Van de schandpaal van Poperinge

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     376 Views     Leave your thoughts  

In de krant ‘De Toekomst’ -de tegenhanger van ‘De Poperinghenaar’ – in de jaren ’30- ook uitgegeven door Drukkerij Sansen, verschenen enkele stukjes van ‘Adriaen, veearts’ ons welbekend.

Omdat de ‘Poperingse schandpaal’ nu zowat een jaar geleden – door de verdienste van Johan Adriaen – weer en plaats in de stad kreeg, lijkt het mij ook interessant om nog eens te lezen wat ‘Grootvader’ Adriaen daarover in de jaren ’30 schreef Vandaar …

Geschiedenisstukken van 1147 en 1208 melden, dat reeds in deze verre tijden, de abten van St Bertinusklooster van Poperinghe het recht hadden om te vonnissen. Dit voorrecht met al de baten en voordeelen uit het ambt spruitende wierd hun, als heere nvan de stad, bij gezegelden brief van 26 febrauri 1620, door de Aartshertogen Albrecht en Isabella hernieuwd en bevestigd in hoog-, middel- en nedergerecht.

Voor het gerechtshof, in dezen tijd ‘Vierschaar’ genoemd, beschikte de Abt in het begin der jaren 1600, van een gedeelte van ‘Het Haantje’, herberg welke later in ‘Het Paterscollege’ veranderde en hedendaags ‘De Openbare Stadsschaal’ is.

Nog voor de herstellingen in de jaren 1880, zag men boven de ingangsdeur eene ijzeren plaat ragende uitgeslegen het zinnebeeld van het gerecht, onmondige, maar tevens onbetwistbare getuige der eertijds akelige bestemming van dit gebouw.

Tot over enkele eeuwen bestonden de straffen alleen in folteringen en geldboeten; ook eens het vonnis geveld de uitvoering was nakende, niettegenstaande de gestrafte ‘met roepen of krij schen’ een en anderen rechter vragen mocht.

Door het verbeuren van goed, dat alle veroordeeling ten voordeele der edelen en heeren medebracht, was het plegen van het gerecht voor hen eene aanzienlijke bron van inkomsten. Uit deze oorzaak was dit voor het volk gehaat, te meer omdat zijn ver grootste getal slachtoffers uit het volk bestond.

De Fransche Omwenteling van 1793 bracht een einde aan dezen zwang en hare aanhangers met eenen opgezweepten vrijheidsgeest bezield verbrijzelden en verbrandden al, wat met het ‘Oud Gercht’ kon doen herdenken. Door het invallen der fransche legers in België onderging osn land hetzelfde lot en menige gerechtstoestellen verdwenen in deze vlaag van razernij. Eenig in de streek blijft de Schandpaal van Watou nog over. Met ijzeren banden en geschonden kroonstuk is zij in den voormuur der Brouwerij Van Eecke-Deheegher vastgehecht.

Tot in de eerste jaren dezer eeuw bewaarde Poperinghe ook zijne Schandpaal, zijnen ‘pelorijn’ zoude de oude Poperinghenaar zeggen. Mannen van rond de vijftig jaar hebben haar wel gekend aan den hoek van den Keer van den Ommengang, bij de smisse van Decrock. Zij was gekapt uit een stuk zandsteen, rond de driemeters hoog en diende voor eene lamp te dragen om ‘snachts de straat te verlichten. Geen minste wapen, geen minste opschrift, dat hare voorige bestemming kon doen vermoeden en waren het niet de overlevering bij het volk en de herinnering van haar bestaan in he geschrift ‘Poperinghe et ses seigneurs’, door E.H. Opderinck, gewezen onderpastoor van St Janskerk alhier, zij zoude als een puin neere kerk of kapel kunnen aanschouwd worden. Met het inrichten van den gasdienst te Poperinghe werd de paal, nu zonder bestemming geveld en naar de binnenplaats van het Stadhuis verhuisd.

De toenmalige Schepen der stad, de achtbare heer, wijlen René Devos, van hare geschiedenisweerde niet onbewust, schikte haar in aandenken der vervlogen eeuwnoude macht der Abten en Proosten van St Bertinusklooster van Poperinghe, op de Peerdemarkt te doen rechten. Doch anders was haar lot.

