Vreugdevuren in Veurne

Het leven tussen 1486 en 1558 in Veurne en in Veurne-Ambacht wordt gekruid door een afwisseling van oorlog en vrede, een mix van ellende en vreugde. De Fransen haten de komst van de Duitsers naar de Nederlanden en zaaien er grote verdeeldheid. De mensen van Veurne blijven Maximiliaan en zijn kleinzoon keizer Karel door dik en dun steunen. Iets wat niet overal het geval is in maritiem Vlaanderen. Uiteindelijk vecht iedereen tegen iedereen.

 

Deze kroniek is hier beschikbaar in geïllustreerde vorm.

 

De ‘Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht’ van Pauwel Heinderycx die in 1854 werden uitgegeven door Edmond Ronse, zitten bij mij al veel jaren in de hoogste schuif. Het doet me dan ook wat om de draad van de Veurnse geschiedenis weer te mogen opnemen. Ik heb me het voorbije jaar verdiept in de geschiedenis van keizer Karel en die van zijn vader Filips de Schone en zijn grootvader Maximiliaan van Oostenrijk. Hoe Ieper, Nieuwpoort en Duinkerke deze periode beleefden, heb ik ondertussen al aan den lijve ondervonden. Hier en daar is de naam van Veurne al eens zijdelings opgedoken, maar om echt te weten hoe de vork hier aan de steel zat, keer ik toch met veel plezier terug naar de oude handschriften van Pauwel.

Ik neem me voor om de verhaallijn van de oude jaarboeken zo secuur mogelijk te volgen en me te concentreren op een herwerking van zijn oud Vlaams in mijn eigen schrijfstijl en deze waar nodig te kruiden met de nodige specerijen, zoals humor, cynisme, medeleven, geloof, ongeloof en ontroering. Toch wil ik het dit keer strak houden. Pauwel Heinderycx kijkt over mijn schouders mee. Ik wil hem niet teleurstellen en hier en daar reserveer ik zeker de nodige plaats voor zijn authentieke teksten. Ter vervollediging wil ik mijn lezers nog meegeven dat ik eveneens beschik over ‘De Geschiedenis van Veurne’, de boeken die Frans De Potter in 1875 op zijn beurt schreef over mijn onderwerp. Waar nodig zal ik zijn hulp inroepen. Ik zie wel. Het wordt nu wel hoog tijd om in het verhaal binnen te stappen. Ik vind een kier richting geschiedenis in het ‘negenste capittel’ en glip er binnen zonder dat iemand ook maar iets heeft opgemerkt.

Anno 1486. Keizer Maximiliaan kan het moeilijk verkroppen dat de Fransen bijstand gegeven hebben aan de staten van Vlaanderen in hun verzet tegen zijn aanstelling als regent voor zijn minderjarige zoon Filips. Maximiliaan stuurt een oorlogsverklaring naar de Franse koning en opent direct met een aanval op Terwaan dat verrassend ingenomen wordt door de ‘fijne en kloeke oorlogsman’ Petyt Salasar.

Blij zijn ze er niet mee in de Westhoek. Elke oorlog met Frankrijk betekent opnieuw ellende voor de mensen aan de grenskant. Het gewin van de stad Veurne komt in het gedrang. De Fransen bekijken hun stad maar al te vaak als een roofnest. Gelukkig heeft dat ook zo zijn voordeel dat de Veurnenaars niet te pas en te onpas moeten oprukken om de Nieuwe Dijk te gaan bezetten. Er is hier werk genoeg om de thuisstad van de vijand te vrijwaren.

Anno 1487. De pest breidt zich altijd maar verder uit in de stad en in de kasselrij en richt grote verwoestingen aan onder de mensen. Het magistraat van de stad komt tot de vaststelling dat er maar weinig liefhebbers zijn die ‘bepeste’ mensen willen bijstaan. Dat is natuurlijk niet moeilijk. Het risico om zelf besmet te geraken is groot en dat zien weinigen zitten. En ook voor de geïntoxiceerde gezinnen brengt hulp van buitenaf meer slecht dan goed in huis. De verplegers of verpleegsters brengen vaak de ziekte helemaal binnen in de huizen en wat ze er naar buiten loodsen, kan ik gerust catalogeren onder roof en diefstal.

Na de vorige uitbraak van de pest in 1468 heeft het stadsbestuur in 1487 een deal gesloten met een congregatie van ziekenbroeders om bij een eventuele nieuwe epidemie de verzorging van de zieken op zich te nemen. De ‘cellenbroeders’ noemen zichzelf Alexianen. Ze krijgen een huis binnen de stadsmuren van Veurne en andere inkomsten in ruil voor hun diensten. De grond van hun nieuw klooster hebben ze alvast in eigendom gekregen, de volgende stap is een goedkeuring van de bisschop van Terwaan om er hun kloostergebouw op te trekken en die daarna te wijden tot een religieuze doening.

De magistraten van de stad en de kasselrij zorgen elk voor een schone som geld. Er komt ook milde schenking van mevrouw Eleonore van Poitiers, weduwe van Willem van Stavele de gewezen burggraaf van Veurne. Bisschop Heyndryck van Terwaan beslist om het beheer van het nieuw klooster onder het toezicht van de abt van de Sint-Niklaas te plaatsen. De cellenbroeders bewijzen sedertdien grote diensten aan de stad en de kasselrij. Vooral in tijden dat de pest en andere besmettelijke ziekten de kop opsteken.

