Van de mare bereden zijn

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     596 Views     Leave your thoughts  

’t Ware jammer en zonde moest het Manneke, dat nu al jaar en dag zijn goe- en kwawere- ‘maren’ over geheel Vlaanderen rondstrooit, geen paar blaadjes papier over hebben om aan zijn lezers de ‘mare’te doen, dat het entwat gaat schrijven over een bijzondere mare. Ene die maar ’s nachts zichtbaar en doendig is.

’t Is eigenlijk triestig om te bepeinzen dat de jeugd van vandaag, eh ook de gewone man en vrouw uit uw straat of op uw werk, u ’s morgens, al geeuwen, komt vertellen dat ze de laatste nacht zo ellendig slecht geslapen hebben en altemets vreselijke dromen moesten doorstaan.

De dokteurs zijn al evenmin te verontschuldigen als ze mensen, die met zulke klachten of malanjen bij hen aankloppen, sussen en paaien, met te zeggen dat dit elkendeen wel ne keer overkomt, maar dat ze een goed slaappilleke zullen voorschrijven.

Dat komt ervan, als ze aan onze universiteiten, al die oudgekende en bij het volk levende ziektebeelden niet meer aanleren. Ze hebben daar hun klassieke humaniora afgeschaft. Hoe entwat her-kennen, als men het u niet getoond heeft en het u heeft leren kennen?

Leren ze· het niet meer aan onze hogescholen en wordt die wetenschap niet meer doorgegeven van generatie op generatie, dan leven er nu gelukkig nog voldoende mensen van jaren, die het aan den lijve ondervonden, of er tenminste hoorden van vertellen.

’t Manneke zal aan zijn lezers enige begrippen daaromtrent opfrissen, of de onwetenden inwijden. Anders wordt er binnen 50 jaar niemand uit onze streken nog bereden van ‘de mare’. Al den enen kant ware het best, maar het zou toch een verarming zijn, moesten ze niet weten waarover het gaat. We zijn nu al genoeg ‘verarmoed’ met al die inleveringen.

Denk niet dat het hier om een Westvlaams particularistisch gedoe gaat. De Walen kennen en krijgen er evenveel lijk de Vlamingen, maar dan in juiste verhoudingen, veertig-zestig, en niet voor elk den helft. Op zulk gebied zijn ze voor evenredige verdeling. De Engelsen kennen het als nightmare en de Fransen als cauchemar. De Fransvlamingen spreken van ‘de mare’ of ‘de kokkemare’ zeker afgeleid van die cauchemar, gelijk mijnen oud-aalmoezenier uit mijnen soldatentijd, Antoon Lowyck, het zo schone beschreef in het Brugse ‘Beertje’, een ander Westvlaams almanakske dat ’t Manneke u warm kan aanbevelen. Het werd nog gesticht door onze grote vriend, Herve Stalpaert. Een niet-betaalde, maar dik-verdiende reklame voor zoveel schoons en leerrijks. De Hollanders houden het bij een nachtmerrie. Wij, Vlamingen, houden … daar in het geheel niet van, maar zullen proberen u in ’t kort die miserie uiteen te zetten.

Als het u gebeurt dat ge ’s nachts ligt te woelen in bed, en dat ge u moet verdedigen tegen een soort monster of heks die scherreling op uw borstkas zit, en spijts uw verweer u tracht te versmachten, zodat ge waarlijk peinst dat het met u gedaan is, zeg dan ’s morgens gerust dat ge ‘van de mare bereden’ waart, in plaats van ‘vreselijk slecht geslapen te hebben ‘. Ge moet er niet beschaamd om zijn, want ’t kan met iedereen gebeuren.

Iemand alzo ’s nachts den daver op het lijf jagen, en den indruk geven van hem te versmachten, dat en kan maar duivels- of heksenverk zijn. En ’t is alzo, ’t is een heks, die ‘mare’. En omdat het een heks en dus een vrouw is, noemt men haar dan ook ‘maar, mare’ of ‘nachtmerrie’.

