Vliegende geiten gespot in Beselare

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     665 Views     Leave your thoughts  

Voor er te Beselare van een vliegende geit sprake was, had men het al over ‘een vliegende toveres’, of ‘een toveres die weergekeerd was’. Dat laatste is een ietwat vreemde mengeling van heks en teruggekeerde dode, allicht om het geheel nog angstwekkender te maken.

Toen met het even later over een geit had, deden verschillende geruchten de ronde. Weinig frequent is de interpretatie als zou de vliegende geit een echte gevleugelde geit geweest zijn, ook al beweerde de smettin van de Keibergsmidse in het verhaal van J. Maes dat zij ze met eigen handen gemolken had.

Ook aan de Zwijnebak had men het over een echte geit. Uit de verzameling van Erard lezen we volgend verhaal:

‘Er was daar geite-verkeer lijk of dat de mensen dat noemden, op een route inwaarts aan de Zwijnebak tussen Nieuwkerke en Kemmel. Dat was een geit die vloog door de lucht en ze schreeuwde altijd. Ik ben ook nog gaan kijken. Er was daar veel volk tegen het donker en er vloog daar altijd een geit boven ons hoofd, die schreeuwde. Dat heeft een week of drie geduurd.’

De meest voorkomende verklaring is dat het om het natuurlijke geluid van een vreemde vogel ging die on onze streken verdwaald was en eens neergeschoten nooit meer werd gehoord. Camiel Masschelein vertelde Ramon het volgende verhaal daarover:

‘Dat was ‘t jaar zeven, hier hé, waar André Ghekiere woont. Dat was toen zeker Henri Soete die daar woonde hé. En dat was, er kwam daar een blating ‘s ochtends alzo vroeg en ‘s avonds laat. In het kiemen van de dag en in ‘t vallen van de dag hé. En dat blaatte alzo lijk een verloren schaap, lijk een geit zo, versta je, een geitelam hé.

Daarvoor hebben ze achterna de herberg gezet, ‘De Vliegende Geit’. En de mensen gingen daar naar toe, dat was ‘t jaar 1907 en de mensen gingen daar naar toe, ze kwamen van ver en naar….

Zoveel dat de gendarmerie moest komen van Ieper voor de mensen van (=op) de baan te houden. Dat was op ‘t laatste van de meimaand en de zomervruchten, bieten en chicorei waren allemaal in ‘t groeien hé.

En de tarwe en al, dat was al een beetje grootte. En de rogge, er werd toen veel rogge en haver gezaaid…om de mensen van de stukken te houden. Ze kwamen van Ieper en van alle kanten. Zelfs met auto’s uit ‘t noorden van Frankrijk kwamen ze als dat hier gekend was.

Dat was natuurlijk hier twege de toveresseparochie en er was daar een toveres, een vliegende, wel, ze zeien niet toen een vliegende geit. Nu, ik ging daar ook kijken met m’n oude broer. En ik ging gaan kijken ginder, als je van Peenes (Grote Passendalestraat) naar ‘De Vliegende Geit’ ging al vanachter.

Niet alhier waar ‘t volk stond, met m’n nonkel mee, die daar ook diep woonde in de Oosthoek. En wij stonden daar in een wei met verschillende, maar niet te veel. En ik zag almeteenkeer, die blating.

Dat blaattee, ge hoorde dat ongeveer lijk een koekoek. Ge hoort dat ook van ver hé. En ik hoorde die blating en ik zag hem en dat vloog alzo op de goeste van een zwaluw. Ik zeg: ‘t is lijk een vogel. Ze moeten me niet meer kouten van toverij, ‘t is een vogel.

En een beetje achterna, we zagen hem weer. Er waren er nog verschilende die ‘t zagen van die daar stonden. Ja, dat scheelde zo stijf. En dat die avond dat ik ook ging gaan kijken, ze passeerde daar ook. Dat was een grote vogel hé, alzo alzo al schreeuwen alzo lijk een geit. En ze viel aan ‘t Bloembos op een boom.

En m’n broer. We hadden wij veel kotjes gemaakt hier en daar en m’n broer schoot die vogel. En ‘t was gedaan.

Uit ‘Heksensagen in en rond de toveresseparochie Beselare’ door Johny Dondeyne in Zonneheem van 1985