Vlaamse waarzeggerij uit de 12de eeuw

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     335 Views     Leave your thoughts  

Bij het jaar 1107 vermelden de ‘Annales Cambriae’, d. i. de meest betrouwbare latijnse kroniek van Wales voor de middeleeuwen, de aankomst van Vlamingen op het grondgebied van het tegenwoordige Pembrokeshire: ‘Annus MCVII. Flandrenses ad Ros venerunl’ (De ‘Brut’ plaatst de Vlaamse immigratie te Ross in het jaar 1105, maar het is waarschijnlijk dat de Vlamingen echter geleidelijk per groepen zijn gearriveerd).

Ross of Rhos ligt in het district Pembrohshire, dat een schiereiland vormt ten westen van de baai van Carmarthen en bestaat uit een laag, tamelijk bebost kustland met mild klimaat, dat volledig van de Engelse vlakten is afgesneden door het bergland van Wales, waar het Keltisch de volkstaal bleef.

In Pembrokeshire is het Keltisch geheel verdwenen en men spreekt er tegenwoordig een Engels, dat doorspekt is met woorden van Vlaamse oorsprong, een gevolg van de Vlaamse kolonisatie van deze streek in de 12° eeuw.

Over deze Vlaamse kolonie in Wales werd reeds veel geschreven. Vooral de vraag waar vandaan die Vlaamse kolonisten kwamen heeft de historici bezig gehouden.

Nog onlangs werd dit vraagstuk aan een grondig onderzoek onderworpen door mijn collega professor Dept in een bijdrage: ‘Een Vlaamse kolonie in Wales’, verschenen in de ‘Annales de la Société d’Émulation de Bruges ‘, tom. LXXIV (1931) en ik verwijs de belangstellenden naar deze degelijke studie, waarin aan de hand van een uitvoerig bronnenonderzoek wordt aangegetoond dat;

– De Vlaamse kolonisten in Wales Vlaanderen hadden verlaten in 1065-66 om deel te nemen aan de verovering van Engeland door Willem van Normandië;

– Ze zich oorspronkelijk hadden neergezet in Northumbrië, waar zij samen met Normandiërs het land bebouwden en den strijd voerden tegen de niet onderworpen stammen uit het Noorden en uit Schotland;

– zij zij na de kolonisatie van Northumbrië, waarschijnljk door overstroomingen, verplicht waren aan den Engelsen koning Hendrik l om een andere woonplaats te verzoeken. Deze stuurde hen om politieke redenen naar Wales, waar zij de oproerige, Engeland vijandige, bergstammen der Wallenzen in bedwang zouden houden.

De Vlamingen kweten zich volkomen van deze taak. Ze begonnen met heel Pembrokeshire te vuur en te zwaard te zetten, onteigenden de aldaar woonachtige Wallenzen, kortom, maakten zich meester van het land. Dit gebeurde niet zonder heftige en bloedige tegenstand. Gedurende gans de 12de eeuw was het tussen Vlamingen en Wallenzen in Pembrokeshire een echte guerrilla-oorlog en meermalen kwamen de koningen van Engeland tussenbeide om de Vlaamse kolonisten bij te staan.

De Vlamingen betoonden zich echter niet alleen flinke soldaten, maar ook niet minder bekwame kolonisten: zij bebouwden het land, hielden kudden, verwerkten de wol van hun schapen en dreven handel zowel te land als ter zee. Zij hebben Pembrokeshire omgeschapen in een rijk en vruchtbaar land, in een nieuw Vlaanderen met talrijke bloeiende bevolkingscentra, die Vlaamse namen dragen. Zoals professor Dept aan het slot van zijn hoogervermelde studie schrijft : ‘Pembrokeshire hebben de Vlamingen tot een lachende oase herschapen te midden van de bergen bewoond door zuivere herdersvolkeren, een oase die bekend stond onder den naam van ‘little England beyond Wales’, hetgeen wel een bewijs is dat het beschavingspeil van de kolonie hoger stond dan dit van het bergland’.

Een welsprekend getuigenis hiervan is een passus uit het ‘Itinerarium Kambriee » (1191) van Giraldus Cambrensis, een W allenzer geestelijke, die de Vlaamse kolonisten in Wales bezocht en verschillende staaltjes van Vlaamse volkskracht, en meteen folkloristische eigenaardigheden, mededeelde. Op deze laatste vestigde Prof. Dept mijn aandacht en ik nam mij voor de aldaar aangehaalde zonderlinge gebruiken, die verband houden met de waarzeggers- en de toverkunst, te onderzoeken en toe te lichten.

