Vlaanderen in zijn pubertijd

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       4 months ago     217 Views     Leave your thoughts  

In 1997 waagde historicus A. Dewitte zich aan een vertaling van een handschrift uit 1531. Het werd geschreven door een zekere Jacob de Meyere die zichzelf omschrijft als zijnde een ‘historiograaf’. Zijn oorspronkelijk werk draagt de titel ‘Flandricarum Rerum Libri X’. Het is een heerlijke tekst die op ongeziene manier vertelt hoe Vlaanderen er in zijn puberteit moet uitgezien hebben!

De indeling van het vroegere Vlaanderen

Voor zover we hier spreken over het Vlaanderen uit de tijd van Karel de Grote en Liederik van Harelbeke, bevatte dit het Brugse ommeland en de kuststrook tot Boulogne, met bos en wad omheen Ieper, Belle en Cassel. Om het met Plinius te zeggen: dit was het tengere begin van een zo groot rijk.

Daarbinnen bevonden zich twee grote nederzettingen, Oudenburg en Rodenburg, nu Aardenburg genoemd. Beide werden vernietigd tijdens de regering van Karel de Kale door de Noormannen. Precies hierdoor zou men later vertellen dat de Burg van Brugge gebouwd werd met puin van Oudenburg.

De toen meest befaamde pagi waren Torhout, Oostburg, Snellegem, Wenduine, Jabbeke, Belle, Steenvoorde, Langemark, Bourbourg, Looberghe, Wormhout, Esquelbecq, naast vele andere, makkelijk terug te vinden voor wie vertrouwd is met cartularia en figuratieve kaarten in de oude abdijen bewaard. Vlaanderen wist zich fel uit te breiden na het huwelijk van Boudewijn de IJzeren met de koningsdochter. Enerzijds langsheen de kust tot de grens met Ponthieu en de abdij St.-Valery-sur-Somme; ten oosten langsheen de Schelde tot Vermandois en de Somme of, wat anderen dan weer beweren, tot de Oise, die in de Seine vloeit bij het verlaten van de oude provincia Belgica.

Zo verruimde Vlaanderen tot Gent, Kortrijk, Harelbeke, Oudenaarde, Douai, Rijsel, Cassel, Tournaisis en het Terwaanse, Arras, Boulogne en de ommelanden van Arras. Voeg hieraan toe Sacelinium, nu Seclin, verder Komen, Waasten, Wervik, Menen, Mesen, Tielt, Drongen en Rupelmonde, waarvan velen denken dat dit het oude slot der Pleumosii is. Alle voorgaande duidelijk oude nederzettingen die, zover ik weet, niet door andere auteurs vermeld worden dan door onze monniken, wat elders wel gebeurde naar aanleiding van griepedemieën of natuurgeweld.

Een niet ontalentrijk auteur, met zin voor het verleden, noemde in de Res gestae van Philippe II Auguste, koning van Frankrijk, de laten van Veurne en St.-Winnoksbergen Bloetini of Isangrini.

Zijn tekst gaat zo:

De vloot heft opnieuw het anker,
zoekt nu de wateren voor de kust der Bloetini,
de blankschuimende,
tot waar Vlaanderen reikt met wad en moeras,
waar midden de oorlog de krijger Isangrinus,
met zwaard en speer gewapend de akker omploegt,
waar de Veurenaar voren trekt in de grond, net naast zee,
waar de Belg zijn tot puin vervallen paleizen,
huizen, monumenten uit een oud verleden toont;
waar het geduchte volk der Nerviërs, oorlog na
oorlog voerde. Nooit slaagde Rome erin
hem onder te krijgen, hem schatting op te leggen.

Deze Belg, waarvan het getuigenis van Lucianus leert
dat hij de strijdwagen bedacht, deze Belg,
schitterend in de oorlogvoering, Rome ten spijt,
werd in de gehele wereld zo geroemd
dat een derde van Gallië zijn naam kreeg.
De kust verlatend loopt de vloot,
gevoerd door een gunstige wind, de haven binnen.
Een haven zo breed zo rustig dat de gehele
vloot daarbinnen kon worden geborgen.

Hoe fraai, riant dit Damme,
want zo noemde de plaats met zachtgolvende wateren,
vruchtbaar ook de polders
door de nabije zee; een prachtige haven, een ideale site.
Hier verwerft Savaricus zijn rijkdom, uit alle
‘s heren landen aangevoerd, buiten verwachting;
paketten nog ongemaakt zilver, stalen rood metaal,
producten uit Afrika, Indië, uit de Cycladen,
pitten om rode verven aan te maken, uit Hongarije pelsen,
en volle kratten wijn uit Gascogne
en la Rochelle, ijzererts, metalen, laken uit Engeland, uit Dacië.
Alles hierheen gestuurd tot meerdere winst
van kooplieden, steeds tussen hoop en vrees,
beducht voor toeval, voor plots noodlot
wat staat voor snelle piraten als Savaricus en consoorten,
die zich met Cadocus verstaan, die niet terugschrikken
voor het breken van dure eden,
van brede vriendschapspacten, en zo de regio
ten gronde richten. Ik althans meen dat zoveel
zondigheid ons alleen onheil brengt …. ‘

En op een andere plaats:
Bloetinus brak, na verkenning, zijn kamp op.
Elke Isangrinus, elke Veurenaar
of Belg sloot aan onder het bevel van graaf Ferrand.
Zo konden wij met onze schepen voor Boulogne het beleg maken,
waar de Franse vloot over
een brede strook verspreid lag’.

Nog over de oorlogen van Ferrand:

De aloude vete van lsangrinus en de Bloetini met de Belgen had als gevolg
dat binnenlandse twisten beide partijen uitholden.
Dure eden werden door burgertwist onwaar.
De Fransen bevechten, helpt het onderling getwist te onderbreken.
Wat verlies ik hier mijn tijd dit
beetje bij beetje te vertellen,
Vlaanderen dreef zelf zijn eigen kinderen tot oorlog.