’t Zou nu nog nen hengst mogen zijn in de plaats van een merrie, als die daar in uwen onschuldigen slaap met heel zijn gewicht uw borstkas aan het verpletteren is, en dat ge die uitpuilende ogen ziet binst uwen slaap, dan zou iedereen van ons rechte komen in zijn bed, of tenminste proberen, meestal met peirels van uitgestane doodsangst op zijn voorhoofd. Nog een geluk dat iedereen aantijden wakker geraakt, maar ’t en scheelt altemets niet vele. Nog juist op tijd moet ‘de mare’ de bane ruimen en vliegt ze were door de lucht, voorzeker gelijk altijd, scherrelinge gezeten over haren bezemstok.

Duizend keren liever op dienen stok dan op mijn borstkas …

’t Moet toch een droef vrouwmens zijn, waïit als ze ’t gat schone heeft, zou ze de peerden ook berijden. ’s Morgens vindt men ook bolletjes of vlechten in de manen en de haren van die beesten. Maar als ge ’t geraamte van ne paardekop, nen ‘totsekop’ van een peerd, in de stal hangt, pakt ‘de mare’ haar biezen en is ze er van deure. Nen maretak zou ook helpen.

Bomen en planten laat ze ook al niet gerust. Achter dat ze mens en dier geplaagd heeft, en achter hare vlucht door de lucht, moet die heks hier of daar een pozeke rusten, wat ze gewoonlijk doet in nen boom. Volgens sommigen zouden de immer-groene maretakken die men in onze streken nu eerder zelden tegenkomt, van haar afkomstig zijn. Als ge dan weet welke krachten hiervan uitgingen voor onze oudste voorvaderen, en dat alleen maar de druïden deze takken met een sikkel mochten afsnijden, dan zult ge in het vervolg waarschijnlijk wal meer ontzag hebben voor al wat ‘mare’ is of familie ervan.

Ge kunt natuurlijk al peinzen dat onze voorouders zich zo maar niet lieten doen van die heksen, en dat ze wat deden om die ‘mare’ buiten hun bed te houden, want in de slaapkamer geraakte ze zonder moeite.

Wijwater was bijlange niet straf genoeg, en uw savatten – vroeger waren het kloefen – uitdoen en neerzetten met de punten naar het bed gekeerd, was vragen om miserie. Maar met de punten naar buiten, kon die ‘mare’ al moeilijk bij u, en het werd nog moeilijker als ge uw kloefen kruisgewijze over mekaar zette. Als ge op ne stoel naast uw bed zat om uw kousen uit te trekken vooraleer te gaan slapen, dan moest ge die stoel vóór het slapengaan in een andere richting draaien, of ge mocht ook rekenen op ongewenst nachtelijk bezoek.

Had ge te doen met een echt heksevel dat u waarlijk kwaad wilde, dan moest ge kordate middelen gebruiken. Zo vertelt De Cock in zijn ‘Volksgeneeskunde in Vlaanderen’ van een kleine honderd jaar geleden, over een boereknecht die van ‘de mare’ bereden werd en nog niet deerlijk. Hij vertelde dat aan zijn ‘propretaresse’ en die zegde hem, dat hij daar voorgoed zou vanaf geraken als hij ’s avonds ging slapen met een vliem op zijn borstkas waarvan de punt naar binnengericht was. De knecht, die van gisteren niet was en niet had buitengelegen als het vroor, peinsde: ‘ik ga ’t anders doen, en wel slapen met dat mes, maar met de punt naar buiten.’

En de ‘mare’ kwam inderdaad die nacht, maar ’s anderendaags hoorde de knecht op de parochie vertellen, dat zijn propretaresse een zeer diepe snijwonde had opgelopen in haar borst en dat ze het waarschijnlijk niet meer zou halen. Dingen om toch twee keer over na te denken, vindt ge ’t ook niet?

Tot den dag van vandaag, of zeker nog tot onlangs, zijn er mensen die, te onbarmhartig bereden van de ‘mare’, slapen met een scherp mes op hun borstkas en met de punt naar buiten gericht. Biechtewaar !

Specifieke gebeden tegen de mare bestonden en bestaan, maar er zijn nu al veel mensen die hunnen ‘Onze Vader’ en ‘Weesgegroet’ niet meer van buiten kennen, laat varen van die bevrijdende toverformules.

Gaan dienen deed men, en kan men nog altijd. De ‘specialisten’ hiertegen waren St.-Jan-Baptist, St.-Gillis en Sinterklaas van Tolentijn. Hoe groter godsvrucht, hoe beter resultaat En een novene haalde altijd meer uit dan een enkele bedevaart.