Maar, wie was eigenlijk die Giraldus Cambrensis die ons over de Vlamingen in Wales inlichtingen heeft verschaft? Een ‘Vlamingenhater’, schrijft professor Dept, al blijkt zulks niet onmiddellijk uit de lofrede, die hij over de Vlamingen houdt. Hij was echter langs moederszijde van Wallenzer koninklijke bloede en stond in zijn wisselvallig leven met een grote hardnekkigheid de rechten van de Wallenzen voor, in ’t bijzonder van de Wa1lenzer kerk, ook tegenover de Engelse kroon.

Zijn eigenlijke naam was Giraldus de Barri. Hij werd geboren in het kasteel van Manorbeer in Pembrokeshire in het jaar 1147. Van jongsafaan stond hij dus midden in den strijd tussen Vlamingen en Wallenzen. Giraldus werd voorbereid tot de geestelijke staat, omdat hij daar in zijn jeugd veel voor voelde. Uit zijn ‘autobiografie’ vernemen we dat zijn vader, die van Normandische afkomst was: de Barri, hem in zijn kinderjaren altijd de ‘kleine bisschop’ noemde. Zijn opvoeding moet voor den tijd buitengewoon verzorgd geweest zijn. Nog vóór zijn twintigste jaar schreef hij latijnse verzen, die blijk geven van ongewone belezenheid voor zijn tijd: Terentius, Vergilius, Horatius, Ovidius, Juvenalis, Statius, Cicero en Seneca worden herhaaldelijk geciteerd. Voor zijn hogere studies in godgeleerdheid, wijsbegeerte en kerkelijk recht ging hij naar Parijs. In het jaar 1172 was hij in Engeland terug.

Koning was toen Hendrik Il, die voor het oproerige Wales een nieuwe investituur-politiek invoerde: Wales zou niet langer geregeerd worden door zijn eigen hoofden, maar door bisschoppen, die hij zich voornam zelf te benoemen. Giraldus meende hiervoor in aanmerking te komen.

Zijn oom was bisschop van Sint David, hijzelf door zijn vader van Normandische afkomst, door zijn moeder van Wallenzer bloede. Zijn kansen eens zijn oom te kunnen opvolgen stonden meer dan gunstig. In afwachting werd hij aartsdekaan van Brecknock in 1175. In deze hoedanigheid wist hij zich te onderscheiden: hij bracht orde en tucht in zijn district. Alleen met de Vlamingen van Ros had hij moeilijkheden: zij weigerden stelselmatig hem de cijnsgelden uit te keren.

In andere woorden; zij erkenden zijn wereldlijk gezag niet, waarschijnlijk omdat hij als Wallenzergezind bekend stond. Zijn vlijt berokkende hem vijanden, ook onder de Wallenzer geestelijkheid, vooral wegens zijn strijd tegen het priesterhuwelijk, dat toen aldaar nog algemeen was. Allerlei moeilijkheden werden hem in de weg gelegd, zodat hij het ten slotte moest opgeven en naar Londen trok, alwaar hij tot hofkapelaan van Hendrik Il werd aangesteld. Ook daar had hij zich te beklagen over miskenning en ondankbaarheid vanwege den koning, wiens belangen hij nochtans had willen dienen. Zijn vijanden lieten niet af. Zij noemden hem Giraldus Sylvester, d. i. de bosman of wildeman. Het schijnt dat deze spotnaam in de 12de eeuw algemeen in gebruik was tegen de Wallenzen. Het was dus meer zijn afkomst dan een persoonlijke hebbelijkheid, die hem aan de minachting blootstelde. Omstreeks 1185 begon hij met de vrij talrijke reeks van zijn werken over geschiedenis en land- en volkenbeschrijving, o.a. die over Wales en Ierland.

Toen Hendrik II in 1189 overleed, ondernam Giraldus talrijke reizen, hij ging zelfs naar Rome, maar zijn doel om bisschop te worden in Wales, vermocht hij niet te bereiken. Dit maakte hem wrevelig en bitter en in zijn geschriften vinden we de weerslag van die stemming. Geprikkeld door de miskenning van zijn wezenlijke talenten als geleerde en als organisator, toont hij zich, meer dan voor een geestelijke betaamt, ingenomen met zich zelf.