Wie voorheen de Fransen in het verborgene haatte,
diens woede werd, door de plotse woede van de graaf
al maar groter. Vlaanderen sterk in de krijg, geoefend in
tal van wapens, rijk en overvloeiend van goederen,
een vervloekt ras door eigen onenigheid.
Gesparig op voedsel, makkelijk te verleiden,
sober in drank, schitterend gekleed, gezond, van grote gestalte,
met fraai haar, met rode gezichten en blanke,
gespannen huid, het land visrijk door wad en stroom en kanalen,
zo hinderlijk voor het verkeer van de vijandelijke troepen,
die nauwelijks ruimte hebben om binnen te vallen,
dat Vlaanderen is veilig genoeg, als burentwist er niet was.
Zie het graan op de akkers, de winst ter zee
de melk van het vee, boter van de stapel,
zie hoe de arme gronden weggebrand werden uit het moeras
tot keurige wouden vol lommer.
Zoals elders wijn wordt hier
gerst met water gemengd op een ingenieuze manier’.

Eerst werd uit dit Vlaanderen Boulogne weggenomen, daarna, rond 1090, Arras met Artois. Daarbinnen lagen vesten als Terwaan, St.-Omer, Aire, Hesdin, Béthune, Bapaulme, Lens, St.-Pol, en het graafschap Boulogne mét Calais. Dit in het westen. In het oosten kwam daarvoor in de plaats het graafschap Aalst, het land van Waas en de Zeeuwse eilanden, ooit Arborichae genoemd. Zo sprak men plots van drienamig Vlaanderen: het Flamingante, het Gallicante en Keizers Vlaanderen.

Vlaanderen Flamingant reikte van oost de Schelde tot zuid de Leie west Nieuwendijk en Artois, noord de oceaan. Die van Kortrijk wonen gedeeltelijk over de Leie, richting Doornik, doch rekenen ook tot Vlaanderen Flamigant. Ook Oudenaarde ligt compleet over de Schelde, doch allen spreken er de Germaanse taal.

Waals of Gallicant Vlaanderen is Doornik, St.-Amand, Douai, Orchies en Armentières. Hier spreekt men Frans ; het gebied heeft als grenzen oost de Schelde, zuid Vermandois, west Arras en noord de Leie en de Germaans sprekende Vlamingen.

Keizers-Vlaanderen, wat rechts van de Schelde bezit van de Keizer is, raakt aan Brabant. Het noemde voorheen Brachantum, nu het land van Aalst. Het beslaat 170 pagi met de stad Ninove en het land van Rottelare. Hierover is de Vlaamse graaf heer als vazal van het Roomse Rijk. Het is Vlaanderen-onder-het-keizerrijk.

Vlaanderen wordt met name verdeeld in graafschap Vlaanderen, Vlaanderen-onder-het-keizerrijk en Allodiaal Vlaanderen. Het graafschap onderscheidt zich van Vlaanderen-onder-de-keizer omdat het van de koning, het tweede van de keizer afhangt. De Vier Ambachten, het Land van Waas, het Overscheldse en het Dendermondse over de Schelde, rechts van de Schelde dus, noemt men contribuanten van Vlaanderen-onder-de- keizer. Zij lagen voorheen onder de keizerskroon.

Het allodiale Vlaanderen bevat Dendermonde, Geraardsbergen, Bornem. Het wordt genoemd zelfgerechtigd, aan niemand verplicht. Flobecq en Lessines, net als het Oudenaardse, waren van oudsher schatplichtig aan Vlaanderen. Door durende onmin hierover tussen de graven van Vlaanderen en Henegouwen – deze landstreken liggen middenin – worden die ‘betwiste landen’ genoemd en bestuurd door een grafelijke raad. Zo ook hechtte Lodewijk van Male Mechelen aan Vlaanderen. Filips de Goede wilde dit opnieuw ervan losmaken, en gaf de bevoegdheid over Mechelen door aan de Grote Raad.

De Schelde vloeit aan het eind van het Ardennerwoud in de Maas, zo vermeldt ook Caesar dit in zijn Commentarii. Door het geweld van de woedende zee liep de oude bedding echter onder, zodat de Schelde nu eerst in de oceaan vloeit vooraleer zijn wateren met deze van de Maas te vermengen.

Tot vandaag bestaat, zo vernam ik, bij Dordrecht een duidelijk restant van deze oude bedding waar Maas en Schelde in mekaar overgingen. Precies dit lijkt Ptolomeus overigens op zijn geografische kaart aan te duiden: hoe de Schelde uit het diepst van Picardië na mekaar Valenciennes, Mordagne, Doornik, Oudenaarde, Gent, Dendermonde en Antwerpen bevloeit. Die Schelde ontstaat oost van Amiens bij een kleine burcht, naar men zegt Beauregaert genoemd, en volgens de kaart van de geleerde Levinus Panagathus jr. stroomde deze aanvankelijk voor een deel in de oceaan, voor een deel in de Maas of een bijarm van de Rijn, die na mekaar de Maas en de Schelde opnam.

De Leie, sommigen schrijven de Legia, bevloeit Vlaanderen even lieftallig als vruchtbaar; dartel en kronkelend ontstaan ten westen van Arras in de streek van Isbergues vloeit zij via Aire en Salix Longa wat St.-Venant moet zijn, Bruel, Estaires, Arrnentières, Waasten, Komen, Wervik, het oude stadje in herinnering aan Antonius Pius, Menen, Kortrijk, Harelbeke, St.-Baafs-Vijve, Deinze, Drongen, naar Gent, waar ze zich in de Schelde stort.

