Vlamertinge in de jaren 1300

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in  ,      1 year ago     484 Views     Leave your thoughts  

Kleine kroniek van Vlamertinge

1301

Het kapittel van Sint-Pieter van Rijsel komt tussen in de heropbouw van de kerk van Vlamertinge, die volledig werd verwoest in 1296-1297. De rekening van inkomsten van goederen, die het kapittel bezat te Kemmel, vermeldt voor het jaar 1502:

“Item soo gaf Jossine van Avenarde, Roelands weduwe, te restitutie, d’oude rentebriefven specterende ’t gonne anne de caneunicken betaelden die van Vlamertinghen, tot ’t niew bauwen van hunne kercke; ende soo den geseyden rentebriefven verdustert waren. Van den jare anno Domini millesimo ccc primo (soo der up gescreven staet), betaelt iij sch.”

1302 en volgende jaren

We zijn in volle oorlog tussen de Vlamingen en de Franse koning. Een strijd die ongeveer een eeuw zal duren en waarin fataal de grootheid van Vlaanderen werd vernietigd. Verkleind en verminkt zal dit mooie graafschap in handen van de hertog van Boergondië vallen, na de slag bij Roosebeke, waar de dappere soldaten van Filips van Artevelde werden afgeslacht door de troepen van Lodewijk van Male, verenigd met deze van koning Karel VI. Wat moet ons dorp in die tijd geleden hebben! Wegens de ligging langs een grote weg, die men in die tijd als strategisch kon beschouwen moet het dorp vreselijk behandeld zijn geweest. Er blijven ons echter zeer weinig historische details bewaard uit deze periode.

1307:

Dit jaer is Nicolas Den Hane baljuw van Vlamertinge. Hij wordt vernoemd in een onderzoek, bevolen door de “vierschaere van Veurne” op 17 juni om een twist te bedaren i.v.m. een afbakening van gronden tussen 2 personen van Vlamertinge, nl. Kerstine, Jooris Maes wedewe en Hannekine Overlinc enerzijds en anderzijds de baljuw van Poperinge, Jan Vander Kerckhove.

1314:

Het gebied van Veurnambacht blijkt letterlijk ontvolkt. Sporkin, de dappere baljuw van Veurne liet huisjes bouwen in hout, of beter gezegd barakken van planken in alle dorpen, gelegen langs de weg Veurne-Ieper, d.w.z. in Alveringem, Polinkhove, Oostvleteren, Woesten en Elverdinge. Bovendien richtte hij dicht bij Brielen en Vlamertinge verschansingen op, die verwoest werden na de slag van Cassel. Op deze plaats werd later een kasteel gebouwd, die hofstede werd “Den Blooten Ackere”.

Deze herinneringen worden herhaald in een stuk van 1569 n.a.v. een proces voor de magistraat van de heerlijkheid van Elverdinge tussen de erfgenamen van Antoine van der Gracht, heer van Crommenelst aan de ene kant en de baljuw van Elverdinge aan de andere kant. Deze laatste eiste een deel van de gronden van dit kasteel op in naam van de minderjarige kinderen van Josse van der Gracht, bastaard. De Blooten Ackere wordt nog vermeld in een verkoopsakte van 1589 als een oud kasteel.

1315:

Vlamertinge wordt een toevluchtsoord voor de inwoners van de omliggende dorpen en zelfs voor de Ieperlingen, die, gedreven door de honger, op het platteland eten komen zoeken. Door deze omstandigheden kan Vlamertinge een deel van zijn ruïnes herstellen.