Later evenwel verzoende hij zich met het koninklijk gezag en met het hoofd van de Engelse kerk. Er was eindelijk sprake om hem bisschop te maken, maar toen weigerde hij beslist. Zijn ‘de rebus et se gestis’, zijn autobiografie, is van 1204-1205. De datum van zijn overlijden is onbekend, waarschijnlijk was dit 1321. Het staat vast dat hij meer dan 70 jaar oud werd. Begraven werd hij in de kathedraal van St David in Wales, waarvan hij zijn leven lang gehoopt had bisschop te worden.

Dit is de man, die in zijn ‘Itinerarium Kambriae’ een deel van zijn ‘Descriptie Walliae ‘, als ooggetuige over de Vlaamse kolonisten in Wales schreef. Het ‘Itinerarium’ is van 1191, de mededelingen over de zonderlinge toverpraktijken van de Vlamingen komen eerst voor in een herwerking van de eerste uitgave in 1197, die als de definitieve uitgave van Giraldus’ werk over Wallis mag worden beschouwd.

Wat zegt hij over de Vlamingen van Ross? ‘Afkomstig uit Vlaanderen, werd dit volk overgeplaatst door de koning van Engeland, Hendrik I, om deze streken te bewonen. Een moedig en sterk volk is het, een volk door voortdurende strijd zeer vijandig gezind jegens de Cambriërs, een volk, zeg ik, bedreven zowel in het weven als in het handeldrijven, een volk zeer behendig om winst te maken en hiervoor geen moeite sparend of gevaar vermijdend zowel te land als ter zee : een volk al naar gelang plaats en tijd, vaardig in het hanteren nu eens van den ploeg dan weer van de wapens, een volk waarlijk gelukkig en moedig.

Dit, naar allen schijn dus, bedrijvig, wilskrachtig en realistisch volk, hield er echter nogal vreemdsoortige bijgelovige praktijken op na. Voor heel deze passus laten we het woord aan Giraldus zelf:

‘Ook nog schijnt me over dit volk het volgende aangestipt te moeten worden: dat ze uit de rechter schouderbladen van rammen, van alle vlees ontdaan, en niet gebraden, maar gezoden, zowel de toekomst voorzien als dat zij ’t verleden en de voordien ongekende zaken ver terug zien; ook de in de tijd tegenwoordige, maar plaatselijk verwijderde zaken kennen ze op wonderbare wijze, door een schier profetische geest; de voortekens van vrede en oorlog, moorden en branden, huiselijke echtbreuken, den gezondheidstoestand van de koning, leven en dood voorspellen ze ten stelligste door middel van het voorkomen van bepaalde spleetjes en plekjes.’

Aldus is het, en wel in deze tijd, gebeurd dat een man, in deze streken goed bekend, en in de bovenvermelde kunst beter dan anderen bedreven, Willem Mangunel geheten, een vrouw had, die verleid was geworden door de bloedeigen neef van haar echtgenoot. Van die zaak op de hoogte, heeft hij een ram uit zijn eigen schaapkooi weggenomen en hem naar zich toe doen sturen, zogezegd vanwege een buur op het ogenblik dat zijn vrouw aanwezig was. Onmiddellijk werd het dier naar de keuken gebracht en toen ze zich die dag voor het middagmaal aan tafel hadden neergezet, stak de man het schouderblad van de ram, op gepaste wijze afgekookt en van vlees gezuiverd, zijn vrouw, die hij in deze waarzeggerskunst bedreven wist, met opzet ter schouwing toe.

Nadat ze het schouderblad enkele ogenblikken had bekeken, de spleetjes nagaande en de geheime tekens, wierp ze glimlachend het been en orakel op de tafel. Maar daar hij, van niets gebarend, de oorzaak van haar gelach en de uitleg van de zaak met aandrang eiste, antwoordde zij eindelijk, overwonnen door het aanhoudend aandringen van haar echtgenoot:

‘De man, uit wiens schaapskooi deze ram afkomstig is, heeft een echtgenote, overspelig en door bloedschande met haar eigen neef tot zwangerschap gebracht’. Daarop sprak de man, bedroefd en met neergeslagen blik: ‘ gij brengt een orakel uit dat waarachtig is, gesteund op een al te harde werkelijkheid, waarover ik zoveel meer dien bedroefd te zijn dat de smaad ervan in ’t openbaar tot mijn eigen ongeluk moet strekken.’

