Veurne: eiland tussen water en land

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 weeks ago     161 Views     Leave your thoughts  

Sedert het begin van de geuzerie
Ik focus me op Veurne. Hoe verteert deze Westhoekstad – eiland tussen water en land – de verschrikkelijke geuzentijd tussen 1560 en 1600? Wie kan me dat beter vertellen dan Pauwel Heinderycx in zijn ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’? Ik sla deel drie open op het eerste kapittel met de betekenisvolle titel ‘Sedert het begin van de geuzerie tot dat de stad Veurne tegen de aanval van die sectarissen versterkt werd.’ De schrijver heeft het over de aanhangers van Luther en Calvijn die hij als sekteleden omschrijft. Heinderycx is overtuigd katholiek en laat regelmatig zijn afkeer voor de andersgelovigen merken.

Ik kan jullie nu al vertellen dat hij zijn vooringenomenheid toch wel voor een flink stuk neutraliseert en dat hij zijn dagboeken op een vrij erudiete manier heeft geschreven. ‘Luther, Calvijn en veel andere heretiekers en hervormers van de roomse kerk hebben tijdens de jaren 1500 het christendom in vuur en vlam gezet. Met hun valse leerstelsels. De kronieken van Vlaanderen en de oude geschiedenisboeken staan er vol van. De alternatieve ideeën zijn op alle mogelijke manieren vanuit Nederland tot in Vlaanderen doorgedrongen. Ondanks de dreiging met straffen en de strenge plakkaten die er worden uitgegeven. De inwoners van West-Vlaanderen zijn dan nog van de eersten om van het vergif van dat ‘hels serpent’ besmet te raken. Veel heeft te maken met de lakenhandel die hier in onze streek zowat de moeder van de werkgelegenheid is.

Vooral de textielhandel met Engeland zorgt voor het binnensijpelen van het nieuw geloof hier bij ons in de Westhoek. Edmond Ronse, de man die de handschriften van Heinderycx rond 1850 in boekvorm omtovert en uitgeeft, geeft hier en daar extra duiding. Ik kan zijn inmenging en aanvullende commentaar bijzonder appreciëren. Het is Ronse die dieper ingaat op het ontstaan van andere geloofsovertuigingen. De voorloper van het protestantisme luistert volgens hem naar de naam van Johan Wycleffe. Een pastoor in het stadje Lutterworth (district Leicestershire in het hartje van Engeland) die zich al in de 14de eeuw als geloofshervormer laat opmerken. Lutterworth-Luther, alsof het in de sterren geschreven stond!

De macht van de paus is dikke zever
Hij stelt de bijbel centraal. Priesters, bisschoppen en paus zijn daarbij niet nodig. Het gaan bij hen alleen maar om geld en macht. De wereldlijke macht die de paus zich toe-eigent is dikke zever en zijn systeem van aflaten afschrikwekkend. Dat de priesters in hun eucharistievieringen brood en wijn veranderen in het lichaam van Christus vindt Wycleffe al even grote bullshit. In 1382 krijgt hij de rekening gepresenteerd voor zijn aanval op de kerk. De doodstraf en de verbranding achteraf moeten zijn brutale ideeën voor eens en voor altijd uit de wereld helpen. Dat gebeurt dus lekker niet.

Een van Wycleffe’s studenten in Oxford zorgt er voor dat diens alternatieve denkpiste in Bohemen verzeild raakt en uiteindelijk tot bij de Praagse professor Johannes Hus belandt. Dat gebeurt rond het jaar 1410. Hus voegt er een denkbeeld aan toe: geloof moet gepredikt worden in de taal van het volk en dus helemaal niet in het Latijn. Ook hier loopt niks van een leien dakje. De weerstand tegen Hus en de discussies scheren hoge toppen. De geschriften van Johannes Hus worden in 1415 veroordeeld als zijnde ketters. De man blijft categoriek bij zijn overtuiging en stelt zich met een onvoorstelbare moed aan het hoofd van een nieuwe sekte om zijn blijde geloof verder te verkondigen. Na zijn dood worden zijn ideeën overgenomen door nieuwe generaties predikers. Luther, Melanchton, Zwingel, Bucer, Calvijn en anderen.

