Van kwenen en klotenkappers

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  , ,      1 year ago     527 Views     Leave your thoughts  

Boerderijleven & dierkunde

Cieper
Is een driekleurige kattin, niet een kater. Ook Belgieske genoemd (zie de reuzenkater te Ieper)

Afwijkingen van de geslachtsdelen bij de dieren
– binnenbeer: van varken
– piefer, klophengst bij de mannelijke paarden
– karhengst: bij de koebeesten, is noch mannelijk noch vrouwelijk
– zwijnebeer (beer): mannelijk varken die de kloefen aan zijn gat draagt in plaats van aan zijn poten (zegswijze) is geen afwijking.
– massselaar: mannelijke eend. Herkenbaar aan krulletje aan de staart. ‘Je kiekt op een oge lijk een masschelare’ = Een oog dichtknijpen zoals genoemde dieren.
– muilezel: kruising tussen paardenhengst en ezelin
– muil (uitgesproken muul): kruising merriepaard en ezelhengst

Deze dieren kunnen zich niet voortplanten.

Paard
‘t Schoon van een paard (nageboorte) wordt in de bomen gehangen om te teren (op te drogen) (bomen: bollaards) om geen onchance te hebben met het kachtel. Ook onder de ozing van de schuur waar geen bomen voorhanden zijn. Dit heeft bestaan te Westende, op de hofstede eerste links de Oostendse steenweg. Deze hofstede stond voor WOI dichter bij de duinen en dus verder van de weg.

Hoefijzers
– kalkoenen: ijzeren steunders achteraan boven of onder het hoefijzer. Onderkant van hoefijzer, de zijde waar normaal de nagelkoppen uitzitten. De paarden hebben hoefijzers van doen om op de kasseistenen te gaan. Voor landwerk is dit niet nodig.

– ijsnagels: gebruikt bij gladde vervroren weg.
– Ijsvijzen worden ingevezen. Ze hebben de vorm van een kruisje, vierkante, rechthoekige.
– Zomer-hoefijzers: zijn lichter
– Winterijzers: waarin de ijsvijzen ingedraaid worden.
– Vislokken: paardenhaar onderaan de poten (de Engelse paarden in WOI hadden dit veel)
– Mane: bij ‘t schoft, weernissen, waaraan men zich grijpt wanneer men op de rug van het paard wil springen.
– Lange staart: bij de lichte paarden; lopers.
– De staart is geblokstaart bij de boerenpaarden. Om te beletten dat het kordeel gesloten wordt onder de staart, waarbij dit kordeel onbruikbaar wordten men dus het paard niet meer kan mennen.
– Ooglappen: aan de paardenbril, o.a. om te beletten dat de ogen blind geslagen worden door de takken wanneer deze paarden in de bossen werken.
– Gareel: onderdelen zijn kappe in leder, treithaken, treitplaten aan knippels. Knippels zijn de twee stukken in hout vervaardigd waaraan het overige van het gareel is vastgehecht.
– Dassevel: stuk leder, destijds leder met lange haren. Vermoedelijk het veld van de das, vandaar dassevel, laat is dasseveld de smalle kappe in leder geworden.
– Croupiere: om te verbinden al onder de staart, om te beletten dat bij het nijgen van het paard de ‘monteuring’ afvalt. Dit afvallen kan vaker gebeuren bij geblokstaarte paarden.

– Zegswijze: je springt op è poot lijkt èn honderut (iemand die mankt, een krepelaar).
– Een klotenkapper: persoon die mannelijke dieren ontmant. Bij deze operatie komt geen mes te pas bij schapen. De ingreep gebeurt door het afbijten door de klotenkapper. Deze wijze wordt toegepast om het veroorzaken van ‘klem’ te beletten. Een gecastreerd schaap noemt een ‘weer’.

Ongehuwde vrouw: in St. Annaschapra (jong blijven, die overblijven, die niet getrouwd geraken).

Kwene:
een vrouw die geen kinders kan krijgen.

Paling stropen
Aan vrouw die het vel van de palingen aan het afstropen was, vroeg iemand: ‘die palingen zien daarvan zeker af?’. Het palingvrouwtje antwoordde: ‘ba neens, ‘t is veertig jaar dat ik dat doen, ze zijn dat gewend!’

Uit ‘Die Chronycke van Bachten de Kupe’ van 1977