De kronieker Heynderycx vertelt in zijn naïeve en eenvoudige termen de rampspoeden van de omgeving: “Dese ten eynde geloopen zynde sonder datter vrede getroffen wiert, dede den grave wederom al sijn moedich oorlogsvolck vergaderen, daer mede hy ten jare 1315 de stadt Rijssel ginck belegeren. Welhaest hoorde men daer dat den coninck met groote legers op Vlaenderen trock, waer door den grave sijn belegh verliet voor dat den coninck aldaer aengecommen was.Hij vertrock hem over de Leije om syn lant te beschermen. Niet jegenstaende datter vele volck gesonden wiert van alle de casselrien van West-Vlaenderen op den Nieuwen Dijck, hebben de Franschen aldaer met geweldt overgetrocken, doodt slaende ende verjagende alle de gone die hun den doorganck wilden beletten. Naer een cort belegh wiert het casteel van Cassel ingenornmen. Alsdan wiert geheel het West-quartier afgeloopen, berooft ende vele gebauwen door ’t vuer vernieticht.

Den meerderen deel der bewoners van Veurnambacht verlieten hunne nuysen en vertrocken hun in ’t Vrije ofte in ’t Bloote, daer sij hun noch beschermden met den Loovaert ende andere wateren. Sy wierpen daer toe af alle de bruggen die over de voorseyde vaert lagen ende stelden stercke wachten ornrne de Fransche roovers den overtocht der vaerten te beletten.

Den coninck ginck Cortrijk belegeren, welck belegh hij corts daer naer heeft moeten verlaten ende met alle sijn volck uut het veldt vertrecken door den overvloedigen regen die op dit jaer viel gedeurende wel thien maenden lanck, waer door alle de vruchten der aerden soo granen als ander gewas niet en conden rijpen, vergaende of rottende op ’t veldt. Dit heeft veroorsaeckt de aldermeeste aermoede ende el1ende als men oyt diergelicx gehoort heeft.

Alle eetelicke waren waren uutnemende diere: de terwe was bynae niet te coopen voor geldt: sy wiert alsdan tot Veurne vercocht twee-en-veertigh ponden paresys de rasiere, welcke somme alsdan van seer grooter weerde was, ja, meer als jegenwoordich twee-en-veertigh ponden groote, soo dat ’t aerme volck de uutterste aerrnoede leeden, ende genootsaeckt waren door den honger overal teloopen ende middelen te soucken om hunne honger te stillen. Sy doolden langst de velden ende bosschen, etende alle soorten van quade kruijden ende vuylicheden, ’t gone veroorsaeckte de groote peste ende quade sieckten, die daer naer volchden. “Godt almachtich sont alsdan in Vlaenderen oorloge, peste ende dieren tijdt, welcke de meeste plagen zijn die den mensch connen overcommen.”

1316:

Brand van het kasteel van Vlamertinge. De drie vorige data zijn de enige die we vermelden uit de grote strijd van de graaf van Vlaanderen tegen de koning van Frankrijk en die direct betrekking hebben op Vlamertinge.

1317:

Evrard de Crioul (de Barghes); kanunnik van ’t Kapittel van Sint-Pieter van Rijsel en gehecht aan de dienst van graaf Robrecht van Bethune werd afgesteld en van al zijn rechten als kanunnik vervallen verklaard.

Met het doel deze kanunnik schadeloos te stellen, legde Robrecht van Bethune beslag op een deel der inkomsten van het Kapittel van Sint-Pieters, nl. op het tiende van Vlamertinge. Dit was een groot verlies voor het kapittel en men oordeelde dat het geraadzaam was een overeenkomst te sluiten. Afgevaardigden werden aangeduid om de opheffing van deze inbeslagname te bekomen, met iets toe te staan aan de kanunnik Evrard de Barghes. Dit besluit werd niet volledig goedgekeurd, daar vier-vijf kanunniken zich hiertegen verzetten en de proost en de commissaris Jean d’Ougnolles werden door deze laatsten op de hoogte van deze zaak gebracht.

Jean d’Ougnolles ging naar het kapittel op 15 november 1317, vergezeld van een notaris en verscheidene getuigen, waarvan het merendeel tegenstrevers waren. Hij dagvaarde Herbert de Blanfossé, deken, Jean Martin, scholaster, Anselme de Murat, Mathieu de Rogis en Jacques de Baele, kanunniken, om te verschijnen in het kapittel vijftien dagen na driekoningendag, voor de proost en zijn commissaris. Op de vastgestelde dag verschenen noch proost, noch commissaris.