De Scarpe ontstaat in Artois en loopt langsheen Douai, Lallaing, Anchin, Marchiennes, Hasnon, Elno, Mortagne, waar ze in de Schelde overgaat en meteen haar naam verliest.

De Somme, bij Ptolomeus de Prudis, loopt door Picardië en Verrnandois via Corbie, Arniens, Abbeville, le Crotoy ; zij vloeit van oost naar west in zee. Ze ontstaat ongeveer ter hoogte van de Schelde, en samen maken ze de grens van Vlaanderen, Artois en Vermandois.

De Aa, kleine rivier in het ommeland van Boulogne, de pagus Aciacus, bevloeit Fauqeumbergues, Arques, St.-Omer, Watten, noemt vanaf daar de Colme en gaat daarna gedeeltelijk naar Gravelines, gedeeltelijk naar St.-Winnoksbergen om bij Duinkerke in zee te lopen.

De Dender, ontstaan in Henegouwen, vloeit door het Land van Aalst en mengt zich met de Schelde bij Dendermonde.

Aan de voet van de Casselberg ontspringt een rivier die eerst de Peene noemt, vanaf Roesbrugge de IJzer, de Ieper opneemt, een waarachtige stroom wordt, Diksmuide bevloeit, de Zarre opneemt en dan via Nieuwpoort in zee vloeit. De hele kust ligt zo onder de durende druk van de noordwesterwinden dat kust en inhammen van deze continue wind de naam Vlaanderen zou hebben gekregen.

Inderdaad zijn wij het uiterste punt van België daar in het noorden waar men dacht dat geen sterveling meer verder kon. De noordwesterwind waait er zo hevig dat hij torens, bomen, tempels, bouwwerken optilt en vernietigd teruggooit, dat het geagiteerde watervlak torenhoge golven op de polder gooit, in zijn vaart dijken, kanalen, dijkhoofden en duinen doormidden scheurend.

Precies dit jaar 1530, terwijl ik dit werk voorbereidde, stak op 5 november een zo hevig orkaan op met een zo zware springvloed dat Calais, Gravelines en de haven van Mardijck werden vernietigd. Duinkerke, Nieuwpoort, Oostende, Sluis, Cadzand, de Vier Ambachten, Biervliet, Antwerpen en zowat gans Zeeland waren in hoge nood. Te Nieuwpoort liep een stadsdeel onder water, meerdere schepen zonken in de haven en op twee plaatsen begaf de dijk. Diep drong de oceaan het Brugse Vrije binnen. Te Oostende werd de noordpoort met een kleinere brug finaal gebroken terwijl het oude Oostende geheel onder water liep. Ook een groot deel van Cadzand kwam onder water met ongelooflijke schade.

De lengte van Vlaanderen Flamingant, van de Schelde tot Nieuwendijk, bedraagt drie dagreizen. De breedte van Leie tot zee is nauwelijks één dagreis. Het oostelijk deel, Flandria Superior; Boven-Vlaanderen, het Westkwartier, Flandria Inferior. BovenVlaanderen omvat Gent, Brugge, het Vrije, Oudenburg, Aardenburg, Torhout, waar de burcht van Wijnendale, recent door Filips van Ravestein nieuw werd ingericht, Sluis, de Vier Ambachten, Cadzand en Biervliet, beide laatste geheel door de zee omringd, het Land van Waas, Oudenaarde, Dendermonde, Kortrijk, Roeselare, Tielt. Het Westkwartier omvat leper, Belle, Gassel, bij Plinius het gebied der Castologi, elders Castellani, Waasten, Veurne, St.-Winnoksbergen, Poperinge, Diksmuide, Bourbourg, Nieuwpoort, Duinkerke en Gravelines. Spanjaarden, Italianen en andere buitenlanders menen dat Vlaanderen zijn naam kreeg vanwege het feit dat Karel V nu over het grootste getal volkeren regeert.

Flamingant Vlaanderen is ingedeeld in vier Leden : Gent, Brugge, Ieper en het Vrije. Gent, een grote beschutte stad, ligt op de samenloop van Leie en Schelde. De Lieve is niet zozeer een rivier als wel een kanaal vanuit Gent via de Brugse poort naar Damme gegraven, grotendeels met mankracht. Ook de Moere is een kleine waterloop, bijzonder nuttig voor Gent; het verzorgt de afvloeiing uit de moeren van het Waasland en de Vier Ambachten en wordt gevoed uit het hoogtij in Zeeland.

Op de manier van de Scythen noemen wij een meer en moeras een Moere dit beduidt moeder. Voorheen werden ook de Morini bij herhaling moerasbewoners genoemd. De meest gefaamde moeren die wij bezitten zijn deze van het Waasland, van Gistel en van St.-Winnoksbergen.

De stad Gent wordt in drie belangengroepen opgedeeld : de burgerij die leeft van eigen inkomsten, de ambachten, er zijn er 52, en de wevers, ingedeeld in 27 klassen. De stad wordt bestuurd door 13 schepenen, evenveel raden worden aan hen toegevoegd. Daarboven staan een hoofdbaljuw en een baljuw als grafelijke ambtenaren. Het Gentse burchgraafschap omvat Kortrijk en de stadjes Wervik, Menen, Harelbeke, Tielt, Deinze, Eeklo, Kaprijke, Lembeke, Oudenaarde en Biervliet, met de Vier Ambachten (Boekhoute, Assenede, Axel en Hulst) en daarnaast Rupelmonde en Saaftinge, St.-Pauwelspolder, St.-Gillis-Waas met de rest van het Wase ommeland, Aalst, Ninove, Marskerxken, Bornem en de steden Dendermonde en Geraardsbergen. Al deze gebieden noemt men onder het bevel van Gent omdat zij in gemeen overleg de aan Vlaanderen opgelegde belasting voldoen en in oorlogstijd samen ten strijde trekken en eenzelfde bevel voeren.