Vooral de naam van de theoloog Calvijn zal zorgen voor een doorbraak van de reformatie in de Nederlanden. Veurne zelf moet al in 1560 last hebben van deze nieuwe leer. In de stadsrekeningen van dit jaar wordt de executie van drie sekteleden vermeld. Ze worden ervan beschuldigd om oproermakers te zijn. De ketterij begint inderdaad in dat jaar serieuze vormen aan te nemen. De plebs en de ambachtslieden die meer en meer overtuigd raken van het calvinisme houden hun overtuiging in die beginjaren toch maar liever voor zichzelf. Uit angst voor represailles. Toch is er al sprake van nachtelijk vandalisme op heiligenbeelden die langs de wegen opgesteld staan. En ook de kapelletjes die in de bomen hangen worden afgeworpen.

Wulvergem is nu aan de beurt
‘Het fernijn van die leer drong dagelijks meer en meer door.’ Met dat prachtig authentiek Vlaams woord fernijn laat de oude Heinderycx het achterste van zijn tong zien. Hijzelf heeft een bloedhekel aan het calvinisme en hij laat dat ook te pas en te onpas merken. De ketters worden stouter met de dag. Tijdens een hoogmis te Nieuwkerke in 1561 durven ze het aan om zelf een alternatief sermoen te houden op de markt voor de kerk. ‘Het was de eerste heretiekse predicatie die in West-Vlaanderen in het openbaar gedaan is geweest!’ Rond die tijd is ook Wulvergem aan de beurt. Op diezelfde manier vindt er op 12 juli 1562 een vertoning plaats in de parochie van Boeschepe. Juliaan Van Damme, een wever die hier geboren werd, geeft er tijdens een sermoen de nodige uitleg rond het godsdienststelsel van de gereformeerden.

De leraren van het nieuw geloof worden achter de schermen stevig geruggensteund door machtige mensen. Ik noem ze van de eerste keer bij naam. De edelen en de grootgrondbezitters hebben er alle baat bij dat de kerken en de kloosters hun landerijen zouden moeten afstaan. Deze steun is natuurlijk verdoken. De wetenschap dat de prediker vergezeld wordt door een gewapende privémilitie die hem daarbij beschermt tegen de justitie spreekt boekdelen. Van Damme spreekt die 12de juli voor een grote menigte van inwoners uit de naburige gemeenten. Zijn toespraak is meteen een schot in de roos.

De schade die zijn sermoen daar in Boeschepe aan geloof en staat veroorzaakt is niet te overzien. Dat vertelt in elk geval Petrus Titelmans die in deze tijd aangesteld is als inquisiteur van het geloof. In een voetnoot kom ik te weten dat Titelmans feitelijk de deken van Ronse is en dat hij zich gaandeweg zal ontpoppen tot de meest geduchte vervolger van de gereformeerden in de Westhoek. Het duurt alvast niet lang voor hij een onderzoek instelt naar Juliaan Van Damme en naar allen die hem beschermd hebben. Ook zijn toehoorders worden gescreend.

De heresie is gedempt
Het gevolg laat zich raden. De soeverein-baljuw en de diverse baljuws van onze regio pakken heel veel mensen op. Ze worden conform de ernst van hun misdaden opgeknoopt, onthoofd, in brand gestoken of verbannen. De regen van straffen zorgt ervoor dat velen op de vlucht slaan naar andere oorden en dat diegenen die hier blijven zich voortaan verschansen achter een katholieke façade. Het komt er voor hen op neer om zich voorlopig uit de wind te zetten en te wachten op meer gepaste tijden om zich als calvinisten te outen. Tot aan het einde van 1565 blijft het relatief rustig.

De heresie is gedempt door de ongehoord repressieve aanpak van de overheid. De toestand blijft nochtans bijzonder explosief. Tot de koning van Spanje brieven stuurt naar onze landvoogdes Margaretha van Parma. Hij geeft haar de dwingende opdracht om de wetten van zijn vader – keizer Karel – in Vlaanderen beter en dwingender toe te passen. Ze moet hierbij rekening houden met de besluiten van het Vaticaanse concilie van Trente i.v.m. de aanpak van de heresie. Keizer Karel is al heel vroeg in zijn carrière gekloot geweest door de alternatieve geloofsstelsels.

