren. De Duitse keizer smeekt om een wapenstilstand. Ondertussen heeft de Franse koning geen kik gegeven en wacht hij met zijn troepen dreigend aan de Lotharingse grens. Hendrik III beseft dat hij geen kansen heeft als zijn tegenstanders zich op één lijn blijven opstellen en probeert de partners onderling te verdelen. Terwijl de opstandelingen al tot aan de Rijn zijn doorgedrongen, treedt hij in onderhandelingen met Hendrik I van Frankrijk.

In ruil voor zijn neutraliteit in de strijd belooft de Duitse keizer grote delen van Lotharingen aan de Franse koning. Het komt tot een akkoord tussen de Duitsers en de Fransen. In het voorjaar van 1049 breekt het keizerlijk tegenoffensief los. Diederik van Holland wordt het eerst aangevallen. Hij wordt verslagen en op slag gedood. Godfried is een slapjanus, het ontbreekt hem aan durf en moed. Hij onderwerpt zich aan de keizer en laat hiermee zijn compagnon Boudewijn aan zijn lot over. De graaf van Vlaanderen staat plots alleen tegenover de Duitse heerser.

De keizer van zijn kant onderschat Boudewijn helemaal niet. Hij aarzelt om hem aan te vallen. In de plaats daarvan roept hij de Engelsen en de Denen te hulp met de vraag om troepen te sturen naar de Westkust van Vlaanderen en zich bij hem aan te sluiten. Tegelijkertijd wordt Boudewijn door paus Leo IX (verwant met de Duitse keizer) wegens het platbranden van de kerk te Verdun in de ban van de kerk geslagen. Het is een valse beschuldiging want het was eigenlijk Godfried die de OLV-kerk van Verdun in rook had laten opgaan.

Boudewijn ziet zich verplicht om zich te verdedigen tegen de Engelsen. De tijd is rijp voor Hendrik III om Vlaanderen vanaf de Schelde aan te vallen. Met een ontzaglijk leger valt hij Vlaanderen binnen en dringt door tot in de streek van Kamerijk waar alles wordt verwoest. De Duitse keizer onderwerpt het Westland. Zijn leger settelt zich lange tijd ter hoogte van het stadje Lo. De hele omgeving van Veurne-Ambacht wordt zo goed als verwoest. De gevangen genomen edelen en burgers worden langs de Lovaart via de grote waterplas van Wulpen, langs de Venepe en het Langelis, naar Nieuwpoort overgebracht. De vloot scheept in te Nieuwpoort richting Duitsland. Met aan boord veel streeknotabelen die als gijzelaars worden gedeporteerd.

Boudewijn beseft dat het spel verloren is en treedt in onderhandelingen met de Duitse keizer. In de herfst van 1050 reist hij naar Aken waar hij zich formeel onderwerpt aan diens gezag. Hij verliest de marke Antwerpen die hij enkele jaren voordien van diezelfde Hendrik III had gekregen. Maar voor de rest wil de Duitse keizer zich vooral verzekerd zien van het bondgenootschap van de Vlamingen, vooral omdat hij willens nillens het deel van Lotharingen dat hij geschonken heeft aan de Franse koning wil terugwinnen. Het lijkt hem dan ook het verstandigst om de Vlaamse graaf met zachtheid te behandelen.

Het graafschap Vlaanderen kan even tot rust komen. Er komt een tijdelijke periode van rust voor Boudewijn en de zijnen. Zijn vrouw Adela die de dochter is van de koning van Frankrijk heeft Boudewijn drie jongens en twee meisjes geschonken. Er is al een tijdje geen sprake meer van vetes tussen Normandië en Vlaanderen. Integendeel: Mathilde, de oudste dochter wordt in 1053 uitgehuwelijkt aan Willem de Veroveraar, de hertog van Normandië. Korte tijd na het huwelijk van zijn dochter, overlijdt Herman van Henegouwen met wie Boudewijn heeft gevochten tegen de Duitse keizer.

Zijn jonge weduwe Richildis wordt regentes in de naam van haar 2 jonge kinderen. Boudewijn ruikt zijn kansen om Vlaanderen en Henegouwen in één graafschap te laten samensmelten en benadert Richildis met de vraag of ze niet bereid zou zijn om in het huwelijk te treden met zijn oudste zoon Boudewijn van Bergen. De weduwe zegt niet neen en ze zegt niet ja. Ze twijfelt. Ze vreest de woede van haar opperleenheer, de Duitse keizer. Uiteindelijk en na heel wat show stemt ze toe. De graafschappen Vlaanderen en Henegouwen worden verenigd onder één en dezelfde macht. De twee kinderen van Herman en Richildis kunnen de pot op: Boudewijn van Bergen wordt aangesteld als graaf van Henegouwen.