Brugge of nog Brugiae, afgeleid van brugga, wat brug betekent, ligt halfweg tussen Oudenburg en Aardenburg of Rodenburg. Het was eertijds via een zeearm, door de bevolking Reie genoemd, met de zee verbonden. De Reie nu is nieuw, niet een stroom, zelfs vrij ongeschikt. Voor het overige gaat Brugge de overige Belgische steden grotelijks voor. Zo vind ik in een brief van graaf Amulf de Grote aan de bisschop van Reims een notitie over de partus Brudgiae. Had er Grudgiae gestaan dan zou ik dadelijk verwezen hebben naar de Grudii, clientes van de Nerviërs, speciaal omdat Gruda en Grudhusa namen zijn die de Bruggelingen nu nog verbinden met een belangrijke familie en streek.

In de Vlaamse taal noemt haven port, een burger een porter. Zo lezen wij in oude kronieken Brudgiae partus, Ganda partus, Nouus partus wat betekent nieuwe port, met de betekenis van nieuwe stad, waar velen ten onrechte denken aan haven. Door de lakenhandel en het druk vertier der kooplieden was, naar mensenheugenis, in Europa geen stad of handelscentrum méér beroemd of bekend, begaan door Duitsers en mensen uit Sleeswijk, genoemd Oosterlingen, door Spanjaarden van alle slag : Castilianen, Portugezen, Aragonezen; Schotten, Fransen, Engelsen, Venetianen, Florentijnen, Genuezen, Milanezen, Luikenaars en andere naties van kooplieden.

Jaarlijks wordt hier een dubbele magistraat aangeduid: de één genoemd burgemeester van schepenen, de ander burgemeester vanden corpse of volkstribuun. Twaalf schepenen-rechters worden aangeduid en evenveel raden. De stad zelf bestaat uit de zestendelen St.-Jan, St.-Donaas, 0.-L.-Vrouw, St.-Jacob, St.-Niklaas en Carmerszestendeel, met elk een hoofdman. Samen met 52 dekens van de ambachten maken zij allen deel uit van de Grote raad van de stad. Daarnaast zijn er opnieuw twee grafelijke ambtenaren : de schouteet, stadspraetor, en de baljuw voor het buitensteedse, een naam die hij van het Vrije, buren en vrienden van Brugge, kreeg. Brugges subalterne steden of clientes zijn : Damme, Hoeke, Monnikenrede, Muide, Sluis, Blankenberge, Oostende, Nieuwpoort, Duinkerke, Gravelines, Veurne, St.-Winnoksbergen, Diksmuide, Gistel, Middelburg, Torhout, Mardijck, nu een dorpje, Lombardzijde, voorheen een haven, naar men althans beweert, aan Nieuwpoort verkocht en nu praktisch verdwenen.

Ieper, het derde luik van Vlaanderen, zou zijn naam gekregen hebben van Hyperborus, een hertog van Engelsen bloede. Ik wil liever geloven dat de naam afgeleid werd van Hypra, een kleine rivier, bijzonder geschikt voor de lakenfabricatie. In de Decretales staat de naam Hypretum, waardoor nog anderen menen dat het een afleiding kan zijn van pratum, weide dus.

De stad ligt bijzonder veilig en is goed omwald, wat duidelijk blijkt uit zijn lakenhandel en koopmanschap. Toen Ieper in 1408 door de Engelsen was belegerd en geen verweer meer kon bieden, staken de Ieperlingen de stad in brand zodat haar rijkdom hen niet zou toevallen. Na het sluiten van vrede liet graaf Filips de Stoute niet toe dat schadeclaims werden uitbetaald, omwille van de eindeloze discussies die dit zou mee brengen. Hij stuurde de bevolking naar Poperinge, Wervik, Menen en andere Vlaamse sterkten, precies alsof hij hen over uitwijkplaatsen verdeelde.

leper wordt bestuurd naar het model van de andere Vlaamse steden middels eigen privileges, gebruiken en zeden. De hoogste magistraat is drieledig: de heer, de hoofdbaljuw en de baljuw. Het schepencollege bestaat uit dertien man; zoals bij de andere steden worden die jaarlijks vernieuwd. Daarnaast staat de burggraaf, zoals dit in het Nederlands noemt. Tot de cliëntes van Ieper behoren de oostelijke ambachten Belle, Poperinge, Waasten, Mesen, Roeselare met de cliëntes van Cassel.

Het vierde lid van Vlaanderen is het Vrije, aan de overige 3 toegevoegd door Filips de Stoute en Margareta van Male. Het grootste gedeelte van de schepenen bestaat uit edellieden die de graaf, om de goede gang van zaken, in alle zittingen van de Leden van Vlaanderen vertegenwoordigd wilde zien. Het Vrije bestaat, naar ik meen, alleen uit het Brugse ommeland en draagt die naam omwille van de vrijheid die het genoot. Origineel stond het onder de leiding van de burggraaf van Brugge,Jan van Nijvel, die ook door de befaamde G. Budé wordt geciteerd, verkocht dit burggraafschap aan Joanna van Konstantinopel. Ik meen dat de naam van de kastelein van Brugge, van het Love-kasteel op de Burg komt, nu belangrijk bezit van de Vrijlaten, waar ze een landhuis oprichtten voor hun burgers die geen enkel recht bezaten.

Het Brugse Vrije omvat 35 ambachten of omschrijvingen en 29 appendante ambachten. Daaronder Lichtervelde, Maldegem, Sijsele. Binnen deze stadsstaat ligt de hoogste macht bij de baljuw met zijn voor het leven benoemde huissiers, ammans genoemd. Het is hun taak de bevelen van de magistraat, verordeningen en rechtsdaden, te melden in dorpen en steden. Aan het hoofd van de magistraat staan 4 consuls, burgemeester genoemd, drie van schepenen en een vierde van de commune. Er zijn 27 schepenen voor het leven benoemd, tenzij de graaf hen vervangt of zij wegens criminele feiten worden afgezet. Als er oorlog is wordt het détachement van het Vrije gevolgd door de drie andere : deze van het Veurnse ommeland, van St.-Winnoksbergen en van Bourbourg of Broucburch.