Maar zij, niet bij machte om haar grote schaamte te verbergen, nu haar zonde ontdekt was, gaf aan haar ontroering lucht door uitwendige tekens, onder de op elkaar volgende aandrang zowel van haar schaamte als van haar machteloosheid, eerst door een hoge gelaatskleur, dan door bleekheid, eindelijk door tranen, zoals vrouwen dit doen.

Verder nog, aan iemand werd een geitenschouder gebracht voor een schaapschouder, omdat de ontvleesde benen erg op elkaar lijken. En die man, na de spleten en tekens enkele ogenblikken te hebben beschouwd, bracht op wonderbare wijze het volgende uit: ‘ongelukkig dier, dat zich nooit vermenigvuldigen kon; ongelukkig ook de bezitter van dit dier, die er nooit in slaagde meer dan drie of vier in één kudde te behouden.’

Ook de verwoesting van het vaderland na den dood van koning Hendrik I, gedurende het jaar of vóór een half jaar, hebben velen in schouderbladen voorzien, deze hebben dan al wat ze bezaten verkocht, zowel roerende als onroerende goederen; door hun handelsvernunft bevrijd, hebben ze hun vaderland verlaten en ontsnapten aldus aan de dreigende ondergang.

Het gebeurde ook eens in Vlaanderen, waar vandaan dit volk afkomstig was, dat een man zulk een been aan zijn gebuur tot beschouwen had overgestuurd, dat de boodschapper, op zijn weg over een beek springend (zijn anus openstaande) een wind liet. En dezen wenste hij op den stond door woorden en wensen in de neus van de man, tot wie hij gestuurd werd. Maar hij, wien het schouderblad gebracht werd, na het te hebben bekeken, sprak onmiddellijk: ‘broeder, ik wens in uw neus wat gij mij hebt toegewenst.’

‘Het gebeurde nog, wat van belang is, ook voor de lijst der cijnsplichligen, dat iemand, die in een wapen schouwde, door dat onderzoek niet alleen de diefsial ontdekte en haar voorwerp, de dief zelf en de wijze van stelen en alle omstandigheden, maar ook nog hoorde het getamp van de klok en het blazen van de hoorn, op zulk een wijze alsof de zaken, die reeds lang voorbij waren, op het ogenblik. zelf nog gebeurden.’ Wonderbaarlijk dus dat evenals geheime gebeurtenissen op gelijke wijze weerom voor ogen worden gebracht, zij zich op dezelfde manier voor het gehoor herhalen. ‘

Dit belangrijk, tot nog toe weinig opgemerkt, bericht van Giraldus, leert ons dus tweeërlei soorten van bijgeloof, eigenlijk waarzeggerskunst, kennen, zooals die onder de uitgeweken Vlamingen in Wales in de 12de eeuw algemeen in gebruik schijnt te hebben geweest. Te oordelen naar één voorbeeld reeds vroeger in Vlaanderen.

De eerste soort van waarzeggerij is een voorbeeld van ‘spatulamantie ‘of schouderblad-waarzeggerij. De tweede soort is een staaltje van ‘speculomantie’ (spiegel-waarzeggerij), in ons geval het schouwen in een blank-geschuurd zwaard, een bijgeloof, dat in talloze varianten tot in de hedendaagse ‘kristallomantie’ voortleeft.

Over de ‘spatulamantie’zijn de inlichtingen schaars. Voor de Germaanse volkeren is het voorbeeld, medegedeeld door Giraldus Cambrensis, voor zover mij bekend is, het oudste.

Jacob Grimm, handelend over het bijgeloof (Aberglaube) in zijn ‘Deutsche Mythologie’ schijnt ‘Spatulamancia’ of ‘scapulimantia’ als een Romeinse en Byzantijnse waarzeggerskunst te kennen. Ondanks velerlei opzoekingen ben ik er niet in geslaagd sporen van dit bijgeloof in de klassieke oudheid te ontdekken. Wat Byzantium betreft haalt Grimm een tekst aan uit de geschiedenis van de Goten die misschien een aanwijzing van ‘spatulamantie’ inhoudt.

Jornandes of Jordanus, oud-secretaris van een Gotische,vorst, verbleef te Constantinopel in de 6de eeuw van onze jaartelling en schreef een paar latijnse geschiedwerken. Zijn bericht luidt als volgt; ‘Attila geen vertrouwen hebbende in zijn troepen, vrezend de slag aan te gaan, besloot de toekomst te laten onderzoeken door de waarzeggers. En deze op de gebruikelijke wijze de ingewanden van klein vee (pecorum fibras) en daarna de spleten in de afgeschaafde beenderen (venas in abrasis ossibus) bekijkend, voorspelden ongeluk voor de Hunnen.’