De Duitse keizer kan niet onmiddellijk militair optreden want zijn leger bevindt zich in Italië. Hij laat het echtpaar excommuniceren omdat Richildis en Boudewijn van Bergen allebei nazaten zijn van Hugo Capet en dus bloedverwanten zijn. Pas in 1053 worden de Duitse legers ingezet om aan te vallen. Het komt tot een eerste clash ter hoogte van de Maas in Hoei. Boudewijn van Bergen trekt zich na dit eerste treffen terug. Zijn leger verschanst zich aan de linkeroever van de Schelde, de natuurlijke grens tussen Vlaanderen en Lotharingen.

De Duitsers steken echter de Schelde op twee plaatsen over waardoor Boudewijn niet kan ingrijpen als het Duitse leger het zuiden van Vlaanderen binnenvalt en verwoest. Hij kan echter wel de noordelijke kant vrijwaren. De Duitsers kiezen uiteindelijk voor de aftocht. Tijdens 1054 en 1055 blijft het aanhoudend rommelen tussen de Vlamingen de Duitsers. En het ziet er meer en meer naar uit dat ook de Fransen zich gaan mengen in het conflict. De plotse dood van Hendrik III in oktober 1056 maakt een bruusk einde aan de strijd. Zijn zoontje is nog erg jong en keizerin Agnes, de regentes, haast zich om vrede te sluiten. Ze weet wel waarom.

Op de rijksdag van Keulen van december 1056 worden de zaken geregeld. Boudewijn behoudt zijn lenen in Lotharingen, zijn zoon Boudewijn van Bergen blijft graaf van Henegouwen en Valencijn. Wat een triomf voor de graaf van Vlaanderen! In 1063 trouwt de jongste zoon van Boudewijn; Robrecht de Fries, met Geertrui, de weduwe van Floris, graaf van Holland. Ook het vorstendom Holland komt dus onder Vlaamse invloed te staan. Ondertussen voelt de Franse koning Hendrik I, de schoonbroer van Boudewijn, zijn einde naderen.

Zijn opvolger is pas 8 jaar en hij verzoekt Boudewijn om de jonge Filips te beschermen en bij te staan bij het uitoefenen van zijn taken als koning. De Vlamingen hebben het warempel ver geschopt. De macht van de graven van Vlaanderen heeft zijn hoogtepunt bereikt. Boudewijn V is de oom en beschermheer van de koning van Frankrijk, de schoonvader en bondgenoot van de koning van Engeland. Zijn staten en die van zijn zonen strekken zich uit van de Canche en de heuvels van Artesië tot aan de Schelde, en van de Schelde af tot over het Valencijnse, Henegouwen, de marke van Ename tot aan de Dender, de Zeeuwse eilanden en het graafschap Holland. En dan hebben we het nog niet over de gebieden in Lotharingen en in het Kamerijkse.

Eén aspect van Boudewijns activiteiten mag zeker niet over het hoofd worden gezien: de oprichting van verscheidene kloosters. Al in 1041 wordt het kapittel van Harelbeke gesticht door het gravenpaar en vooral onder druk van gravin Adela die eveneens de abdij van Mesen sticht waar ze na de dood van haar man zal verblijven en er zal sterven.

In 1050 wordt Sint-Pieters van Lo opgericht door een zekere priester Thomas. De OLV-abdij van Voormezele wordt gesticht door Isaac van Voormezele. De O.L.V.-abdij van Zonnebeke dankt zijn ontstaan aan een zeker Fulbold die al dan niet terecht of onterecht doorgaat voor de burggraaf van Ieper. Ze vormen allen, dankzij de persoonlijke tussenkomst van de vorst, centra van vroomheid, cultuur en vooral van economische bloei.

Boudewijn draagt bijzonder veel zorg voor zijn eigen opvolging. Tot aan zijn aantreden was het vrij eigenaardig dat de graven van Vlaanderen meestal maar één zoon hadden. Het gaf aanleiding tot een groeiende macht en had tot op heden geen gevechten rond opvolging opgeleverd. Boudewijn V heeft wel twee zonen: Boudewijn van Bergen en Robrecht de Fries. De oude graaf wil graag zijn oudste zoon Boudewijn van Bergen aan het bewind laten in Vlaanderen, terwijl Robrecht de Fries een vorstelijke rol zou kunnen spelen buiten Vlaanderen. Dat is zijn ambitie.

Tijdens een plechtigheid die in 1063 doorgaat, onmiddellijk na het huwelijk van Robrecht te Oudenaarde, doet de bruidegom trouwens afstand van al zijn rechten voor wat de opvolging van Vlaanderen betreft. Alles is in het werk gesteld om zijn geslacht een machtige en veilige toekomst te bieden. In 1067 legt Boudewijn van Rijsel finaal het hoofd neer. Vier jaar voor de tragedie van Cassel waarbij zijn afstammelingen elkaar tot op het bot zullen bestrijden voor zijn gigantische erfenis.

Dit is een fragment uit deel 1 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>