1319:

Jan Panneel, baljuw. Hij bleef in functie tot 1322 en werd toen opgevolgd door:

1322:

Philippe van Reninghe, baljuw.

1327:

Bij vergunning, verleend door Lodewijk van Nevers op 27 oktober 1322 kreeg de stad Ieper een voorrecht voor de lakenweverij, die in die tijd in volle bloei was. Dit voorrecht bestond in ’t verbod van de beroemde Ieperse lakens na te maken en stelde de Ieperlingen zelf aan als handhavers van dit besluit. Niettegenstaande dit verbod werden de Ieperse lakens toch nagemaakt in het omliggende. Zich steunende op voornoemde vergunning trokken op 4 augustus 1327 tweehonderd gewapende Ieperlingen naar Poperinge, met het doel de getouwen van de lakenwevers te vernielen.

De Ieperlingen kwamen in Poperinge en staken de eerste huizen van de stad in brand waar zij getouwen vonden, maar de Poperingenaars die over deze aantocht verwittigd waren, wierpen zich op de aanvallers en dreven hen in wanorde naar Ieper terug. Zo stond Vlamertinge tussen twee vuren: Ieper en Poperinge!

1329:

Men kan zich gemakkelijk een idee vormen van de situatie van het dorp in die periode, want men weet dat na de slag van Cassel en de plundering van het hele “Westquartier” Vlamertinge ten niete was gegaan.

”In die tijd, meer nog dan in onze dagen, waren de principes van oorlogsvoeren alles verwoesten, alles verbranden en alles uitmoorden. Brandende resten bakenden de wegen af. Overwonnen steden waren verbrande steden.”

Zo lezen wij in het werk van Alphens Vanden Peereboom, ‘L’incendie de la Halle d’ Ypres.’

Wanneer wij de annalen van Ieper verder lezen, zien wij dat de stad in de 14de eeuw omzeggens geen rust kende. Wat dan te denken over het lot van de omliggende dorpen, die geen versterkingen hadden of garnizoenen? De vijand kwam er inkwartieren bij het belegeren van de stad, met alle vreselijke gevolgen vandien. Herinneren wij hier de in het begin aangehaalde zin: “Sedert de vroegste tijden van zijn geschiedenis lijkt Vlamertinge verbonden te zijn geweest met het lot van het nabijgelegen Ieper. Tot in 1794 deelde het dorp in de wisselvalligheden van de vesting, die vele malen werd belegerd en gedeeltelijk verwoest.”

1337:

“Onder het betreurenswaardige bewind van Lodewijk de Crécy en het tribunaat van Jacob van Artevelde, kwam de anarchie in Vlaanderen. Terwijl de koningen van Frankrijk en Engeland oorlog voerden aan de grenzen van Picardië, Artesië, Vlaanderen en Henegouwen, ontstond er een rivaliteit tussen de grote gemeenten, verbonden met de steden van tweede rang enerzijds en de steden Gent, Brugge en Ieper anderzijds over het maken en vervoeren van laken.

Deze laatste drie hadden het monopolie van de lakenhandel naar zich toegetrokken door het bezit van exclusieve privileges. Daartegen kwam het platteland in verzet. De lakenwevers van Ieper bewapenden zich opnieuw in 1337, zich beroepend op het oktrooi van oktober 1322, en trokken op tegen de stad Poperinge. Poperinge vormde een afzonderlijk gebied, dat afhing van het klooster van Sint-Omaars. De Poperingenaars beweerden het privilegie, toegekend aan Ieper, niet te moeten erkennen.

Deze expeditie had vooral voor Vlamertinge erge gevolgen. Bij het naderen van de Ieperlingen trokken de Poperingenaars hen tegemoet en een verbeten gevecht volgde, dicht bij Poperinge. De Poperingenaars verdreven de Ieperlingen en achtervolgden hen tot aan de poorten van Ieper. Ze waren niet bij machte de versterkte stad binnen te dringen en reageerden zich dan maar af op de huizen en boerderijen van Vlamertinge, die langs de grote weg lagen.