Indien het bekijken van de spleten in de afgeschaafde beenderen door de waarzeggers van Attilla met spatulamantie betrekking heeft, dan is het bericht van Jornandes, het oudste voorbeeld van dit gebruik, niet voor de Byzantijnen, maar voor de Hunnen.

‘Het waarzeggen door schouderblad-beschouwing is wel barbaars (dus niet-grieks) en ongewoon, maar betekent toch, voor de gebruikers van dit middel, de ontsluiering van de toekomst. Diegenen nu, die zich voornemen hiermee te waarzeggen, kiezen in de kudde een schaap of een lam, en denken of zeggen dan datgene waarover ze zouden willen ingelicht worden. Daarna slachten zij het dier en nemen van het lichaam het schouderblad, als het orgaan der toekomst-voorspelling.’

waarzeggerij

‘Dan braden zij het op kolen, maken het los uit het vlees en hieruit nu bekomen zij de aanduidingen over de afloop van wat zij vragen. Maar ook in andere delen zien zij aanduidingen over de toekomst. Want een oordeel over leven en dood hebben zij in het ‘uitsteeksel’ van de wervelkolom. En indien deze langs beide zijden wit en rein is, ontnemen zij daaruit een teken voor het leven. Is ze daarentegen gemengd (van kleur), dan is dat een teken van dood. In het deel tussenin het schouderblad plaatsen zij aanduidingen over de weergesteldheid. Indien nl. tussen het schouderblad de twee vliezen langs weerszijden der wervelkolom wit en rein schijnen, voorspellen zij daaruit stil weer; zijn deze gespikkeld, het tegenovergestelde. Heeft men over oorlog ondervraagd, en verschijnt er in het rechterdeel van het schouderblad een rood wolkje, ofwel in beide deelen eene lange, zwarte streep, besluit dan dat er een grote oorlog zal komen. Zijn echter de beide delen oorspronkelijk wit, voorzeg dan dat er vrede zal zijn. En in een woord in alle vragen duidt het rodere, zwartere en gespikkelde op de slechtere uitkomst, het tegenovergestelde op de betere.’

Het bekende ‘similia similibus’-principe van de genezers en ziektenbezweerders dus, dat ook van toepassing blijkt bij het schouderblad-kijken. Psellus is vrij goed op de hoogte, toch draagt hij er zorg voor op het barbaarse niet-Griekse, karakter van deze waarzeggerskunst te wijzen.

Grimm weet nog in zijn ‘Deutsche Mythologie’ van de ‘Kalmüken’ mee te delen, dat zij, blijkbaar nog in de 19de eeuw, het schouderblad-kijken beoefenden. Felix Liebrecht steunde op Grimm om een verband tussen de spreuken het schouderblad-kijken te leggen. In Europa blijkt het gebruik in het heden zich te beperken tot de Serviërs en de Zigeuners, waarvan Prof. Herold mededeelt dat zij het schouderblad-waarzeggen gebruiken om uit te maken of een zieke genezen zal. of niet.

Het uivoerigst echter worden wij ingelicht over de ‘spatulamantie’ of het waarzeggen uit het schaapsschouderblad bij de Zuid-Slaven. Dank zij een nauwkeurige beschrijving van het gebruik in de tegenwoordige tijd, althans in de tweede helft van de 19de eeuw, door Prof. D· Friedrich S. Kraus. in ‘Volksglauben und religiöser Brauch der Südslaven’ (1890) zijn we in de gelegenheid in enige bijzonderheden over deze waarzeggerskunst af te dalen.

Bij de Zuid-Slaven, zoowel bij de Bosniërs als bij de Serviërs wordt op Kerstdag als feestgebraad een bok of een schaap geslacht, waarvan het schouderblad tot waarzeggen wordt gebruikt. De waarzegger heet de ‘Polazajnik’, hetgeen zoveel betekent als de ‘bezoeker’ of ‘gast’· Het is een man van rijpe leeftijd uit het dorp, die het voorspellen van de toekomst uit het schouderblad door mondelinge overlevering van een vroegere ‘polazajnik’ heeft geleerd.

In Bosnië betekent het schoteltje van de gewrichts- de van het schouderblad het huis. Is het schoteltje vol, zo zal ook het huis van den boer, tevens eigenaar van het offerdier vol zijn, d.w.z. het jaar belooft vruchtbaar te zijn. Is het schoteltje daarentegen verdiept en hol, zo zal het in aantocht zijnde jaar mager zijn en het huis zal ledig blijven.

