Vreselijk automobielongeluk te Woesten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     410 Views     Leave your thoughts  

Twee dooden

Een vreeselijk automobiel-ongeluk is donderdag avond voorgevallen op den grooten keizel van Oostende naar Yper, tusschen den ‘Lion Belge’ te Oostvleteren en de gemeente Woesten, ter plaatse gezegd, ‘Honderd Gemeten’. Op dezen weg rijden dagelijks honderden automobiels door, en ’t is waarlijk te verwonderen dat, gezien de dolle vaart van velen dezer, de doodelijke ongelukken er niet talrijker zijn.

De personen die langs die baan wonen zijn verschrikt en leven gedurig in verlegenheid als er kinders of ouderlingen uitgaan. Vele onvoorzichtigheden zijn door de automobilisten gepleegd en alhoewel het wat barbaarsch is, hebben de personen die de zotte streken dezer mannen dagelijks zien, bijna geen medelijden meer met die mannen als zij verongelukken.

Laat ons echter tot het verhaal overgaan; het gerecht zal moeten onderzoeken aan wie de schuld gelegen is.

Het ongeluk.

M. Edmond Dugardein, kolenkoopman te Toebaais, keerde donderdag avond met zijn automobiel en eenige vrienden terug uit Oostende. Een tweede auto, ook met kannissen der zelfde stad bezeten, volgde hen op, en de twee gezelschappen reden dapper voort om zoo vroeg mogelijk tehuis te zijn.

Gekomen over de tramstatie ‘Au Lion Belge’, wat over Oostvleteren, zag de chauffeur van M. Dugardein, die voren reeds, een rijtuig voor hem gaan, maar de duisternis (het was reeds rond 8 1/2 ure) belette hem te zien of het voertuig naar hem kwam of vooruit naar Woesten reed. De chauffeur hield dus rechts, maar toen hij, in volle vaart rijdende, op eenige stappen van het rijtuig – een tweewielvoiture – kwam, bemerkte hij dat deze insgelijks vooruit ging. Hij moest dus links vorensteken.

Wat nu gebeurde heeft niemand gezien, maar men kan veronderstellen als men ter plaatse de gelaten sporen in den keizel ziet, met ineens al den anderen kant der baan te willen rijden, zijn de achterwielen van den automobiel door de modder en de regen met geweld uitgeslibberd.

Ziende dat hij met de achterste wielen op de bordure die de tramlijn vrijhoudt, ging terecht komen, heeft de chauffeur ineens zijn stuur eene zwnking gegeven. Maar, door het wegslibberen was de automobiel bij het rijtuig gerocht en met de forsche zwenking kwam hij ermede in aanraking.

Met geweld botste de automobiel tegen het wiel en het achterste der voiture. Deze werd in een slag volgens het zeggen der personen die erin zaten met peerd en al in den dijk geworpen en lag omver. Door den schok werd het voorwiel van den automobiel gebroken, en deze, nog in volle werking zijnde, liep voort al stuiken op de speeken.

De chauffeur wilde stoppen en de automobiel in eens stilgehouden, droei zich om; onder het geweld brakl het tweede voorwiel alsook het rechter achterwiel en geheel het machien sloeg zijdelings om, zoodat het met de wielen omhoog stond.

De hulp.

De personen van den tweeden automobiel die het ongeluk gezien hadden, konnen op tijds stoppen en liepen de slachtoffers ter hulp. Alles had maar een oogenblik geduurd…. verschrikkelijk oogenblik voor die het beleefden. De vijf heeren van den omgekantelden automobiel lagen er uitgeworpen in alle richtingen. De schok teweeggebracht door den val had de omliggende bewoners gewekt die kwamen toegezloopen. Een ijselijk tooneel deed zich voor, en met angst bleven zij aan den grond genageld eenige oogenblikken staan.

Twee der gekwetsten waren kunnen opstaan, maar de drie andere, waarvan twee doodelijk gekwetst, bleven liggen. Het waren M. Dugardein en M. Vatteau, beide ongehuwd. M. Catteau leefde nog eenige oogenblikken maar stierf in de armen zijner verslegene gezellen.

De tweede automobiel ging seffens M. Louf, geneesheer te Elverdinghe halen en was een halve uur later reeds ter plaatse. Men had ondertusschen de drie meest gekwetsten met alle voorzichtigheid binnen gedragen bij M. Parez Adolf, boschwachter van Mad. Mahieu van Armentiers, die geheel zijn huis ten dienste der ongelukkigen stelde.

M. Louf onderzocht eerst de meest gekwetste en kon maar de dood van M. Catteau bestatigen. Gedurende een kwart uurs poogde hij M. Dugardein tot het leven terug te brengen, doch alles bleef vruchteloos en hij stierf eenige oogenblikken nadien.

M. Paul Ducatteau, de derde meest gewonde, die erg aan het hoofd gekwetst werd, waarschijnlijk ribben gebroken was en verder kneuzingen over gansch het lichaam bekomen had, werd dan zoo goed mogelijk verzorgd. Doktor Louf raadde hem aan ter plaats te blijven, doch M. Ducatteau, wilde zonder uitstel naar Roebaais wederkeeren bij zijne vrouw die pas sedert 14 dagen moeder is geworden. Het rijtuig en de automobiel die den weg versperden, werden op zij getrokken en de andere automobiel voerde hem naar huis.

Het rijtuig.

