Vlamertinge en de acht parochies

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  , ,      2 years ago     996 Views     Leave your thoughts  

Als parochie maakte Vlamertinge deel uit van “Veurne ambacht” of de kasselrij Veurne tot in 1759. Maar als lid van de Acht Parochies, moest Vlamertinge niet bijdragen in de algemene belastingen van de kasselrij en moest het ook de leiding van de magistraat van de kasselrij niet aanvaarden, tenzij wat betreft de verdeling van de belastingen. Deze eigenaardige situatie bracht meermaals conflicten met zich mee: “Vlamertinge was voor de revolutie een soort republiek. Alhoewel het tegen de poorten van leper lag, maakte het geen deel uit van de kasselrij, maar behoorde tot de Acht Parochies. Deze hadden de meest verwarde administratie van Vlaanderen en leefden altijd in conflict met de magistraten van de kasselrij Veurne.”

Alhoewel men niet meer de juiste grenzen kan bepalen van het district dat de eerste burggraven van Veurne bestuurden, kan men wel vaststellen dat het primitieve Veurnambacht, nl. dat van vóór de 12de eeuw, bestond uit heel het grondgebied, gesitueerd tussen Ijzer en de zee – inbegrepen Sandthoved (Nieuwpoort) en het dorpje Lombardsijde – ten noorden waarvan de Ijzer dan de monding had.

Dit terrein vormde het grootste deel van de oude “Ysereticus pagus” (Ijzergouw), die ten noorden begrensd was door de zee, ten westen door de rivier de Aa, ten zuiden door het grondgebied van de Menapiërs en ten oosten door de Ieperlee.

Rond 1164, nadat de loop van de rivier was rechtgetrokken, werd Nieuwpoort en Lombardsijde van Veurneambacht afgenomen. Terzelfdertijd kreeg Nieuwpoort de titel van “stad” en werd het van versterkingen voorzien.

De oudste parochies van de kasselrij Veurne zijn Alveringem. Bulskamp, Haringe, Houtem, Vichtem en Wulveringem, omdat de kerken er nog de sporen dragen van constructies met ijzerhoudende stenen, geplaatst in “opus incertum”. Natuurlijk kunnen er nog meer dergelijke gebouwen geweest zijn.

In de 17de eeuw werd de kasselrij onderverdeeld in “Noordt” en “Suydvierschaere”. Zij had een oppervlakte van 77755 gemeten, 135 roeden, waar de duinen niet inbegrepen zijn. (Ieder gemet bevatte 300 roeden en iedere roede bevatte 12 Franse voeten) en bestond uit 32 amman-domeinen, in totaal 42 parochies, waaronder deze van Valkeravenkinderkerke en Rellemscappelle met een bevolking van 65 à 70000 inwoners.

Voor de 17de eeuw werd de kasselrij ook in twee delen onderverdeeld, nl. “de keure” of “de casselrie” en “het ambacht”. Deze verdeling beperkte zich echter tot het feodale. De “keure” of “cuere” bevatte de steden, die aan de koning toebehoorden. Zij werd de eigenlijke kasselrij. “Het ambacht” daarentegen bevatte de dorpen, die behoorden aan vazallen of particuliere heren. Kort gezegd is het ambacht niets anders dan het grondgebied van de Acht Parochies, ook “Generaliteit der Acht Parochies” genoemd. Zij werd gesticht in 1758-1759 in “corps distinct” en bevatte volgende dorpen en hun oppervlakte gemeten in roeden:

Watou 5333
Reningelst 3531
Noordschote en Zuidschote 3100
Vlamertinge 2856
Elverdinge 2200
Loker 1307 150
Woesten 607

Vervolgens 11 verenigde “Branches” die een geheel uitmaakten van ca. 2826 gemeten: Elsendamme, ‘t Vrye van Crombeke, ‘t Swylandt, Copernolle, De Templiers, Eversam, Diepezeele, ‘t Couthof, ‘t Laetschap in Reninghe, ‘t Hof landt in Reninghe en Crommenelst (enclave in Vlamertinge) . Bij decreet van 7 november 1772 werden nog andere gronden toegevoegd aan de Acht Parochies: ‘t Vrye van Ryssele, Bercle (met de sectie van Sint-Catharinecappelle in Bercle) , ‘t Hofland in Cassel; en in 1781 Westoutre en Vleminchove. Deze 6 gebieden werden aangeduid met de naam “de verenigde Branches”.