De gehele dorpskom ging in de vlammen op. Toen de Ieperlingen de vlammen zagen, besloten ze deze barbaarse daad én hun nederlaag te wreken. De volgende morgen begaven ze zich in groter aantal naar Poperinge. Een tweede gevecht had plaats voor de stad en deze keer versloegen de Ieperse lakenwevers hun vijanden. Ze achtervolgden de vluchtelingen en maakten zich meester van de kleine stad, die geen wallen, noch grachten had. Poperinge werd geplunderd en verschillende huizen werden in brand gestoken. Vooral de weefgetouwen moesten het ontgelden. Door tussenkomst van 4 andere goede steden van Vlaanderen, werd deze strijd wat afgekoeld.

1339:

Nieuwe brand en plundering door de Fransen, niet alleen in Vlamertinge, maar in al de omliggende dorpen. “De franschen, de gepleegde vernielingen willende vreeken, vielen oock in West-Vlaenderen, ende bedreven aldaer alle soorten van vyandtschappen, soo veel als dat een vyandt soude connen doen.”

1342:

Op 3 oktober 1342 hernieuwde graaf Lodewijk van Nevers het voorrecht aan de lakenweverij va.n Ieper, gedaan in 1322, en verbood te Langemark en in de andere gemeenten, gelegen binnen de drie mijlen van Ieper, laken na te maken.

Enkele jaren later viel Ieper opnieuw Poperinge aan i.v.m. het oude geschil over de moeilijkheden over de rechten omtrent de lakennijverheid. Opnieuw mocht Vlamertinge de zware rekening betalen:

“De wevers van Ypre, jaloers zijnde, om dat de laeckenweverie onder de geseyde streecke soa seer toenam, wierden grammoedich om datter vele van hunlieder knechten ende wevers aldaer gingen woonen. Daer sy noch het hooft vewerret hadden van alle de voorgaende.oproeren, maeckten sy twist jegens die van Poperinghe ende de prochien van daer ontrent, ende vingen alop eens tegen hun den oorlogh aen onder voorwendsel dat sy de Ypersche laeckenen namaeckten.

Daerom trocken sy ten jare 1344 uut Ypre met een groote macht van volck, onder het beleet van Jan van Houtkercke, hunlieder capiteyn, ende hebben die van Poperinghe op het onverwachts aengevallen ende bevochten. De Poperinghenaers (afscheen sy hun te weer stelden) conden dien aenval niet wederstaen, ende hebben moeten wycken, achterlatende eenige dooden, waer onder anderen sich bevont Jacob Bets, hunlieder leytsman. Als den slagh geschiet was, vielen de Yperlingen als in Poperinghe, ende naer alle de voornaemste burgers daer uut gevangen genomen te hebben, leydden sy die in hunlieder stadt in de gevangenisse.”

1345:

Het jaar erop wilden de Poperingenaars zich wreken, maar omdat zij niet bij machte waren de Ieperlingen in hun eigen stad aan te vallen, keerden zij zich tegen Vlamertinge, dat ze plunderden.

1359:

De tweede helft van de 14de eeuw blijkt relatief kalm te zijn, in tegenstelling met de eerste helft. In 1359 schonken Coppin de Scrinwerkere en Margriete, zijn echtgenote, 4 roeden en 2 linnen land, gelegen te Reninge, aan de kerk van Vlamertinge:

“Jhan van Reninghe, Bouden f. Boudens, Aernoud die Hamere, ende Willem van Suudschoote, scepenen ende cuerheers van de prochie ende heerlickhede van Reninghe, doen te wetene allen den goenen die dese lettren zullen zien jof horen lesen, dat cam voor ons Coppin de Scrinwerkere, fs Jan, f. Aernoud, ende Margriete, zyn wyf, ende gaven wettelike gifte Pieter, fs Aernouds, ten kercken bouf van Vlamertinghe, iiij roeden lands ende ij linnen, lettel min jof lettel meer, ligghende in de prochie van Reninghe, besuuden den hove van ’t yserland, ende wedden dien Piter f. Aernoud ten voorseyde kercken bouf dat voorseyde lant te wetten, te warne wesen ende lant ende quite land jegens elken mensche, ende omme dat wi, scepenen ende cuerheers voorseid willen dat dit vast si ende ghestade blive, soo hebben wi dese lettren gheseghelt met onsen seglen uuthangende. Dit was ghedaen saterdaghes na grote vasten avond, als meen screef anno Domino MCCC quinquagesimo octavo.”