De oorlog is natuurlijk ook een pest en momenteel wordt er in de richting gekeken van de koning van Frankrijk. Hij blijft maar onrust stoken tegenover Maximiliaan. Dit jaar belegert hij St.-Omer dat na verloop van tijd bezwijkt onder de druk en door de Fransen wordt ingenomen. Net zoals dat het geval is met Terwaan en Ariën-aan-de-Leie. De toegang tot de Westhoek staat weer eens wijd open, de buitenbevolking lijkt opnieuw overgeleverd aan de genade van de Fransen die de streek aflopen tot tegen Nieuwpoort en Diksmuide. De rijke lieden van Veurne-Ambacht vertrekken haastig met al hun bezittingen naar de veiligheid van de besloten steden en laten het land over aan de sukkelaars die de Franse perikelen wel noodgedwongen moeten ondergaan. Iets wat maar al te vaak gebeurt.

Een revolutie is zowat het ergste wat er in een land kan gebeuren. In 1486-1487 is het van dat. ‘Opstand in West-Vlaanderen’, bloklettert de kroniekschrijver, ‘de inlandse oorlog begint nog eens te woeden’. De Gentenaars treden weer in het verzet tegen Maximiliaan, hierbij gevolgd door Brugge, Ieper en enkele andere steden en door de voornaamste edelen die het land rijk is. De Roomse koning wordt bij zijn bezoek aan Brugge in hechtenis genomen. De weerspannige steden doen het volgens eigen zeggen omdat ze het land willen bewaren voor zijn achtjarige zoon Filips.

Het rebelse Vlaanderen sluit binnen deze optiek op 26 februari 1487 een vredesverdrag met de koning van Frankrijk, een identiek vodje papier als dat welk eerder afgesloten werd in 1482. Dat betekent geenszins dat de rust terugkeert. Integendeel. ‘Geheel ’t land stond alsdan in roere’, soms kan dat oud Vlaams de situatie beter ‘to the point’ beschrijven dan ikzelf hier met al de trucs van de hedendaagse Nederlandstalige foor. Oproer, revolutie. De meerderheid van de Westhoek blijft aan de zijde van Maximiliaan staan en dat is zeker het geval voor de Veurnenaars die hem door de troebelen heen altijd zullen blijven steunen. De druk om van kant te veranderen is nochtans aanzienlijk. Zelfs de magistraten van de Staten van Vlaanderen komen af met hun arsenaal aan schone woorden met daarop volgend de nodige dreigementen om toch maar aan hun kant te gaan staan. De bestuurders in Veurne bewegen hemel en aarde om hun inwoners trouw te laten blijven aan de Roomse koning.

De beroering in Vlaanderen neemt enkel maar uitbreiding en zorgt er voor dat zowat iedereen bereid is om in een bloedige oorlog te treden. De drie ‘Staten van Vlaanderen’, Gent, Brugge en Ieper zien zich genoodzaakt om een bijzonder algemene vergadering bijeen te roepen om orde op zaken te stellen. Volgens hen staat de welvaart van het land op het spel. De druk op Veurne wordt er verder opgevoerd. De lokale gevolmachtigden krijgen de oproep om voor de Staten-Generaal te verschijnen. De kasselrij van Veurne stuurt Joos De Craene. Hij dringt er op aan om de Roomse koning vrij te laten en tot vrede met hem te komen.

Het standpunt van De Craene vindt allerminst bijval daar in Gent. Vlaanderen moet gevrijwaard worden voor Filips en kan zomaar geen deel uitmaken van het Roomse rijk. Daar komt het op neer. Iedereen die dat anders ziet, wordt voortaan beschouwd als een vijand van het land. ‘Daarom werd de voorzeide Joos De Craene aldaar aangehouden, met enkele andere gezanten van andere steden die de zijde van de Staten niet en wilden volgen, en ze bleven aldaar de tijd van zesenveertig dagen lang gevangen.’

Anno 1488. Voor de keizer van Duitsland is het welletjes geweest. De gevangenname van zijn zoon kan voor Frederik niet door de beugel. Hij zakt af naar de Nederlanden in het gezelschap van een groot leger met een resem keurvorsten op kop. Paus Innocentius VIII schrijft naar Brugge dat ze Maximiliaan absoluut moeten laten gaan omdat hij hen anders in de ban van de kerk zal slaan. Ook andere buitenlandse prinsen verhogen de druk op de Bruggelingen. Er moet echter nog heel veel water door de Leie stromen vooraleer de Staten-Generaal op 12 mei 1488 dan toch beslist dat er beter vrede zou komen de Duitsers. Want uiteindelijk zijn ze hier maar klein bier in vergeleken met het Duitse keizerrijk.

Vier dagen later komt Maximiliaan op vrije voeten. Van de afgesproken vrede zal er niet veel in huis komen. De vrede is formeel beloofd, maar de revanchegevoelens van koning en keizer razen integendeel als een rode loper doorheen Vlaanderen. De Duitse troepen zijn al voorbij Brussel gekomen op hun terugweg naar de heimat als ze instructies krijgen om rechtsomkeer te maken en om Gent in de tang te nemen. Het is een ‘wonderlijk’ groot leger weten ze te vertellen in Veurne, maar Gent plooit er niet voor. De Duitsers breken hun kamp op en ‘alsdan verwoestten de manschappen van het keizerlijk leger zodanig het land, dat het jammer was om zien.’