Over het ontstaan van het Vrije en zijn gewoonterecht vertelde J.L. Vives, een man van uitzonderlijke precieze geleerdheid (die, als tot meerdere luister van Vlaanderen, Brugge als verblijfplaats koos en daar ook een vrouw vond; van geboorte Spanjaard, Vlaming uit vrije wil), dat hij van ouderen en vooraanstaanden van het Vrije het volgende vernam. Ooit bestonden omheen Brugge vrij rijke gronden die vee en voedsel brachten voor het behoeftige en noodlijdende Brugge.

Zij onderhandelden over hun vrijheid zodat zij, los van Brugge, onder de jurisdictie kwamen van een kastelein of burggraaf. Toen zij talrijk genoeg bleken te zijn, gingen zij op de graaf toe en vroegen hem eigen jurisdictie en een eigen landhuis. De graaf, het was, meen ik, Filips van den Elzas, zag hier een schitterende kans om de macht van Brugge tegen te gaan door haar medestanders en cliëntes te ontnemen, en ging maar al te graag in op hun vraag. Hij gaf hen jaarlijks vier burgemeesters, en schepenen voor het leven benoemd, geheel uit welwillendheid en schreef voor dat zij te Brugge in de Love hun vergadering van afgevaardigden zouden houden, en er een vaste Raad hebben; en dat zij, in oorlogstijd, onder de vlag van Brugge mee zouden opstappen. Hierom worden zij Vrijen, Francostae, genoemd.

Vijf bisschoppen delen in Vlaanderen de macht: deze van Doornik, van Terwaan, Arras, Kamerrijk en Utrecht. Onder Doornik vallen de aartsdiakonaten Doornik, Gent en Brugge. Twaalf dekens hebben volgend aantal parochies onder zich: die van Doornik 63, van Gent 67, de Brugse 49, die van Rijsel 54, van Kortrijk 42, van Seclin 30, Helchin 32, Oudenburg 44, Aardenburg 27. In deze laatste dekenij liepen de parochies en pastorieën Avekerke, Hamme, IJsendijke, Nieuw Roeselare, Oostmanskerke, Romboutswerve, Westende, Vulpen, Vremdijk, Watervliet, met de hermitage van de abdij der Willelmijnen, onder water. Dit gebeurde op 9 oktober 1374. De Wase dekenij beheert 38 parochies, die van Oudenaarde 37, die van Roeselare 32.

De bisschop van Terwaan bezit in Vlaanderen één aartsdiaken met 12 dekens, deze van Marck met 7 parochies, Bourbourg 21, Winnoksbergen 29, Veurne 21, Diksmuide 15, Zanthove – hier is bedoeld Nieuwpoort – 8, leper 25, Poperinge 19, Belle 14, Merville 13, Cassel 25, Arques 14.

Douai en Armentières met afhankelijkheden horen toe aan de bisschop van Arras. Aan Kamerijk hoort het stuk Doornik over de Schelde toe en de ganse Overscheldse heerlijkheid, daaronder de stadjes Aalst, Geraardsbergen, Ninove, Dendermonde en Pamele onder Oudenaarde-over-de-Schelde. De Utrechtse bisschop heeft onder zich de Vier Ambachten: Hulst, Boekhoute; Assenede en Axel. Utrecht beweert inderdaad, zich steunend op de Acta Pontificorum, dat haar bisschop van oudsher het beneficium mêt cliëntele erover had. Op die manier is de graaf van Vlaanderen leenman van de bisschop.

De Vlamingen leggen zich in hoofdzaak toe op de fabricatie van laken, niet alleen met wol die ze aan zichzelf hebben, doch die zij verder importeren uit Spanje, Engeland, Schotland. Zij maken er alle slag van lakens uit, die in alle steden van de christenheid door kooplieden worden verkocht.

Ze maken er verfijnde dekkleden van en slopen, dekens, overtrekken en capes, en alle soort andere kledij, die bovendien uitstekend in de markt ligt. Naar ik hoorde leerden andere naties dit linnen- en laken weven van vrouwen uit Vlaanderen daarheen uitgeweken. De Engelsen bij voorbeeld leerden, naar meerderen beweren, de kunst van het verven van ons. Aan dit gespecialiseerd werk verdienen ze een royaal inkomen. Daarnaast vrijuit gekleed met linnen en lakene pakken, verzetten zij bergen werk in de landbouw.

Ze verbouwen in hoofdzaak twee graansoorten tarwe en typhe, door de bevolking niet geheel exact vertaald naar haver. Deze typhe, ééngranige tarwe, is vrijuit de beste graansoort. Op veel plaatsen beschikt Vlaanderen verder over weiland beter dan landbouwgrond, waardoor buitenlands graan moet worden ingevoerd. Dit komt dan uit Vermandois, Artois, de streek ven Amiens en Kamerijk, die met hun gronden beter dan de onze, steeds gewassen blijven leveren.

De Baltische Staten met hun buren, die wij alle gelijkelijk Oosterlingen noemen, en Spanjaarden en Engelsen zijn gewoon ook graan te sturen en graan af te nemen. Gerst, haver,bonen, erwten, katoen, vlas, hoppe, rapen en andere vruchten brengen verder een goede oogst. Op vele plaatsen worden de akkers gemergeld.