De personen die in het omgekantelde rijtuig zaten waren er, als bij mirakel, ongedeerd van onder gekomen. Zij waren met drie: M. Elie Vasseur, veekoopman, wonend aan ‘De Bascule’ te Yper, Leonie Rooze van Yper en een klein kindje. Elie Vasseur kwam van Westvleteren, waar hij bij zijn broeder Jules Vasseur, insgelijks veekoopman, naar een doop geweest had. Hij was nu op weg naar huis met het peerd en rijtuig van zijnen broeder, en L. Rooze, vr. D. Versavel, die het kindje ging opkweeken, was met hem mede.

Beide dachten dat hun laatste uur gekomen was toen zij met geweld omvergeworpen werden, maar geen der drie, noch man, noch vrouw, noch kindje, bekwamen eenig letsel. Zij gerochten uit het gebroken rijtuig en keerden waar naar Westvleteren. Het peerd is nog al erg gekwetst en bleef ter plaatse om bezorgd te worden.

Middelerwijl was het ijselijk nieuws reeds wat rondgestrooid en er kwam veel volk toe. Rond 11 ure waren er voorzeker niet min dan 400 menschen op de plaats der ramp tegenwoordig. De ordedienst werd gedaan door de gendarmen van Oostvleteren.

De stoker

De stoker, dol van schrik, weende om een steenen hert te bewegen. ‘Ik ben de schuld zegde hij van de dood mijns meesters. Ware het nog mij dat ze te beklagen hadden.’ Om 1 ure werd hij en M. Dugardein, broeder van den verongelukte die bij het lijk gebleven was, afgehaald en naar Roebaais gebracht. Een bediende van Roebaais bleef bij de lijken die men zijde aan zijde op een bed gelegd had.

De plaats der ramp (vrijdag morgen)

Pijnlijk is de plaats der ramp. Rechts bij de tramlijn ligt een groote plas bloed; links de gebroken automobiel met nog slechts één wiel; assen en ressorts gebroken, lanteerns platgedrukt; het houtwerk in splenters, afgerukt, gebroken en gescheurd met stukken kleederen en vleesch die er aan kleven.

Wat verder ligt de voiture tot stoofhout gemalen; het rechterwiel in brokken ligt omhoog en de gebroken tremien hangen in den dijk. Hoe dat daar een mensch levend is uitgerocht, is niet te verstaan. Tusschen de voiture en den automobiel is het al rinkelend glas waarop men stapt.

Alle oogenblikken rijden automobiels voorbij die naar Oostende trekken en in ’t voorbijgaan een blik werpen op de overblijfsels der ramp. Binst wij er waren bleef er een staan en de eigenaar zegde: ”t is waarlijk om benauwd te hebben als men dat ziet.’

Bij de lijken.

Strenge order zijn gegeven geweest om niemand bij de lijken in het huis van den jachtwachter te laten. De heer Burgemeester geeft ons toch toelating en de veldwachter laat ons binnen. De vrouw doet eene deur open in den keuken, wij treden in een half verlichte kamer. In den hoek staat een bed met een wit laken erover. Het laken wordt overgeplooid en de twee lijken liggen voor ons, zijde aan zijde.

De doek die de aangezichten verduikt, wordt weggenomen en eene koude huivering doorloopt ons het lichaam. M. Edmond Dugardein, in den bloei van ’t leven, rond de 55 jaar, forsch en kloek gebouwd, ligt tegen de muur. Hij is het voorhoofd geborsten en den schedel gekloven. Het bloed zijpelt in roode-zwarte strepen over zijn aangezicht en hij ligt daar, de oogen toe, het hoofd in de schouders gestuikt. Zijn vest en gilet zijn af en een doek ligt op eeneg apende wonde in de zijde, langs waar hij uitgebloed is; vest en gilet hangen aan het bed en gestold bloed duidt het gaat aan langs waar hij is gekwetst in de zijde. Hij woonde te Roebaais en deed er koolhandel met zijn broeder die maar licht gekwetst werd.

Nevens hem ligt het lijk van M. Catteau, borstelfabrikant, 38 jaar, die om reden van ziekelijkheid eenigen tijd langs de zee verbleven had en nu naar huis ging. Zijn wezen is nog ziekelijk bleek, verschrikkend bleek, met half afgerukten neus, een bloedende holte toonend, en wijde opengesperde oogen, of liever oog, want het linkeroog is weggerukt alsook de linkerwang. Blauwe aders loopen door het aangezicht.

De schedel is in vier plaatsen gekloven, geheel de rechterarm en schouderblad gebroken. De tengere handen zijn met verklonterd bloed besmeurd en kneuzingen overdekken geheel het lichaam. M. Catteau, die nevens de stoker zat, was met het hoofd door de ruit gestuikt; in zijn aangezicht zijn 8 of 10 diepe sneden van 4 tot 8 cm lang.

’t Is afschuwelijk om zien! Wij storten een kort gebed opdat God hunne ziel genadig weze en verlaten stil de doodskamer, diep getroffen door het akelig schouwspel. De twee lijken worden gedekt en wij vertrekken.

Vele nieuwsgierigen gaan gedurig heen en weer en bespreken het gebeurde in afwachting der komst van het parket die om 4 1/2 ure is aangekomen. Het algemeen gevoelen betreurt de dood der slachtoffers, maar drukt de wensch uit dat deze ramp eene les zou wezen voor de andere doodrijders.

Uit ‘De Poperingenare’ van 1909 – www.historischekranten.be

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>