Dit is het bewijs dat de kerk aan alle rampen ontsnapt was. Ook het “Wethuus” werd gespaard, want in maart 1360 stonden de schepenen, in afwezigheid van de baljuw Philippe van Reninghe, toe aan de mensen van de CrommenElst om zich te bedienen van he:t wethuis om er te vergaderen.

1370:

Uitwisseling van de “Hooghe landen” tussen Vlamertinge en Elverdinge. Wij hebben tevergeefs gezocht wat die “Hooghe landen” wel zouden kunnen zijn. Deze term wordt opnieuw gebruikt in een akte van 24 september 1514: “Soo ist dat wi voor ons ende hi voor sigh over brinckene ende wedergeven, ten profite van de geseyde kercke j gem. ij linen hooghe landen, ende den huse der medegaende, inde prochie van Vlamertinghe, west van de kercke, ten Eenhame.”

1383:

Gedurende het lange beleg van Ieper is Vlamertinge ongeveer ontvolkt. Iedereen heeft zijn toevlucht gezocht in een van de omliggende dorpen verder af van Ieper. De parochie was bezet door Engelse troepen. Bovendien hadden de Ieperlingen, bij het naderen van de vijand, de huizen aan deze zijde van de Kemmelbeek in brand gestoken. Enkel het wethuis bleef gespaard en later, tijdens hetzelfde beleg, logeerden er 200 soldaten van het belegerende leger, met wapens en bagage.

De Vlamertingenaars werden min of meer gemengd in dit beleg, gezien later de leden van de Sint-Sebastiaansgilde jaarlijks een mis opdroegen voor de zielerust van hun leden, gestorven in die tijd. Ieper werd gedurende 62 dagen belegerd door 80000 Engelsen en 20000 Gentenaren. De Ieperlingen stonden onder het bevel van Ridder Jan van Oultre, heer van Weldene en burggraaf van Ieper. Op zaterdag 8 augustus 1383 werd, voor de laatste keer, de stad langs alle kanten hevig aangevallen.

Er ontstond mistevredenheid onder de Engelsen en de Gentenaren, die tijdens het beleg zware verliezen leden en de belegeraars gaven de strijd op. Deze gelukkige bevrijding van Ieper werd toegeschreven aan de tussenkomst van O.L.V., vereerd onder de titel van O.L.V. van Tuine, tot wie de vrouwen, kinderen en gebrekkige mannen gedurende dit beleg om hulp gesmeekt hadden. Dit beeld werd vereerd in de kerk van de Minderbroeders of Recoletten. Uit dankbaarheid voor deze verlossing werd telkenjare op 8 augustus en later op de eerste zondag van augustus, een processie ter ere van O.L.V. van Tuine gehouden.

1397-1399:

Jean Boids, baljuw-ontvanger (hij was de zoon van Aernoud, zoon van Jean Boids, valkenier van de prins van Vlaanderen) Hij was het die zorgde voor een bestuursverandering in de parochie, toen de baljuw vervangen werd (hetzelfde jaar) door een hoofdman,hoofd van het schepencollege en de Cuerheers.

1399:

De notabelen van de parochie richtten een verzoek tot ridder Jean Belle, groot baljuw van Veurne om een verandering van gouvernement te vragen en de toekenning van een hoofd-magistraat, geschikt om het publiek te leiden en de rust te handhaven onder de bewoners. Dit verzoek had als resultaat dat Donat de Coninc “hoofdman” werd.

Uit ‘De Geschiedenis van Vlamertinge’ van Emile Vanden Bussche uit 1880

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>