Maar in de kuststreek zijn de polders zo vruchtbaar dat noch bemesting noch drieslagstelsel er nodig is. Binnen-Vlaanderen brengt welige graanoogsten op en valt op door de vruchtbaarheid van de bovenlaagse grond, die veelvuldig typhe opbrengt terwijl in de buurt van Brugge en Gent de grond niet zo steriel is of sommigen slaagden er in deze slechte, ongecultiveerde grond om te zetten in landbouwgrond.

Olie wordt gewonnen uit lijnzaad en rapen; uit appels wordt een suikerdrank gedistilleerd, terwijl uit noten ook een notenextract wordt gemaakt. Boter, melk, kaar, haring, vlees, elke soort riviervis en zeevis behoort tot het dagelijks voedsel in Vlaanderen. Kaas, boter en haring worden geëxporteerd, niet alleen naar de nabije buren, maar ook ver weg, als om prijs. Uit Bretagne krijgen zij van de kooplieden het ongerede zout, dat zij verwerken en laten schitteren en ook gebruiken om haring en vlees langdurig te bewaren. Naast Antwerpen bezitten Sluis, Oostende, Nieuwpoort, Duinkerke en het Engelse Calais havens waarheen koopwaar uit gans Europa wordt gebracht, en waar ook de visserij en alles wat met de zee te maken heeft, wordt verhandeld.

Brugge bezit voor wat België betreft een unieke stapel en groepering van kooplieden, hoewel door de duidelijke regressie Antwerpen nu op het voorplan komt. In Vlaanderen wordt geen wijn verbouwd, wel ingevoerd uit Frankrijk en Duitsland; maar deze is door het lange transport en door de heffingen vrij duur.

Bier wordt er echter volop gedronken, gedeeltelijk aan huis vervaardigd, gedeeltelijk geïmporteerd uit Holland, Duitsland, Engeland. Dronkenschap, jammer genoeg, wordt vrij licht opgenomen. De dolk aan de gordel gaat men veelvuldig gewapend naar de landelijke herbergen, waar men onder het drinken vlug op de vuist gaat, ja overgaat tot doodslag. Het is een volk dat een zo rood aangelopen gezicht heeft, dat meerderen denken dat het van deze felrode kleur de naam Flammenses kreeg.

De Vlaming bezit een robuuste lichaamsbouw, doch is vrij verschillend van postuur, zowel lang als kort als geblokt. Bij diverse lokale opgravingen bleek uit skelet en schedel, die van een verblindende gaafheid waren gebleven, dat de vroegere bevolking beduidend forser was. Naar men vertelt kwam voorheen hier een ras uit Engeland van reuzengestalte ook de Cimbren en Teutonen, van wie men beweert af te stammen, bezaten een grotere lichaamsbouw. De auteur Pomponius Mela schrijft dat in zijn tijd de Teutonen het Bretoense eiland Cadanonia, tegenover Germanië, in bezit hadden ; waaruit wij wellicht kunnen afleiden dat de Rutheni hierheen trokken, gezien vooral de bewering dat het een Northumbrische en Albiaanse stam betrof.

Dronkenschap is slecht voor wie aan zee woont, een ondeugd toegeschreven aan de zware zeelucht die de spijsvertering zou activeren. Noch bij trouwpartijen, eetgelag en diners, noch in kledij of lichaamscultus houden zij nauwelijks enige maat. De adel kan nauwelijks een uitschieter aan kledij of eetmaal bedenken, of het plebs volgt dit direct na. Er is nood aan een wet die de consumptie aan banden legt.

Hoe dichter je de zee nadert, des te vrijpostiger, opener en meer Germaans zien de Vlamingen eruit; hoe dichterbij Frankrijk, des te gecultiveerder, humaner en warmer ze zijn. Allen echter zijn van nature fier, en zoals geen volk ter wereld een groter vrijheid bezit, zo is er ook niemand ter wereld die er meer op staat. De vrouwelijke sekse is er bijzonder uitdagend en werelds, doch niet vrij van verspilling en ambitie. Bruggelingen en Gentenaars, verschillen in menig opzicht van mekaar. Schitterend, praalziek, verfijnd, vrijgevig, mild delend kan je de Bruggeling noemen. De Gentenaar echter is meer spaarzaam, meer gereserveerd, toont minder wat hij kan, gaat zijn gang minder ostentatief, in minder luxe. Als je dit volk beter kent is het binnenin goed en bedacht op de hulpbehoevende.

Beide gaan zij de overige Belgen vooraf door de pracht en praal van hun bouwwerken, zowel tempels als klokkentorens, met wonderbaarlijk gebeier. Zij worden gevormd midden het geklingel en de zang van vele cantilenen. Eenmaal het ware geloof aanvaard bleven zij dit bewaren, zelfs midden de meest ongehoorde afwijkingen. Zover ik weet kwam nimmer enig spoor van ketterij bij hen op, zelfs niet in onze voor de kerk zo beroerde tijd.

Inderdaad, als hier iets indruist tegen de door de kerk opgelegde leer, dan is het ergens anders vandaan hierheen gebracht, niet hier ontstaan. Ook het Lutheranisme, dat meerderen onder ons aanhangen, leerde men ergens anders. De ouderen leren ons overvloedig om de zeden van ons volk (fol. 4lv.) toch maar niet anders te maken; hoe wij voorheen veel eenvoudiger, opener, minder onoprecht, trouwer met mekaar omgingen; hoe wij sterker, vitaler, robuuster, groter, minder toegelegd op wellust en uiterlijkheden van de dingen, minder tuk op bruiloften, eetmalen, kleedpartijen, meer de goede dingen betrachtten.