Vaststellen hoe alle dorpen van Veurneambacht in verbinding stonden met de magistraat van de kasselrij en ook onderling, is niet gemakkelijk. In de gespecialiseerde werken vindt men immers niet altijd juiste aanwijzingen. De “ammans”, vertegenwoordigers van de grootbaljuw van de kasselrij, kunnen wel beschouwd worden als de belangrijkste tussenpersonen tussen de centrale administratie en de administratie van iedere lokaliteit. De ammans hadden onder hun bevel één of twee adjuncten, gekend onder de naam “dienaers”.

Na de ammans kwam de baljuw (voor de dorpen, die geen amman hadden); dit is het geval voor Vlamertinge, dat eerst één enkel baljuwschap vormde met Elverdinge. Zoals bijna overal in West-Vlaanderen, werd in Vlamertinge de leiding van de parochiezaken van rechtswege aan de vergadering van de notabelen toevertrouwd. Onder “notabel” verstond men vooreerst diegenen, die tot de adel behoorden, vervolgens de magistraten, de schepenen in functie of zij die nog deel genomen hadden aan het bestuur.

Om de drie jaar duidde de heer onder deze notabelen 9 schepenen aan (scepenen, wethouders, maar meestal keurheers) . Men kwalificeerde hen officieel aldus: “Eer, ende voorsienighe heeren Bailliu, Schepenen ende Keurheers, vande prochie van Vlamertinghe”. Het gemeentebestuur noemde men “wet”, het gemeentehuis “wethuus” en het lokaal, bestemd voor het bestuur de “wetkamer”. De eerste schepen had de titel van “Voorschepen ende Keurheer”. Onder het Ancien Régime had Vlamertinge geen burgemeester. Wanneer er een plaats van schepen vacant was, koos de heer er een uit een lijst van 3 namen, voorgesteld door de schepenen in functie.

Alhoewel de baljuw geen schepen kon zijn, was hij bij wet voorzitter van het bestuur en de openbare akten werden aan hem voorgelegd. De baljuw werd eveneens benoemd door de heer en had de dubbele functie van administrateur en man der wet of recht. Hij had onder zijn onmiddellijk bevel 2 sergeanten (brigadiers), één voor de keure en de ander voor het wethouderschap. Bij de uitoefening van deze functie namen zij soms de naam van amman aan. De administratieve documenten werden door de parochiegriffier bijgehouden. Ook hij werd benoemd door de heer. De functies van omroeper (uutrouper) , bode, drager van boetes en berichten, werden vervuld door de ondergeschikten van de baljuw, soms zelfs door de klerk van de kerk of de “magister”. De officiële mededelingen werden gedaan op de “bretesque” dicht bij de kerkdeur ” ter kerckstichele der prochie, ten uitkommen van den volcke naer den goddelyken dienst van de hoogmisse”.

In Vlamertinge was er slechts zelden een ontvanger, gezien men elk jaar de belastingsregisters toewees aan diegene, die het minst salaris vorderde. Of, indien men het anders wil begrijpen, aan diegene die aanbod om de som te betalen die het dichtst de totale som van de belastingsrol benaderde, De belastingsboeken werden “pointingboucken” of ” setting-boucken” genoemd.
Men kende slechts een algemene rekening van de parochie, die alle geïnde belastingen bevatte onder de naam “uitsendt en binnencosten”.

Bij het begin van ieder jaar zond het college van de generaliteit van de Acht Parochies een staat van bijstand, subsidies, schadevergoedingen en andere algemene betalingen, waarin de parochie moest bijdragen voor zijn “quote part”, aan de schepenen van Vlamertinge. Dit was de “uitsendt” of met andere woorden de directe belastingen.

Daarenboven moesten de parochiale magistraten jaarlijks een staat opstellen van alle andere kosten, gewone of buitengewone, die de parochie zelf moest dragen. Dit waren de “binnecosten”.
Bij deze gelegenheid kondigde men de eerste of tweede zondag van het jaar, na de hoogmis aan, dat alle inwoners, die aanspraak maakten op vergoedingen door de parochie, zich op een vastgestelde dag moesten begeven naar het wethuis, om te worden ingeschreven op de reeds genoemde kostenstaat. Deze bijeenkomst werd met open deuren gehouden en iedereen had het recht eraan deel te nemen.