‘k Zou u nog veel kunnen vertellen over ‘de mare’, maar ’t en heeft niets te maken met de medeciene.

Voor één ding wil ik wel een uitzondering maken. De uitleg over de ‘mare’ heeft altijd volkskundigen bezig gehouden. In Duitsland heerste vroeger de overtuiging dat de zevende dochter uit een gezin, een ‘mare’ was, en in staat zulke toeren uit te halen. Voor de zevende zoon lag dat nog erger, die was daar een ‘weerwolf’.

Der valt een dubbele les uit te trekken. De eerste is dat ge nooit veertien kinderen moet kopen, vooral als er evenveel meisjes als jongens zijn. Als ’t er entwat misloopt, zal het altijd aan u liggen. Stop liever aan twaalf. ’t Is voorzeker ook daarom dat de nieuwe trouwboekjes geen plaats meer overlaten voor 14 kinderen. Doet ge het toch, dan ligt de verantwoordelijkheid bij u, en gaat gij die moeten dragen en gebeurlijk op de blaren zitten.

Een tweede: de koning en de koningin worden nu automatisch peter en meter van de zevende zoon of zevende dochter. Maar ik wed dat geen van beiden – met alle sympathie die ik heb voor het vorstenhuis, dat zijn best doet om zich -op een behoorlijke manier in het Nederlands uit te drukken, en niet meer Vlaamsvijandig is lijk sommigen van zijn voorouders – op de hoogte gebracht werden van het feit dat zij eigenlijk petje of metje worden van een nachtmerrie of een weerwolf. De ministers moeten nochtans het staatshoofd deskundig inlichten.

Ge ziet, dat het ook in vroegere tijden ook al gebeurde, dat een deel der ministers niet zwaar woegen. Ge zult mij echter niet horen verklaren dat den helft van onze ministers niet op hun plaats of onbevoegd zou zijn. Per contrarie, ik durve zeggen en schrijven dat den helft, en zelfs de groten helft, wel bekwaam.is.

‘k En zou niet graag miserie hebben met de staatsveiligheid of beschuldigd worden van majesteitsschennis. ’t Manneke is wel neutraal, maar de waarheid mag toch soms gezeid worden. Of ook al niet meer?

En wat met de moderne geneeskunde die het ziektebeeld al lang vergeten en verleerd heeft? Der zit daar geen lokale kleur meer in, en geen geloof (of is het toch bijgeloof?); de dokteurs geven u een pilleke om de zenuwen te kalmeren en dikwijls nog een tweede om te slapen.

‘k Moet er eerlijkheidshalve bijvoegen, dat het inderdaad dikwijls helpt. Maar het mist de charme van de oude behandelingen. En wie weet, als ge met die pillen niet zó diepe slaapt, dat ge toch van de ‘mare’ bereden wordt, maar dat ge het niet meer voelt of geware wordt.

Wat er ook veel gebruikt werd, was ’s avonds een tas lindebloesemthee drinken, of een lepel zeem of honing, of de twee tezamen. Wie weet of die remedie – als ge dat een remedie moogt noemen – die nu nog regelmatig gebruikt wordt, misschien daar niet een onbewuste reden van bestaan vindt?

Mensen van een zekere ouderdom – ‘k zegge en schrijve welbewust niet mensen van jaren – zullen dat in hun leven allemaal wel gekregen hebben van hun ouders, of er nu nog af en toe drinken.

In uitzonderlijke gevallen moet ge u laten belezen, en ‘k heb het al vroeger en elders gezegd, voor belezingen zijn de paters – de echte, en niet de zwarte uit uwen hof – veel machtiger dan de pasters. Elk heeft zijn specialiteit!

En als al die remedies toch allemaal niet helpen?

Dan beklaag ik julder en is ’t jammer dat ge van ‘de mare’ en niet van ‘de mane’ bereden zijt, want dat geeft nen verkwikkende en heilzame slaap, en ge staat ’s morgens monter en fris op. Maar ja, ’t is lijk met veel dingen in het leven, ’t en is niet aan alleman gegeven.

Dat was voor u, beste lezer en lieve lezeres, de ‘mare’ van vandejare van dokter Maene.

.

Uit ’t Manneke uit de Mane Volksalmanak voor Vlaanderen – 1988 –

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>