Nu echter degenereerden wij door rijkdom en langdurige vrede tot nietsdoen en weken van de oude deugden af; werden lui, gierig, hoogmoedig, corrupt. Wij devalueren door overspel, veelvuldige kwaal, die voorheen nauwelijks voorkwam; wij verwekelijken schrikwekkend want nooit werd de wet, die overspel moest inperken, schandelijker genegeerd. Ook de zuiverheid van het priesterschap bekoelde; wonder hoe weinig van het originele concept van frisheid, onschuld en begeestering overbleef. Veel minder processen wezen voorheen de schuldige aan; geschillen werden tussen vier muren door het wijze oordeel van viri boni beslecht.

Aan- en verkoop gebeurde via weinige getuigen, zelfs zonder getuigen en dit in louter wederzijds vertrouwen. Nu moet alles via schrift en tegenschrift bevestigd worden, alleen omwille van de kwade trouw, geheel vreemd aan onze voorouders.

Te Brugge en Rijsel ziet men de zijdedraad uit Spanje bewerken en er bijzonder geraffineerde weefsels uit maken. Men heeft daar de gewoonte daarvoor zijdewormen te kweken om daaruit de gesponnen draad te winnen. De Hollanders bezorgen ons paarden, bier en linnen. Friezen en Normandiërs voeren ossen aan. Zelfs kweken wij een fraaie veestapel en een stoet paarden, die de Fransen aan hoge prijzen bij ons opkopen. De boter om het laken te smeren komt van Friesland.

Behalve de vrij zware lucht aan zee is de atmosfeer elders goedertieren en aangenaam. De grond zelf bewaart tot op vandaag iets van het vroegere bos, via zijn naamgeving als Nieppe, Belle, Wijnendale, Houthulst. Onder de bergen verdienen vermelding de Casselberg, de Katsberg, de Zwarte berg en de Scherpenberg, Geraardsbergen en Mont de la Trinité, bij Doornik. Het vuur stoken wij met bijzonder goede houtsoorten die overal voorhanden zijn, behalve aan zee, waar helm wordt gebruikt en zwarte asfalt, darinc genoemd, wat een vrij akelige geur verspreidt wanneer stro en aan de grond gedroogde ossedrek mee worden verbrand. Overal zie je de luisterrijke boomgaarden, tuinen, weiden, de schaduwrijke bossen, stromen en tuinen, de ongelooflijke weelde aan jonge planten, bloemen, heesters, dit alles in zo grote overvloed en bloei ; verder wondere variaties aan geneeskrachtige kruiden, dat het de vreemdeling telkens opnieuw verbaast.

Precies door de koude temperatuur hier worden wij minder aangetast door ziekte, hitte en alle soort pestilentie. Naar het getuigenis van onze voorvaderen was destijds in Vlaanderen de pokken, deze schurftige huidziekte, nagenoeg onbekend. Epilepsie wel; je kon hen die eraan leden voornamelijk op St.:Jansdag te Brugge hun devotie zien doen. Verder is het in Vlaanderen een verderfelijke gewoonte, wanneer men gaat schelden, zowat mens als dier de vallende ziekte toe te wensen.

Ze hebben wel dit aardigs dat, bij geval hen iets onvoorziens tegengaat, zij na beraad oordelen nog voor hetere vuren te hebben gestaan. Bovendien noemen zij iemand zonder manieren een zatterik. In Vlaanderen bestaat verder een groot getal leprozen. Gezien onder die ziekte grote variëteiten bestaan, worden dezen, die lichtvaardig ziek werden bevonden opnieuw gezond verklaard en tot de gemeenschap toegelaten.

Het is hen toegelaten zonder enige schroom te bedelen. Overigens bevond zich dezer dagen in Vlaanderen een zo grote groep burgers en vreemdelingen die op aalmoezen uitgingen, dat men helemaal niet meer kon uitmaken wie wel en wie niet behoeftig was. De op deze wijze belaagde steden hadden een dringende nood aan een reglementering om deze onbeschaamde bedelarij te keren. Zo wordt nu zorgvuldig opgelet dat de behoeftigen van stadswege worden ondersteund, en bedelarij is alleen nog toegestaan voor wie door ouderdom, ziekte of een lichaamskwaal niet tot werken in staat is.

De kinderen der armsten worden van de straat weggehaald en opgevoed, gekleed en op school gezet of een ambacht geleerd, op kosten van de gemeenschap. Niemand gezond van geest ofleden mag nog uit bedelen. Vreemdelingen worden in publieke instellingen opgenomen en na één nacht, tenzij zij werkelijk ziek zijn, verplicht op te stappen. Door middel van een streng edict slaagde men erin deze opdringerige en subversieve groep bedelaars, die de Fransen bliteri noemen, weg te houden.

Te leper poogde men zelfs volgende reglementering. Elke vorm van bedelen binnen de stad wordt verboden, de bedelorden uitgezonderd. Via de inkomsten van de armengelden en hospitalen, en geholpen door vrijwillige bijdragen van vrome stedelingen, worden alle « eigen » armen onderhouden. Naar ik hoorde zijn echter tal van bedelmonniken venijnige bestrijders van een dergelijke planning geworden en durven ze hen, die de armenzorg beheren, voor de rechter aanklagen alsof deze onrechtmatig optreden ten aanzien van de eigen of buitensteedse armen.

Alsof zij onderdak weigeren of hen de stad uitwijzen, en aan de eigen burgers op een criminele manier het noodzakelijke weigeren. Zij beweren dat zij een dergelijke vernieuwing nergens op kerkelijke auteurs of keizerlijke edicten teruggaat. Dat deze armenzorg onder de bevoegdheid valt en onder het juiste oordeel van weinigen, en niet onder dit van de bedelmonniken zelf, wie het in de eerste plaats aangaat.

Dat met de inkomsten van de kloosters en kerkelijke instellingen, grappenmakers, dobbelaars, dronkelappen, verkwisters, hoerenlopers, worden gevoed die in de herbergen en met kansspelen, of ergens anders hun eigen armoede hebben gevonden. Op een dergelijk publiek, menen zij, willen de rijken vandaag hun piëteit richten.