Brugge, Gent en Ieper zoeken hulp in Frankrijk. De Fransman ruikt zijn kans om op een schoon blaadje te geraken in Vlaanderen en stuurt er direct een pak volk op af. Duitsers, Vlamingen van alle soort en slag dolen nu al door het land en daarbij komen nu nog hele benden Franse nietsnutten deze potpourri aanvullen. Het is allerminst duidelijk wie er nu voor of tegen wie is. De kroniekschrijver geeft dat ook ruiterlijk toe: ‘men zag het land van Vlaanderen nooit in een ellendiger toestand als in die dagen, want men wist niet wie vriend of vijand was!’

Veurne blijft trouw aan Maximiliaan en verweert zich hardnekkig tegen de andersgezinden. De inwoners worden beschermd door hun kapitein Jacob van Tepelle, een voormalig krijgsman die het klappen van de zweep blijkbaar erg goed kent. De burgemeester slaagt er zelfs in om een garnizoen Duitsers te laten logeren binnen de stadsmuren. Het blijft trouwens een dubbeltje op zijn kant om te zorgen voor de gewenste munitie en oorlogsvoorraden en al die extra monden moeten natuurlijk ook nog gevuld worden. Op 15 juni 1488 houden die van Veurne en Veurne-Ambacht een algemene vergadering . De geestelijken van de kasselrij en van Sinte Walburga zijn eveneens van de partij. Net zoals de edelen met hun blauw trouwens, want die wanen zich uiteraard onmisbaar.

Hoe zouden ze de bescherming van de stad en de kasselrij aanpakken? Allemaal niet vanzelfsprekend. Toch komen er beslissingen uit de bus. Eerst en vooral moet de stad extra versterkt worden, zo goed en zo kwaad als het enigszins mogelijk is, de kasselrij zal instaan voor de helft van de kosten. Later zal blijken dat dit aandeel meer dan 1750 ponden zal bedragen. De aankoop van munitie en schietpoeder wordt op dezelfde manier geregeld. Elk zijn aandeel lijkt voor al de partijen fair. Er worden twintig ruiters en dertig voetknechten naar Veurne gedetacheerd om zich te stellen onder het gezag van Denis van Morbeecke, de heer van St.-Omer, een ‘kloek en deftig oorlogsman’ die aangesteld wordt als de vervanger van Jacob van Tepelle die op zijn beurt doorschuift naar de functie van hoogbaljuw. Van Morbeecke krijgt een zekere Maarten van Fontegnis, ‘Trondelot’ als luitenant. Hij zal achteraf aangesteld worden als landhouder van de commune van Veurne-Ambacht.

Het blijkt eigenlijk pas enkele bladzijden verder in de jaarboeken van Veurne dat de bewuste vergadering van 15 juni 1488 er gekomen is op uitnodiging van Maximiliaan zelf en dat die doorgegaan is in Sint-Winoxbergen. De aanwezigen krijgen er de niet mis te verstane aanbeveling om daar ook hun eed van getrouwheid aan de Roomse koning af te leggen. Die van de omgeving van Veurne en van enkele andere steden van West-Vlaanderen doen dat met plezier en overtuiging.

De rest van Vlaanderen kan de houding van Veurne allerminst smaken en maakt dat direct duidelijk. ‘Die van Brugge en van het Brugse Vrije kwamen dikwijls onverwacht over de Ijzer om in Veurne-Ambacht te plunderen en te roven. Om dat te beletten werd er bevolen om het zeewater via de sluis van Nieuwendamme in de Ijzer te laten stromen, zo hoog als het mogelijk was. En verder dat de landslieden van de nabijgelegen dorpen de wacht moesten houden langs de Ijzer. Er werd nog een sterkte of een schans gemaakt om de sluis te beschermen en om de doorgang naar Nieuwendamme te beletten. De versterking werd door de lieden van St.-Joris en Ramskapelle bewaakt. Ondanks al die voorzorgen trokken de Vrijlaten af en toe toch wel degelijk de Ijzer over en richten ze grote schade aan in de kasselrij.’

Het volk van Veurne-Ambacht pikt dat geweld natuurlijk niet en verzoekt aan de kapitein van Veurne om met een deel van zijn garnizoen naar het Vrije te trekken om er orde op zaken te stellen. Met succes trouwens want ik lees onmiddellijk dat enkele pelotons direct vertrekken richting Nieuwpoort om enkele van hun collega’s op te pikken om nu samen te vertrekken naar de regio Brugge. ‘Ze liepen gezamenlijk geheel het Vrije af, allerhande vijandelijkheden bedrijvende terwijl de landslieden van Veurne-Ambacht de Ijzer overstaken en binnenvielen in dezelfde streek waar ze niets of niemand spaarden en er zorgen voor grote hinder.’

De magistraten van het Veurnse zijn natuurlijk op de hoogte van de extra Franse troepen die op komst zijn om de Staten van Vlaanderen te ondersteunen tegen Maximiliaan. Ze zenden spionnen uit om te weten te komen waar de Fransen hun kampen zullen opslaan. Dat blijkt Ieper te zijn. Langs de wegen van de kasselrij van Veurne wordt nu overal gewapend landvolk geplaatst om het platteland van plundering te vrijwaren.

Op 21 juni 1488 is het zover. Een Frans leger bestaande uit vijfduizend man voetvolk en zeshonderd ruiters komt Vlaanderen binnen op zijn weg naar Ieper. Hun leider is Philippe van Creveceur, de heer van Cordes. De maatregelen om den buiten te vrijwaren slaan natuurlijk nergens op tegen zo’n bende volk. Ik had het kunnen denken. ‘Dat volk haalde op de parochies van de kasselrij ten zuiden van de Ijzer gedurende hun trip grote roof.’ In Ieper zijn ze daar niet gelukkig om. Het was voor niets nodig om de onschuldige Vlaamse burgers van de buitengebieden te pluimen. De heer van Cordes reageert hierop door de gestolen dieren te laten terugbrengen naar hun oorspronkelijke eigenaars.