Vertoont het schoteltje oneffenheden gelijk van mes of speldenprikken, dan betekent zulks een graf, d.w.z. iemand uit de familie zal sterven. Dit graf wordt met de lijkbaar vergeleken. De lijkbaar bevindt zich langs de voorzijde van het schouderblad onder het schoteltje. Heeft ze onderaan barstjes en kunnen deze barstjes door het bovenste lid van den duim, van af het schoteltje, overdekt worden, dan gebeurt het voorspelde sterfgeval in het huis, reikt de duim ver over de barstjes, dan gebeurt het sterfgeval in de familie.

Een kleine barst betekent een jongen mens, een grote een volwassen persoon. Voert over het blad tot in het schoteltje een draad of ‘weg’ en is de streep in het schoteltje breder, zo voert de weg buiten het huis. Bevinden zich geen strepen op het schouderblad, zo is dat een teken dat een dochter van het huis uitgehuwelijkt zal worden. Is het spoor boven het schoteltje eenigszins breder, zo voert de weg binnen het huis: iemand zal introuwen, of, indien een huisgenoot in de vreemde verblijft, zal hij naar huis komen. Een ander boven het schoteltje heet ‘paardenhalster’· Is het uitzicht van die ader eenvoudig en effen, zo betekent zulks dat het nieuw jaar voor de paarden niet goed zal zijn. Zit er om het schoteltje een vlies, gelijk in een ei, dan zegt men dat het huis aan een klooster of aan een openbare stichting iets schuldig is. Aan de binnenzijde van het schouderblad onder het schoteltje bevindt zich in het middengedeelte de ‘wieg’.

Bevindt zich deze inzinking, ‘wieg’ genaamd, dichter bij de scherpe zijde of kruiszijde van het blad, zo wordt een jongen voorspeld; is de wieg dichter bij de ronde zijde gelegen, waar het merg is, dan wordt een meisje in het huis geboren. Is de wieg zo ver van het schoteltje verwijderd dat men ze niet overbruggen kan met het eerste lid van de duim, dan geschiedt de geboorte in de familie. Aan de spits van de scherpe zijde of kruiszijde verkent men den ‘geldbuidel’ van de boer. De uitwas aan de spits van het kruis verraadt de schulden, deze aan het lager gedeelte van de spits het krediet. Is de geldbuidel getand, zo zal iemand den boer geld afzetten.

Het vooruitspringende been langs de voorzijde van het schouderblad geeft aanduidingen over de schaapskooi en de voorspoed in handelszaken. Is dit been doorschijnend, dan zegt men dat de schaapskooi groen zal zijn, is het integendeel ‘vlokkig’, zo zullen er veel schapen zijn. Lopen er veel rode adertjes door het vlokkig gedeelte tot aan het huis, d.i. in de richting van het schoteltje, zo kondigt dit voorspoed aan, volgen ze een andere richting, dan voorspelt zulks ongeluk voor de kudden als voor den handel.

Hoe dichter de adertjes zich in de nabijheid van het schoteltje bevinden, des de eerder zal de voorspelling uitvallen. De oppervlakte van de binnenzijde van het schouderblad noemt men den ‘dorsvloer’. Is die oppervlakte breed, zo zal het jaar vruchtbaar zijn voldoende vruchten opleveren. Volgt de dikke zijde een gebogen lijn, zodat men het schouderblad met den opheffen kan, zo zal men gedurende het jaar overvloed hebben. Is de scherpe zijde sterk gebogen, zo brengt zelfs de gelukte oogst geen geluk bij. Langs de binnenzijde wordt vooral de toestand van het vee voorspeld. Ieder streepje op de oppervlakte betekent een stuk vee. Onderaan het gewricht voorspelt men het aantal ‘bijenkorven’; ieder streepje beteekent een korf. Is de onderste wervelaanzet bij de bijenkorven spits, dan deugt de boerin niet. Aan de voet van het als een mes vooruitstekend been op de voorzijde heet de ene inzinking naar de kant van de dikke zijde ‘gouverneur'( vezir), de andere naar de scherpe zijde de ‘waakhond ‘eigenlijk de ‘teef ‘· Hoe dichter de gouverneur zich bij het schoteltje bevindt, des te langer zal hij op zijn post blijven. Men zegt dat hij een goed steunpunt heeft gevonden.