De grootgrondbezitters (groote gelanden), lieten zich vertegenwoordigen door 2 afgevaardigden en de andere bewoners van de parochie door 2 of 3 notabelen. Allen tekenden de onkostennota. Vervolgens werd het document gesloten door de baljuw, de voorscepen en de andere schepenen. Tenslotte werd het verstuurd naar de magistraat van de Generaliteit.
Deze schreef zijn bemerkingen in de rand van ieder artikel en zond het terug naar de plaats van herkomst. Vervolgens maakte men de nota bekend. Drie “pointers” en “setters” van de parochie -eveneens benoemd om de drie jaar door de heer- kwamen samen met het doel de belastingsverdeling door te voeren (poinctinghe en ommestellinghe) per hoofd of stuk grond voor de totale som van de 2 staten.

De verdelingsakte werd bij deze staten gevoegd en door de griffier teruggezonden naar de schepenen van de generaliteit.Nadat de nota van de belastingen behoorlijk goedgekeurd teruggekomen was, maakte de magistraat van de parochie de “poinctinghrolle” op per haard of familie en men maakte haar tot onderwerp van een openbare goedkeuring. De aanbesteder of landbouwer, die tevoren een solvabele borgtocht had gegeven, werd voor dat jaar ontvanger van de parochie. Hij liet onmiddellijk bekendmaken dat hij het mandaat van ontvanger had gekregen. Hij vereffende op bevel de betalingen ten laste van de parochie, verzorgde de binnenkomende belastingen, verdeeld en uitgebracht op een rol.

Hij was er toe gehouden op het einde van zijn dienst aan de algemene ontvanger van de generaliteit het quote part van de parochie in bijstand, toelagen enz… te betalen, behalve de betwiste sommen. Op het einde van het jaar, of zelfs vroeger, indien hij erin geslaagd was de staat geheel te betalen voor Pasen, kondigde men de dag aan waarop de rekening van de parochie werd gesloten. Op die dag kwam de vergadering “met open deuren” een laatste maal opnieuw bijeen en een afgevaardigde van het algemeen college kwam assisteren bij de sluiting.

Dit bleef zo gedurende eeuwen zonder belangrijke wijzigingen en toen Vlamertinge in 1759, bij decreet van 30 augustus, bij de Acht Parochies bleef, werd niets veranderd aan dit systeem, ondanks het feit dat de Acht Parochies voortaan een “corpus” of afzonderlijke territoriale gemeenschap vormden Men had eenvoudig de tijd niet meer, want de revolutie stond voor de deur. Wij spraken net over buitengewone onkosten. Bijvoorbeeld: elke inwoner van het dorp betaalde een jaarlijks hoofdgeld van 12 stuivers parisis aan de souverein voor wat “het maelderierecht” werd genoemd. Enkel de armsten kregen vrijstelling.

Voor een werkpaard betaalde men (elke maand en dat gedurende 8 maanden per jaar) 8 stuivers parisis aan de prins. Voor een rund of een koe betaalde men 6 stuivers parisis. Voor een schaap of een ooi betaalde men 1 stuiver parisis. Dit noemde men het “bestiael recht”. De souverein ontving bovendien nog 3 stuivers parisis en 9 deniers parisis per stoop wijn en 3 ponden 10 deniers per ton bier. Dit was het “accyns-recht. Voor brandewijn waren de rechten nog hoger. De souverein genoot bovendien nog van het “cantienrecht”, daar hij het monopolie bezat van de likeurhandel.

De parochie had ook het recht om belastingen te innen:
– het tavernrecht: 16 stuivers per ton bier, 3 parijse schellingen per stoop wijn, verbruikt binnen de parochie.
– het straetrecht: 2 oortjes per paard dat gebruik maakte van de weg Poperinge-Vlamertinge.

….

Fragment uit ‘De Geschiedenis van Vlamertinge’ van Emile Vanden Bussche uit 1983

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>