Ik weet niet of het juist is, doch men vertelt daarnaast evengoed dat de woede van de bedelmonniken zijn oorzaak vindt in het feit dat de testamenten en dotaties, die hen vroeger toevielen, nu via de stadsschatkist rechtstreeks naar de armen gaan. Wat er ook van zij het is in elk geval duidelijk dat de kloosters en opvangtehuizen door onze voorvaderen werden gedoteerd niet alleen om de nood van de behoeftigen te dekken, doch om elke nood te lenigen.

Hiervan bestaat een merkwaardige stichting van de heilige Lodewijk IX waar zieken op de meest progressieve manier worden bijgestaan, een model te Parijs, doch voor geheel Frankrijk, zelfs voor de gehele christenheid. Het is immers heel erg fraai dat onze buren, die door de laatste oorlog of door het stormgeweld dit jaar en de overstromingen hun bezit kwijt geraakten, dat dezen in Vlaanderen soelaas vinden voor hun miserie, dat hier nog een sprankel broederliefde overbleef, dat de vloed van medelijden niet afgestopt wordt voor wie deze het meest nodig hebben.

Ons spreekwoord is overigens heerlijk dat zegt dat wij alleen dan gelukkig zijn, wanneer wij kunnen geven, voornamelijk het goeddoen aan armen betreft. Karel de Goede, graaf van Vlaanderen, wordt nu nog onder de Belgen geroemd omdat hij te Ieper 7800 broden met kledij en geld zou hebben gegeven aan de noodlijdenden, en dit op één dag, zonder onder hen die dit kregen onderscheid te willen maken. Zeker is dat van heinde en verre de ongelukkigen naar de vrijgevige en piëteitsvolle vorst kwamen toegestroomd. Ik zou echter niet graag hulp bieden aan die benden, die schandvolle vloed havelozen, deze poel van verderf, deze kweekplaats van ontucht waarover een ‘lofdicht’ bestaat van Baptista Mantuanus:

Armoede, vijand van goede zeden, die alles naar zonde toe beweegt, Meesteres van zonde en misdaad. Wij weten natuurlijk niet hoe dit Ieperse model, evenwichtig uitgevoerd, de gemeenschap tot nut zal strekken, of het velen van ledigheid, van onwaardig leven, van diefstal, van herbergen, van de galg zal afhouden. Zouden onze monniken, onze zovele steenrijke priesters hun gebenedijde handen durven afhouden van een dergelijk opzet?

In dit jaar 1531 ontstond in de zomer in België een bijzonder besmettelijke ziekte, de Engelse zwetende ziekte genoemd. Er zijn er die haar omschrijven als een ééndagsziekte. Wie erdoor is aangetast krijgt het aan de buitenzijde vreselijk koud, terwijl zijn lichaam binnenin als door vuur wordt verteerd. Men sterft er normaal van binnen de 24 uur. Te Brugge overleden op die manier zowat 300 mensen, te Gent ongeveer evenveel, vooraleer men de kwaal herkende en kon remediëren. Er bestaat inderdaad een afweermiddel, doch slechts aan weinigen bekend. Heel belangrijk is, zohaast de ziekte zich meldt de patiënt voor koude en de geringste slaap te behoeden. Hij moet in bed worden gehouden en er zo hard mogelijk zweten. Men denkt dat door dit zweten dit branden binnenin wordt overwonnen.

Nooit zag men de Bruggelingen in zo grote verwarring en paniek. Te allen kante werden testamenten opgesteld, akkoorden gesloten, vijandschappen afgelegd, wederzijdse beledigingen vergeven ; men stroomde samen bij priesters, voor het altaar, allen in tranen en overal werden rondgangen en novenes voor de relieken der heiligen georganiseerd. In deze stoeten stapten de kinderen achter hun ouders op, lange koorden uit vlas vastgehecht aan hun kledij, in smeektocht gingen zij op de reliek van het Heilig Bloed af. Niets werd nagelaten om de woede van het lot te keren en de hemelse vreugde te verkrijgen.

In Vlaanderen gebeurt de landbouwcultuur niet per dorp omheen een kerk, zoals wij dit bij de meeste volken kennen, doch de boeren wonen verspreid over velden en bossen. Elk bezit zijn eigen akker, boscage, weide en grasland, zijn eigen boomgaard. Men wedijvert onder mekaar in de jacht, vogelvangst, visvangst. Het hert, hazen, konijnen, evers en elke vogelsoort komt overvloedig voor. Uit de boomgaarden en de veestapel is het gewin belangrijker dan uit de aangeplante of gezaaide vruchten. Duur en kostelijk echter is hier alles wat mensenkledij en voeding betreft .

Dit lijkt mij veroorzaakt te zijn zowel door de mateloze zucht naar luxe en consumptie bij ons als door de grote groep buitenlandse kooplui, die bij ons zowel kopen als goederen aanvoeren, met wisselende winst. Die goederen dienen eerder de zucht naar luxe en verzwakking der zeden dan zij het publieke nut betrachten.

Het was niet onze bedoeling de rijkdom van Vlaanderen in detail te beschrijven, noch een opsomming te brengen van haar genie, haar kunst, haar inspanning, koopmanschap, haar literair kunnen. Ik dacht dat het goed was een stel dingen hier voor het eerst aan te raken alleen, veel geheel onbesproken te laten, bouwstoffen tenslotte voor een completere beschrijving te hebben aangebracht. Het ontgaat mij niet dat anderen op dit vlak mij zijn vóórgegaan, met mij rustig kunnen concurreren ook, terwijl ik niet eens aanspraak kan maken op hun eruditie, hun schitterend betoog, hun grotere feitenkennis.

Uit ‘Handelingen van het genootschap voor geschiedenis van 1997’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>