De Fransen hebben zich ondertussen al meester gemaakt van Duinkerke en zijn van plan om de hele Westhoek onder hun controle te brengen. Joris van Everstein, een Duitse kolonel en Denis Van Morbeecke laten dit niet zomaar gebeuren en sturen er Duitse, Vlaamse en Bourgondische manschappen op af om de bezetters uit de havenstad te verjagen. Iets waar ze ook in slagen en nu richten ze hun pijlen op Roesbrugge dat blijkbaar meezeult met de rebelse Staten van Vlaanderen tegen Maximiliaan.

‘De sterkte van Roesbrugge wordt ingenomen en het dorp wordt samen met de kapel in brand gestoken’. Ik weet het direct als ik de titel aan de rechterkant van het handschrift er op naspeur. Blijkbaar houden nogal wat rebellen zich verschanst in een of andere versterking die nu onder vuur komt te liggen van de legers uit Veurne. Na enkele stormlopen zwichten driehonderd verschanste rebellen voor de overmacht en worden ze verplicht om zich over te geven. Hun rijke buit zijn ze kwijt. Het hele dorp wordt inderdaad samen met de kapel en veel huizen en hofsteden uit het omliggende verbrand omdat de mensen het hier hebben aangedurfd om de wapens op te nemen tegen de Roomse koning.

Die van Veurne en Nieuwpoort staan zoals eerder gezegd dus wel aan de kant van Maximiliaan en dat verschaft hen blijkbaar een alibi om nu ook grote schade aan te richten in het Brugse Vrije. Blijkbaar zijn ze niet enkel tevreden met het plunderen van de mensen, maar proberen ze die ook gevangen te nemen zodat er een systematische vlucht op gang komt tot aan de poorten van Brugge. De Bruggelingen wachten niet lang om hierop te reageren. Samen met die van het Vrije trekken ze er op uit om een einde te maken aan deze verderfelijke roofpartijen. Ik blijf in het ongewisse rond het aantal Bruggelingen die aan deze acties deelnemen, maar blijkbaar zijn er toch voldoende om al de versterkingen en de huizen in de regio Nieuwpoort en Diksmuide te gaan bezetten.

Everstein en Van Morbeecke laten het niet zomaar gebeuren en sturen er hun mannen op af. De kastelen van Gistel, Esen en Woumen worden heroverd en daarmee is de Westhoek weer gezuiverd van Bruggelingen. Iets wat natuurlijk niet lang duurt, wanneer die van Brugge een nieuwe aanval opzetten. Ik moet er geen tekening rond maken, maar wil toch wel de bemerking doorgeven dat Filips van Kleef, de heer van Ravenstein zich nu aan het hoofd zet als kapitein-generaal van de troepen. De reactie van Brugge heeft geleid tot een nationaal leger dat de Westhoek nu toch wel eens echt wil aanpakken.

11 augustus 1488. Ravenstein trekt richting Westhoek met een leger van zeventienhonderd ruiters en tweeduizend mannen voetvolk uit Brugge, aangevuld met zesduizend man voetvolk uit het Noord- en West Vrije. Ze stappen de hele nacht naar de streek van Nieuwpoort waar ze bij aankomst hun tenten opslaan aan de buitenzijde van de beruchte stadsmuren. ‘Kies de zijde van Maximiliaan en niet die van zijn zoon Filips’ eist Ravenstein, iets wat ‘die van Nieuwpoort stoutelijk weigerden.’

Denis Van Morbeecke schiet te hulp vanuit Veurne en begint op zijn beurt de belegeraars van Nieuwpoort aan te vallen, iets waar hij blijkbaar ook in slaagt want de Bruggelingen zien zich verplicht om zich terug te trekken. Ravenstein laat een brug optrekken ter hoogte van Schoorbakke. Terwijl die van Veurne zich hebben laten verleiden om Nieuwpoort te ontzetten, kan zijn leger misschien van de situatie profiteren door het nu relatief onbeschermde Veurne aan te vallen. Van Morbeecke ziet zich verplicht om zijn troepen haastig terug te sturen. Stratego op zijn best. De Bruggelingen sluiten zich de 13de augustus aan bij het Franse leger en bezondigen zich nu natuurlijk ook aan roof en plundering van de Westhoek.

De heren van Ravenstein en Cordes nemen nu Sint-Winoxbergen in de tang. Bergues. Het duurt niet al te lang voor de stedelingen zich daar overgeven. Ze mogen al tevreden zijn dat ze lijf en goed mogen houden. Daniel van Praet, de gouverneur van Sint-Winoxbergen, geeft zich niet over en vertrekt met zijn medestanders naar Broekburg die hij wat later ook daadwerkelijk inneemt. Van Praet verhuist nu naar Nieuwpoort waar hij aangesteld wordt als de nieuwe baas van de stad.

In Veurne zitten ze met de nodige schrik om hetzelfde lot te ondergaan als dat van hun buurstad Bergues. Op 22 augustus vertrekt Joos van Ekelsbeecke op missie naar Nieuwpoort en Diksmuide om daar bijstand te zoeken zodat Veurne een aanval van de Fransen zou kunnen overleven. Hij krijgt zijn medestanders zo ver dat ze tweehonderd Duitsers naar Veurne sturen om de stad te helpen verdedigen.