Het nieuw stadhuis was intusschen prachtig uit de grond gerezen. De Oosthoek van de Groote Markt was met eene reeks fraaie huizen herschapen. De stad moest voetpaden aanleggen en in de binnenplaats van het stadhuis lag een hoop steenen van allen aard en uit alle hoeken en kanten vergaderd, om mogelijk er van gebruik te maken. De ‘Wale Louis’ steenkapper van stiel, was op aanvraag naar Poperinghe gekomen, om steenen te kappen, de paal wierd voor zijne voeten gerold en … hoon aan Poperingsch verleden, onbewust gaf ‘Wale Louis’ den genadeslag aan den pelorijn van Poperinghe. De bekomene steenen liggen hedendaags voor het huis van den heer Yvo Derynck, handelaar in de Schaalstraat.

Dit gebeurde voor den oorlog.

Maar over eenige jaren, toevallig op de hofstede van wijlen Debaene-Gauquie, bij ‘De kerselare’ wielen mijne oogen in het midden der weide, op een zandsteenen rol van eenen grooten meter lang, op dertig centimeters doorsnede en aan beide uiteinden zorgeloos gebroken. De steen scheen mij verdacht en als inlichting nopens zijnen oorsprong, antwoordde mij dochter Dehaene, zonder de minste aarzeling, dat voor den oorlog haar vader en Jules Citem, ook landbouwer alhier, de rol met eenen hoop steenen afval van de binnenplaats van het stadhuis naar de hofstede hadden medegevoerd.

Geen wonder. Te zien op de lichtprent is de seen op verschillige hoogten geborsten, hij is rot, met den minsten stoot valt hij in zavel en ieder jaar maken de maaiers er gebruik van om hun zeisen te wetten. Dit heeft ‘Wale Louis’ ongetwijfeld ondervonden en desvolgens zal hij van de paal niet meer gewild hebben.

Nu is de steen bij mij en op een eerste zien, door de heer Emiel Bruynooghe, briefbesteller, die van zijne kinderjaren diep in of rond de Casselstraat woont, daelijk herkend als voortkomende van de Schandpaal van den Keer, langs welke hij in zijne jeugd zoo menigmaal geklommen had. Alhoewel eene zekere leemtein het opvolgen der feiten, door het afsterven van vader Dehaene en Jules Citem bestaat, ben ik ten stelligste overtuigd, dat de verminkte rol het laatste overblijfsel is van den pelorijn van Poperinghe.

Meest uitgesproken tegen landloopers en meineedigen, gepaard met het brandmerken in de wang of het afsnijden van een gedeelte der oor, was het tentoonstellen aan de Schandpaal eene der lichtste straffen, die aan eenen veroordeelde toegepast was. Dit blijkt uit het bedrag der loonen, die de beul van Brugge ontving voor het verrichten van zijn werk. De voldoening geldt voor ieder aangehaald feit:

Voor iemand levende te verbranden of te verwurgen, iemand in de eerde levende te begraven, in den olieketel te zieden, met het zweerd te onthoofden of met het strop aan de galg te hangen, voor iemand te radbraken ontving hij dertig vlaamsche stuivers. Voor iemand ten toon te stellen en mogelijk er bij nog te geeselen ontving hij slechts tien vlaamsche stuivers, hetzij negentig centiemen voor den oorlog.

De afbeelding hiernevens, getrokken uit den boek: ‘Practijcke ende handboec in criminele saecken’, door Joos de Damhouder, in de jaren 1500 rechtsgeleerde te Brugge, zal beter dan woorden een gedacht over het uitvoeren van sommige straffen geven. Geen stoffelijke weerde heeft nog de schandpaal; maar bij iemand, die gevoelens heeft, doet zij de gedachten zweven tot slechts honderd vijftig jaar van hier, waar zooveel ongelukkigen, zelfs talrijke onschuldigen de schrikkelijkste en bloedigste fotleringen doorstaan hebben. Bejaarde lieden spreken altijd van dezen ouden, goeden tijd, dien hunne voorzaten kenden en waarin alles op wieltjes liep. Die oude, goede tijd is weg en wel weg!

ADRIAEN, Veearts.

Zover het artikel van ‘Grootvader’ Adriaen. Het stuk schandpaal bleef bewaard ten huize Adriaen en het was Johan die er uiteindelijk voor zorgde dat de paal terug een plaats kreeg in de stad. Nu staat ze langs de ‘Switch Road’ – de Zwitsersche route – kort bij het huis van de dochter Katrien Adriaen. Zo is zij de vierde generatie ‘Adriaen ‘ voor de schandpaal aan het zorgen.

Uit Doos Gazette 2004-25 van Guido Vandermarliere

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>