Is de ‘gouverneur’ verwijderd en ligt hij buiten de rechte lijn, dan heet het dat hij ‘op weg’is, d.i. hij zal niet lang meer gouverneur zijn, want er werd reeds een nieuwe aangesteld. Ligt de ‘waakhond’ in de nabijheid van het schoteltje, zo zegt men dat hij goed de schaapskooi bewaakt, is hij iets verwijderd, dat een rover of een wolf een schaapje zal wegdragen.

Is het onderste deel van het schouderblad (op de tekening het bovenste) dik en vettig, zo zullen de ossen het ook zijn, mager, zo volgen de ossen dat voorbeeld. Is datzelfde deel naar binnen in het midden ingedrukt, dan heet het; het juk is gebroken, een os zal sterven, en men zal het land niet kunnen bebouwen. De oppervlakte van het juk tot het schoteltje en van de scherpe zijde naar de dikke zijde noemt men ‘veld’. Op het veld voorspelt men oorlogsgebeurtenissen: de scherpe zijde is de vijandeliike zijde, men keert dus de dikke zijde naar zich toe. Wie van beide zijden de ‘wolk’, d.i. het doorschijnend gedeelte het dichtst naar zich toe heeft zal aan de winnende hand zijn.

Verder leest men op het schouderblad gevangenschappen, volksverzamelingen, gesneuvelden, wind en weder en omwenteliggen. In Servië komen enige afwijkende betekenissen voor de volledigheid medelen. Het ‘schoteltje’ is daar ook het ‘huis’· De spieruiteinden aan het gewricht zijn daar ook de ‘halsters’ en men voorspelt hieraan eveneens de toestand van de paarden. Het vooruitspringend been is hier echter de ‘huisbalk’, d.i. de voornaamste balk, die het dak ondersteunt.

Hoe meer gaffelvormig zijn uiteinde is in de richting van het schoteltje, hoe steviger de balk van het huis is, en bijgevolg het hele huis. Op de binnenzijde van het schouderblad bevinden zich soms inkervingen, alsof er naalden werden ingestoken, een ervan noemt men het ‘graf’ een andere de ‘wieg’.

Liggen deze punten binnen de lengte van het eerste lid van den duim, gerekend van af het schoteltje, dan geschiedt het sterfgeval of de geboorte in het huis, buiten het bereik van het eerste lid van den duim, in de familie of in het dorp. Het onderste (in de tekening bovenste) gedeelte van het schouderblad langs de binnenzijde is het ‘veld’. Is het veld zuiver, d. i. zonder scheuren en barstjes, zo zal het vrede zijn; is het veld integendeel vol inkervingen, zo komt er oorlog.

Voor meer bijzonderheden verwijzen we naar Kraus. Alleen vestigen wij er de aandacht op dat het ‘offerschaap’ bij de Zuid-Slaven wordt gebraden, niet gezoden. Het is bekend dat de germaanse dieroffers werden gezoden (cf. de mededeling van Giraldus: ‘uit de rechter schouderbladen van rammen, van alle vlees ontdaan, en niet gebraden, maar gezoden’). Verder dat nadrukkelijk wordt gezegd dat bij de Serviërs slechts het rechterschouderblad van het gebraden dier wordt geraadpleegd (cf. de mededeling van Giraldus). Nog kent men bij de Zuid-Slaven de bepalingen dat de schaapsschouder met de vingers ontvleest hoeft te worden, niet mag worden afgeknaagd, en dat, wanneer een tweede waarzegger na de eerste een nieuwe voorspelling uit het schouderblad leest, hij hem eigenhandig van de tafel moet opnemen, niet mag aanvaarden uit de handen van den eerste waarzegger.

Waarom juist uit het schapenschouderblad werd voorspeld en niet uit het schouderblad van een ander dier, zal wel een herinnering zijn aan het schaap als ‘offerdier’ bij tal van herdersvolkeren, vooral bij de Indogermanen, maar ook bij Joden en Babyloniërs.

Van ‘offerdier’ tot ‘geluksdier’ d. i. meestal geneeskrachtig dier, is de afstand niet erg groot. Of het schouderblad-kijken bij de Vlamingen een autochtoon gebruik was, valt te betwijfelen ? Het lijkt mij waarschijnlijk dat de Vlamingen, die immers in grote getale aan de kruistochten deelnamen, dit bijgeloof aan het Oosten ontleenden en naar West-Europa overbrachten. In Vlaanderen immers is geen het minste spoor van dergelijke waarzeggerskunst in later tijd te ontdekken, terwijl al de voorbeelden van ‘spatulamantie’ wijzen naar de Balkan, West-Azië, Klein-Azië en Noord-Afrika. Een tot nader bericht geïsoleerd geval in West-Europa als het schouderblad-kijken van de Vlaamse kolonisten in Wales in de 12de eeuw moet m. i. op ontlening berusten.