Er komt trouwens nog meer keizerlijke steun naar de Westhoek afgezakt. Nu ja. Afgezakt is een eigenaardig woord in deze context. Het gaat over een vloot Duitse soldaten die vanuit Holland via de Noordzee op weg is naar de haven van Nieuwpoort. Ravenstein brengt de inwoners op de hoogte van de nakende komst van soldaten en hulpgoederen en zo kom ik te weten dat die zogezegde Nieuwpoortse steun aan Maximiliaan er vooral komt uit de hoek van de rijkere burgerij en de adel. De gewone burgers weten het zo niet en ondergaan de keuzes van de elite alleen maar. Veurne en Nieuwpoort zijn nu al kop van jut voor de rest van Vlaanderen. De komst van de Duitse schepen zal er nog een schepje bijdoen. En wie zal achteraf de pineut zijn? Juist. Zijzelf, de arme inwoners van Nieuwpoort. En heel gerust in die vreemde snuiters zijn ze trouwens ook niet. Zo blijkt het toch.

‘Daardoor rees tussen de burgers een grote twist. Het merendeel wilde niet dat die schepen in de haven zouden worden binnengelaten uit vrees voor de dreiging van Ravenstein en verder meenden ze dat ze grote overlast zouden hebben van die Duitsers.’ De als ‘schalks’ omschreven burgemeester van Nieuwpoort drijft natuurlijk zijn zin door en laat de soldaten toe in de haven en het centrum. ‘Een groot deel van die vreemde troepen bleef te Nieuwpoort en de rest werd naar Veurne en Diksmuide gezonden.’

De nieuw gearriveerde krijgsmacht zorgt onmiddellijk voor een verandering in de burgeroorlog. ‘De Duitsers deden scherpelijk den oorloge aan de weerspannige Vlamingen. Ze overvielen hun parochies en persten de inwoners ervan uit’. In Duinkerke nemen ze het zekere voor het onzekere en verzoeken ze om onderdak te mogen geven aan een garnizoen Duitsers. De enclave van steden die de Roomse koning trouw blijven situeert zich nu duidelijk in de hele Westhoek met Ieper als uitzondering en over de mening van de Poperingenaars krijg ik geen duidelijkheid.

Sint-Winoxbergen en Bergen-Ambacht vallen na de machtsovername van Ravenstein en Cordes nu wel in het gebied van de vijanden van Maximiliaan en dat zorgt natuurlijk voor de nodige tweespalt in het Westkwartier. ‘De Bergenaars en de Hondschotenaars plegen vijandelijkheden in Veurnambacht’, ik kan er niet naast kijken. ‘De inwoners van Bergen-Ambacht toonden nu dat ze vijanden van de Roomse koning waren. Ze deden de oorlog aan zijn trouwe onderdanen en kwamen dagelijks in de kasselrij van Veurne uitlopen, en roofden daar alles wat ze vonden. Die van Hondschote die al altijd tegen Maximiliaan geweest waren, handelden nog wreedaardiger.’

Er komt natuurlijk officieel protest. De daaropvolgende gesprekken tussen de gouverneurs van Bergues, Nieuwpoort en Veurne leveren niet veel op. De Nieuwpoortnaars hebben van koning Maximiliaan het bevel gekregen om diegenen van Hondschote die zich tegen hem hadden verklaard en nu grote schade aanbrachten aan het land, zeker niet te sparen. Gouverneur Merwede van Nieuwpoort en opperbaljuw van Vlaanderen geeft daarop de opdracht aan de Duitse garnizoenen in Nieuwpoort, Veurne en Diksmuide om in te grijpen en een einde te maken aan de roofpartijen. Ik moet me nu ergens in de meimaand van 1488 bevinden.

Hondschote is op zijn hoede. De stedelingen houden massaal de wacht en bij het minste onraad staan er zes à zevenduizend manschappen klaar om met wapens te reageren. De Duitsers en die van Bourgondië boeken nochtans hier en daar wel eens een succesje als ze benden Hondschotenaars kunnen betrappen tijdens hun dieverijen. Tussen al dat geweld door blijkt het van langs om meer dat het zeker geen zuiver zwart-wit verhaal is hier in de Westhoek. De meningen onder de inwoners zijn sterk verdeeld. Het bestuur van Nieuwpoort en Veurne probeert hun mensen aan de kant van de Roomse koning te houden. Omdat de boodschap vanuit Ieper precies andersom is, zorgt dat natuurlijk voor grote twijfel en meningsverschillen bij de buitenmensen. De inwoners van de acht parochies ten zuiden van de Ijzer en al de dorpen die grenzen aan Hondschote weten niet wat ze willen.

Houtem, Leisele, Beveren en Izenberge worden bij naam genoemd omdat hun inwoners nogal wat zaken doen met die van Hondschote en ze zich eigenlijk niet kunnen veroorloven om hun zakenpartners als vijanden te beschouwen. Terwijl hun bestuurders hen aanzetten om toch maar aan de kant van Maximiliaan te blijven, geneert het krijgsvolk uit Diksmuide zich niet om de inwoners die meezeulen met de Hondschotenaars aan te pakken. Het dagboek van mei 1488 vertelt het allemaal in geuren en kleuren.