In 1521 en in 1526 hadden hij in de Nederlanden al zware boetes voorzien voor personen die betrapt zouden worden met boeken van Luther, Zwingler, Melanchton of andere hervormers. Alleen katholieke godgeleerden mochten het hebben over de ‘heilige schrift’. Karel deed er in 1529, 1531, 1540 en 1550 nog extra schepjes bovenop maar algemeen vonden zijn nieuwe maatregelen tegen de ketterij geen steun bij de bevolking. Het kwam er op neer dat de mensen niet mochten praten met gereformeerden, die zeker niet thuis mochten ontvangen of hen op enige manier zouden helpen.

De adel stookt het gemeen op
Zelf in nood mocht men hen niet verplegen. Wie zwoer bij de heresie riskeerde lijf en goed te verliezen. De protestanten die alsnog hun geloof opgaven mochten rekenen op de onthoofding met het zwaard. Vrouwen werden levend begraven. Wie niet wou afstappen van zijn geloof en hardnekkig bleef volharden moest verbrand worden. Het zijn die oude barbaarse reglementen van keizer Karel die onze landvoogdes nogal ruim interpreteert en op een zachtere manier doorsteekt aan al de magistraten van de Nederlanden. Tot ze er dus op gewezen wordt dat dit niet door de beugel kan. Het strenger maken van de wetten zorgt voor veel geroezemoes en onrust bij het gemeen. Ook de adel wordt er door geïnfecteerd. Die verspreiden moedwillig het gerucht dat de koning van plan is om hier te lande de Spaanse inquisitie in te voeren.

De bitterheid en de frustraties bij het gewoon volk spelen natuurlijk in hun kaart. Veel van die edelen zijn op dat moment mistevreden over de uitgebreide macht die kardinaal Granvelle (Antoon Perenot, de bisschop van Arras en later aartsbisschop van Mechelen) zich toe-eigent op het hele beleid van de Nederlanden. Ze kunnen er niet mee leven dat de adel hierbij niet veel meer voorstelt dan het schoothondje te wezen van deze dictatoriale kardinaal. Rond 1566 rijpt het plan bij de adelstand om zich te verzetten tegen Granvelle. De al te repressieve aanpak van de andersgelovigen geldt daarvoor als een perfect alibi.

Dat verzet manifesteert zich bij een officieel bezoek van de hertog van Egmont aan de koning van Spanje. Hij verzoekt Filips II om wat toegeeflijker te zijn. Bij zijn terugkomst in het land wordt er tijdens een algemene vergadering door de bisschoppen en de rechtsgeleerden besloten om de strenge maatregelen toch maar met een korreltje zou te nemen. In december 1565 laat Filips II weten dat hier geen sprake kan van zijn en dat de Nederlanders en de Vlamingen streng de oude wetten van zijn vader moeten gaan toepassen. De edelen te lande reageren hierop zoals gezegd met een genootschap. Ze zullen zich in groep te verzetten tegen de oprichting van het hof van geloofsonderzoek. De beruchte inquisitie.

Sebastiaan Matte gaat zijn rol opeisen
De heretiekers en hun predikers die tussen 1562 en 1565 op de vlucht waren geslagen naar Engeland, Duitsland of Genève zien het natuurlijk graag gebeuren dat ze de steun krijgen van de adel. Ze keren massaal naar de Nederlanden terug. De Vlamingen die zich de voorbije jaren koest hebben gehouden, klitten weer samen met de teruggekeerde andersgelovigen en voor de overheid het goed beseft worden er al weer sermoenen gehouden. De nieuwe religie zet hier nu helemaal voet aan de grond. Dat gebeurt het eerst in Nederland zelf. Vrij kort al na de afkondiging van het verbond van de edelen tegen de invoering van de inquisitie.