Gaan we thans over tot de bespreking van de tweede soort van waarzeggerij, waarop gezinspeeld wordt in de belangwekkende mededeling van Giraldus Cambrensis: het schouwen in een wapen van een diefstal en een dief te ontdekken. Het ontdekken van een dief is het voorwerp van talloze waarzeggersmiddelen, waarvan sommige wel zeer hoog in den tijd zullen opklimmen.

De toverspiegel, waarschijnlijk in verband te brengen met de ‘hydromantie’, d.i. het waarzeggen uit het water, hetzij van bronnen, hetzij van bekers of schalen, waarin het verschijnsel van de weerspiegeling zich voordoet, was bij de klassieke volkeren en is nog bij tal van primitieve volksstammen in gebruik.

Wat de toverspiegel toeliet, gebeurde met evenveel bijval met een blank-geschuurd metalen voorwerp, bij voorbeeld het lemmer van een zwaard. Zonder twijfel is bij Geraldus zulk een zwaard bedoeld.

Het komt er bij deze soort van waarzeggerij, waarvan er talloze varianten bekend zijn: ‘lekonomantie’ d.i. waarzeggen uit het gemurmel vaa het water, ‘gastromantie’, het waarzeggen uit het schouwen in een glas, ‘kaptromantie’; waarzeggen uit een spiegel of een metaal op den bodem van het water geplaatst, ‘kristallomantie’, d.i. waarzeggen uit een geslepen steen of een kristal, enz., alleen maar op aan, door het gespannen en aanhoudend kijken of staren, in het geval van de ‘lekonomantie’, ook beluisteren, ‘visioenen’ te krijgen.

Personen met rijke en levendige verbeelding, in de psychologische vaktaal ‘eidetici ‘betiteld, zijn gemakkelijker dan nuchtere verstandsmenschen onderhevig aan het opduiken van dergelijke onderbewuste of vergeten voorstellingen.

De Vlamingen, waarvan Giraldus ons deze waarzeggerskunst verhaalt, schijnen dus, hoewel hij ze vooral als een realistisch volk heeft beschreven, niet misdeeld te zijn geweest op het gebied der verbeeldingskracht. Dat ze zich graag onttrokken aan het betalen van cijnsgelden en belastingen leert ons zijn bekommering hun tovermiddel voor het ontdekken van diefstal toe te passen tegen hun zelf.

Hun dubbel karakter van landbouwers en soldaten wordt overigens wel treffend toegelicht door de bij hen in gebruik zijnde tovermiddelen. Het waarzeggen uit de schouderbladen van rammen of schapen veronderstelt het houden van schapenkudden. Schapenkudden worden onderhouden in streken, die niet zeer vruchtbaar zijn, of in streken, zoals toen in Pembrokeshire het geval moest zijn, die pas ontgonnen worden op het bos en weinig uitgestrekte of onvoldoende meers of weidegronden bezitten. Kleinvee vindt gemakkelijk zijn gading op het braakland en langs de zomen van de bossen, waar koeien gebrek zouden lijden.

Anderzijds veronderstelt het schouwen naar diefstallen in een zwaard het bezit van een zwaard en van wapens, waarmee de oorspronkelijke bezitters van het land, de Wallenzen, naar het diepste van hun bossen en het hoogste van hun bergen werden verdreven.

We moeten Giraldus Cambrensis dankbaar zijn dat hij, hoewel hij door zijn afkomst en zijn ambt juist niet voorbestemd was om zich gunstig uit te laten over de Vlaamse kolonisten in Pembrokeshire, ons heeft toegelaten voor zo’n vroege tijd als de 12de eeuw een vluchtige blik te werpen op de zeden en gebruiken van dat ‘moedig en sterk volk, niet alleen vaardig in het hanteren van de ploeg en van de wapens, maar ook in nijverheid en handel’, en, zoals blijkt uit de staaltjes van hun bijgeloof, niet helemaal beroofd van zin voor humor en sterkte van verbeeldingskracht.

Paul De Keyser, in ‘Annales de la société d’émulation de Bruges’ van 1934

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>