‘Het krijgsvolk van de bezetting uit Diksmuide liep dikwijls de kasselrij uit, rovende en de landlieden plunderende en dit allemaal onder het voorwendsel dat de inwoners van daar weerspannig waren. Maar omdat ze zowel de getrouwe als de weerspannige mensen beroofden, stuurde het magistraat van Veurne-Ambacht hun gevolmachtigden naar de heer Archembaut van Haveskerke, de heer van Diksmuide en Watou, de man die dit krijgsvolk onder zijn controle had. Er werd hem bevolen dat hij zijn volk niet meer mocht toelaten op het grondgebied van de kasselrij of dat ze anders wel genoodzaakt zouden zijn om hun betalingen ten behoeve van het garnizoen stop te zetten.’

Er volgt in elk geval een niet mis te verstane verwittiging. De Duitse kapiteins zouden weleens versteld kunnen staan van dit volk dat ze hier kort willen houden. ‘Ze vreesden dat de bevolking van Veurne-Ambacht wel eens helemaal de zijde van de Roomse koning zou kunnen afvallen.’ Het kostenplaatje van al die oproer loopt in elk geval altijd maar hoger op voor Veurne. Eerst waren er die kosten om de versterkingen weer op punt te krijgen en nu moeten de mensen nog eens al die vreemde soldaten betalen omdat de Roomse koning blijkbaar zelf niet bij machte is om zijn eigen manschappen te betalen.

‘De burgers waren door die zware lasten zeer verarmd en de stad ten uiterste met schulden beladen en daar kwam nog bij dat de landen overal verwoest waren en het daardoor een erg dure tijd was met een tarweprijs die al was opgelopen tot vijftien ponden per rasier.’ En toch laten de Veurnenaars de moed niet zakken. Denis van Morbeecke en meneer van Merwede stellen hen grote voordelen in het verschiet wegens hun trouw aan de Roomse koning. De beloning voor hun getrouwheid en bewezen diensten zal zeker volgen. Ik hoop stilletjes dat Maximiliaan dan niet meer blut zal zijn.

Het stadsbestuur van Veurne wil wel wat meer dan vage beloften van de Duitser. Er kunnen nu al maatregelen genomen worden. De saaiweverij (de productie van een soort gekeperde wollen stof) van Hondschote is een erg succesvolle handelsactiviteit. Waarom zou Veurne-Ambacht de keure van Hondschote niet kunnen overnemen? De bevolking daar speelt sowieso met zijn voeten, dus wat zou er Maximiliaan tegenhouden om de zaken te verhuizen naar Veurne? En zo gaat er een ‘rekwest de deur uit waarbij ze de Roomse koning verzochten de stapel van de Hondschootse saaiweverij en de koopmanschap ervan naar hun stad over te brengen om die hier te laten floreren net zoals dat het geval was in Hondschote zelf. Ze verzochten dit voorrecht in vergelding van hun getrouwheid en ter compensatie van de grote schade en kosten die ze al hadden geleden.’

De vis bijt. Maximiliaan stemt in met het verzoek van Veurne en zal daarmee ongetwijfeld de gemoederen in Hondschote nog verder ophitsen. Lees zelf maar: ‘de Roomse koning perfect op de hoogte van de inspanningen van Veurne en de weerspannigheid van Hondschote, heeft het gebruik van de saaiweverij van diegenen van Hondschote ontnomen met een formeel verbod om zich er nog verder mee in te laten. Hij heeft het voorrecht gegeven aan die van Veurne om aldaar bedreven te worden. Hij gaf daar zijn bezegelde brieven en dan volgt een hele litanie van ‘Maximilien, par le grace de Dieu, enzoverder enzoverder.’ De stommelingen van Hondschote hebben kort samengevat in hun eigen voet geschoten.

Met goede voornemens en de toelating om te weven heb je natuurlijk niet voldoende. Men moet ook de specialisten hebben. Veurne zwaait nu met grote voordelen om de saaiwevers van de regio Hondschote aan te trekken. Goede statuten en vergunningen en zeker en vast ook de nodige stabiliteit om op lange termijn goede zaken te kunnen doen. Zo lang de oorlog woedt kan er niet gedacht worden aan enige verhuis of hetzij dat de stad Hondschote te niet zou worden gedaan.

De lakenreders (de drapeniers) en de kooplieden hebben één zaak gemeen. Ze kunnen de Roomse koning niet uitstaan. En dat is duidelijk een probleem voor Veurne dat erg Maximiliaangezind is. De gevolgen ervan worden direct zichtbaar: ‘bovendien hadden de drapiers en de kooplieden van saai zulk een haat tegen de Roomse koning en tegen die van Veurne dat ze daar nooit en hadden willen wonen; want van toen het gezeide bevel bekend was geworden, zijn de rijkste lieden, drapiers en kooplieden, vertrokken binnen de stad van Ieper.’

Philips van Hoorne, de heer van Hondschote is het grootste slachtoffer van de verhuis. Hij verliest zijn procentjes waarop hij gaat flemen en klagen bij Maximiliaan. De prins kan toch onmogelijk de stapel der saaiweverij vervreemden van zijn heerlijkheid? Veel aarde brengt zijn tussenkomst niet aan de dijk, buiten wat vage beloftes rond enkele tegenprestaties van de koning mag hij het schudden.

Ondertussen gaat de burgeroorlog verder zijn heftige gang. Die van Diksmuide en Nieuwpoort lopen gedurig in het Brugse en in het land van de Vrije waarbij ze grote schade aanrichten bij de inwoners van die streken. ‘Ze vingen en rantsoeneerden niet alleen het volk, maar ze beletten dat er geen eetwaren van langs deze zijde in Brugge kon geraken.’ De Bruggelingen kunnen natuurlijk moeilijk blij zijn met de situatie. Vergramd is het juiste woord, waarop ze zich voornemen om Diksmuide en Nieuwpoort aan te vallen, in te nemen en met de grond af te breken. Het moet inderdaad wel heel hoog zitten in Brugge.