Hier in de Westhoek predikt men het eerst bij de kapel aan de Vijfwegen, in de buurt van Roesbrugge. Niet lang daarna duikt Sebastiaan Matte, een hoedenmaker uit Ieper op in Roesbrugge om er minister te spelen. De andersgelovigen benoemen hun predikers als ministers en dus gaat minister Matte zijn rol opeisen. Hij houdt zijn eerste sermoen tijdens de nacht van 26 mei 1566. Op een open veld in de nabijheid van het klooster. Erg gerust zijn de toehoorders er nog niet in. Terwijl Sebastiaan Matte het beste van zichzelf geeft valt er een of andere pipo uit een boom nadat hij er in geklommen was om de spreker beter te kunnen zien. Het gedruis en lawaai van zijn buiteling zorgt voor grote paniek bij de massa. ‘De baljuw is daar met zijn volk. Help. Redde wie zich redden kan.’

De Westhoekers slaan allemaal op de vlucht en laten een ongetwijfeld verbouwereerde Matte alleen achter. Een van de voornaamste ministers van de nieuwgezinden is ongetwijfeld Carolus Daneel. Zeg maar Karel Daneel. Een man die lange tijd monnik geweest is in het klooster van de predikheren te Ieper en daar geruime tijd undercover is gebleven als zijnde aanhanger van de nieuwe godsdienst. Nu probeert hij de gereformeerde religie met kennis van zaken te verkondigen voor een groot publiek. Hij concentreert zijn preken aanvankelijk op een locatie ergens centraal tussen Nieuwkerke, Niepkerke en Steenwerck, genaamd ‘Boelaards-bomen’. Maar later duikt hij zowat overal op.

Het ware evangelie
Zijn baas, de prior van de minderbroeders krijgt natuurlijk onder zijn voeten. Ik overdrijf misschien enigszins, maar daar zal het ongetwijfeld op neerkomen. Die kan dus moeilijk anders dan op zijn beurt een brief te schrijven aan zijn dissidente broeder. 4 juli 1566. Een vriendelijk schrijven waarbij hij op zachtmoedige wijze vraagt waar hij als baas dan gefaald heeft met zijn geloof en patati en patata en of hij een antwoord van hem mag verwachten. Daneels schrijft inderdaad terug. Een brief gevuld met bitterheid, laster en kwade vloeken. De heretiekers houden zich in geen geval in.

Het verbond dat de edelen hebben gesmeed en de massa van hun aanhangers maakt hen overmoedig. Ze preken waar ze willen en negeren daarbij de justitie alsof die lucht is. Klanten winnen is niet moeilijk. De ministers zwaaien met de wetenschap dat de mensen helemaal geen biecht meer moeten ondergaan om bevrijd te worden van hun zonden. De jaarboeken van Veurne hebben het over de afschaffing van de ‘oorbiecht’, een naar mijn mening geniaal woord. Volgens de geuzen kan vergiffenis ook zonder oorbiecht. Daarbij verfoeien ze de vasten en de maagdelijke staat van het kloosterleven. De paus is kop van jut. Samen met zijn bende bisschoppen en prelaten. Ze zijn alleen maar uit op rijkdom en het bezit van zoveel mogelijk aardse goederen. De koning laten ze met rust.

Ze willen zich absoluut geen imago van oproerigen op de hals halen. Hun lokale besturen krijgen de boodschap dat ze niemand schade willen berokkenen en dat ze altijd bereid zijn om eventuele vernielingen tijdens de preken te vergoeden aan de eigenaar van de weide. De toehoorders, zeg maar de gewone man en vrouw van het land, voelen zich emotioneel gepakt door die nieuwe boodschap. ‘Luister maar’, zeggen ze tijdens de herhaalde sermoenen, ‘deze predikant leert ons het ware evangelie, hij wenst niemand schade toe en hij preekt vooral niet voor eigen profijt zoals de katholieke pastoors dat natuurlijk wel doen.’ En nogal veel van dergelijke ‘clappernien’, het oude Vlaams van de Veurnse geschriften kronkelt zich een pittige weg door het landschap van lang vergeten juweeltjes van woorden en uitdrukkingen.

 

……

…dit fragment zal binnen enkele maanden verschijnen in boek 7 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>