Het kan hen niet schelen of het winter is of niet, maar op woensdag 18 januari 1488 trekt een leger Brugse aanhangers op om Diksmuide in de tang te nemen en voor zich te winnen. Eigenlijk is er geen enkele maand geschikt om oorlog te voeren. Januari al zeker niet. Die van Brugge komen er snel achter dat ze niet van de slimste geweest zijn om militaire acties te plannen in het hartje van de winter. ‘Al de zaken gebeurden niet naar hun wens want ze waren verplicht door het hoog water en door de gedurige regen om hun beleg op te breken.’

Een paar weken later, op 3 februari slaagt Denis van Morbeecke erin om St.-Omer te heroveren op de Fransen. Niet zonder de hulp van Bourgondische soldaten en de Vlamingen. Ik moet hier vooral lof toezwaaien aan Veurnenaar Jacob Van der Burgh, de zoon van Achiel die op eigen kosten zestig man heeft aangetrokken en zo de overwinning heeft bewerkstelligd. De kasselrij van Veurne zal hun held rijkelijk belonen van zodra deze ellende achter de rug is. Naast St.-Omer komen eveneens Broekburg, Grevelingen en Sint-Winoxbergen in de handen van de rebellen.

Kroniekschrijver Pauwel komt nog eens terug op de diepe meningsverschillen tussen de koningsgezinden en hun tegenstanders. Het dilemma verscheurt haast letterlijk de kasselrij van Veurne. Zoveel ellende en verwoestingen hebben de inwoners nog nooit meegemaakt. Ik krijg een lijstje voorgeschoteld van de parochies die de raad van Vlaanderen steunen; Haringe, Stavele, Proven, Krombeke, West- en Oostvleteren, Reninge, Beveren, Leisele, Houthem en een deel van Izenberge, samen met de acht parochies waar bijvoorbeeld Elverdinge en Vlamertinge toe behoren.

‘De overige prochien hielden met die van Veurne aan en diesvolgens met de Roomse koning en zijn zoon Filips’. De schrijver van de jaarboeken verliest er ook een beetje het noorden bij. In feite zijn al de partijen het eens dat zoon Filips de nieuwe opvolger wordt. De hele oorlog gaat hem over de heikele kwestie of Maximiliaan tijdelijk zal toegelaten worden als regent in afwachting dat zijn zoon daar rijp voor zal zijn. De tweestrijd in Vlaanderen is een idiote oorlog. Elk conflict is er één te veel, maar deze revolutie hier in het hartje van de Westhoek spant toch duidelijk de kroon op gebied van stupiditeit.

Het ergste is natuurlijk dat de inwoners zich tegen elkaar keren. ‘De inwoners van de weerspannige parochies richtten groot kwaad aan bij de parochies die wel aan de Roomse koning trouw waren gebleven.’ Pauwel kiest duidelijk partij voor Veurne, de rest catalogeert hij als weerspannig. De goeden dat zijn volgens hem het stadsbestuur en de edelen van de kasselrij Veurne en natuurlijk al de treffelijkste families die het meest te verliezen hebben bij het eventueel vertrek van Maximiliaan. De schrik zit er in elk geval diep in. Ze trekken hun mensen zo veel mogelijk terug uit hun huizen en hofsteden in de buitengebieden en laten alleen het volk achter om er de noodzakelijk landbouwactiviteiten te verrichten, waardoor het voor de inwoners van de weerspannige parochies nu nog gemakkelijker wordt om deze eigendommen aan te vallen te beroven, te verbranden of zelfs helemaal te neder te werpen.’

Dat de burgerij van Veurne dat spuugzat is lijkt me geen verrassing. ‘De Veurnenaars die deze moedwilligheden wilden beletten, stuurden hun volk uit waarbij er soms sterk gevochten werd tussen beide partijen.’ Het ergste van allemaal komt er natuurlijk als die van Veurne hun nood gaan klagen bij de Duitse huurlingen die zich er nu mee gaan moeien en er natuurlijk van profiteren om mee te plunderen. Allemaal één pot uitzichtloos geweld met wisselend succes, maar de weerstand van de parochies blijft hardnekkig zodat Veurne en zijn Duitsers er maar geen vat op kunnen krijgen.

Veurne zoekt vertwijfeld hulp hogerop. Alleen kunnen ze hun kasselrij niet de baas. Hun vraag aan Maximiliaan is best venijnig. ‘Krijgen we een vergunning om onze muitende inwoners als rebellen te straffen?’ Op 1 april 1488 ontvangen ze via zijn bezegelde brieven de toelating hiertoe. De gevolgen ervan worden direct zichtbaar op het veld. ‘Zohaast het magistraat dit octrooi ontvangen had, deed het enkele van de voornaamste weerspannigen die de zaak opgestookt hadden of misdrijven gepleegd hadden vangen. Al deze deed men hangen, onthoofden of verbannen, naar de ernst van elke misdaad.’ Ik krijg ook nog de bemerking dat er zich bij de inwoners van de weerspannige parochies nogal wat individuen rondlopen die ik kan catalogeren als niet van hier. Avonturiers, nietsnutten, al dan niet recidive boelzoekers, hooligans op zoek naar gelegenheden om keet te schoppen. Het lijkt er wel op dat ik een of andere belangrijke voetbalwedstrijd aan het bijwonen ben.

Sint-Winoxbergen, Broekburg en Grevelingen komen weer onder de gehoorzaamheid van de Roomse koning en dat betekent dat er vanuit die hoek veel minder druk komt op de kasselrij van Veurne. En het verbetert er verder op als ook Hondschote zich schikt naar Maximiliaan. De grootste problemen komen nu vanuit de streek van Ieper en natuurlijk nog altijd van het Brugse Vrije. De Ijzer wordt nu nauwkeurig in de gaten gehouden. Tussen Nieuwpoort en Diksmuide houden de inwoners van de omliggende dorpen deze waterloop in de gaten.

In de streek van Knokke en Nieuwkapelle zwaaien Passchier Heurlebout en zijn mannen de scepter. Elzendamme wordt bewaakt door Jacob De Crane. Een garnizoen van soldaten, aangevuld door landslieden bezetten de sterkte van Roesbrugge, ze worden hier trouwens voor betaald door de kasselrij zelf. Ze staan onder de leiding van de kapiteins Joos van Ekelsbeecke en Jan Veyse. Langs elke brug over de Ijzer staan er goede wachten opgesteld zodat de vijanden uit Brugge en Ieper er onmogelijk kunnen binnendringen.

Het is een toestand die zowat één jaar in stand blijft. Het volgende nieuwsfeit wordt immers pas in mei 1489 voor het voetlicht gebracht. De aandacht van Brugge op Nieuwpoort en Diksmuide is de hele tijd niet verslapt. Met het aanbreken van de zomer van 1489 willen ze de gehate steden overmeesteren. Ze krijgen alvast de bijstand van vierduizend gewapende Gentenaars en achthonderd Fransen die zich gaan opstellen op een plek die ‘ter Tempelhove’ genoemd wordt, ergens tussen Nieuwpoort en Diksmuide.

Ze krijgen op 26 mei het gezelschap van de mannen uit Brugge en het Vrije. De voormalige tempeliershofstede ligt in elk geval dicht bij de Ijzer. Het is hier dat de manschappen een brug over de stroom bouwen om zich nu toegang te verschaffen tot de streek van Veurne-Ambacht waar er nu sprake is van dagelijkse raids en rooftochten. ‘Ze staken veel huizen in brand en namen de lieden gevangen die ze op rantsoen stelden. Iets wat de landslieden die aan de Ijzer de wacht hielden niet echt konden beletten en hetzelfde kan verteld worden van de garnizoenen van Veurne, Nieuwpoort en Diksmuide.’

De vijandelijke bende verhuist zijn kamp nu naar Beerst en na amper twee dagen marcheren ze richting Diksmuide waar ze beginnen aan een belegering met de nodige beschietingen van de stadsmuren. Het is nu wachten op een groot Frans leger van twintigduizend mannen die blijkbaar op komst zijn onder het gezag van de graaf van Vandôme en van maarschalk de Creveceur.

Denis van Morbeecke, gouverneur en kapitein van Veurne en Veurne-Ambacht weet dat er versterkingen op komst zijn en wat de plannen van de vijand zijn. ‘Hij stuurde Omaar De Crane met honderd mannen naar Diksmuide om hen bij te staan. Zelf trok hij naar Calais om er bijstand te zoeken bij de Engelsen. Hij hoopte op hun medewerking om snel de weerspannige Vlamingen neer te slaan nog voor de komst van de Fransen. Van Morbeecke heeft geluk. In Calais krijgen ze de toestemming van de koning van Engeland om de Roomse koning bijstand te verlenen.

Die steun vertaalt zich in een leger van tweeduizend Schotten, duizend lansiers die hier wel erg mooi ‘pijkeniers’ genoemd worden. Ze behoren tot het voetvolk. Daarnaast is er sprake van driehonderd ruiters, zestien stukken grof geschut en acht zwaarbewapende schepen die nog een pak volk aanbrengen via de Noordzee en Nieuwpoort. Neem daarbij nog een volwassen garnizoen van Calais zelf dat zich via een tussenstop bij het klooster van Ter Duinen gaat aansluiten bij tweeduizend Vlamingen, meestal afkomstig uit Veurne en Veurne-Ambacht.

Het groot leger verplaatst zich nu naar Diksmuide waar het uiteraard nog uitgroeit met de veertienhonderd lokale manschappen van Archembault van Haveskerke, de heer van Diksmuide. Er is trouwens verder nog sprake van enkele pelotons Bourgondische en Duitse soldaten. Allemaal een beetje te veel van het goede voor de Bruggelingen die zich op 12 juni 1489 haastig terugtrekken van hun Diksmuidse stellingen en zich begeven naar de brug van Beerst. Hun leger staat onder de leiding van Joris Picavet de voormalige schout van Brugge.

Het komt zoals gevreesd tot een gewapend treffen aan de Ijzerbrug van Beerst. Ik presenteer jullie een kort verslagje van de feiten: ‘de Engelsen en de getrouwe Vlamingen hebben diezelfde dag de weerspannigen sterk besprongen en ze werden gevolgd door de Duitsers en de Bourgondiërs die hen van alle kanten aanvielen. Omdat de weerspannige Vlamingen zich met grote moed verweerden, werd er straf gevochten en veel bloed vergoten. Uiteindelijk moesten deze Vlamingen het veld ruimen waarbij ze tweeduizend doden moesten achterlaten. Er werden zeshonderd gevangenen geteld en het aantal gewonden was beduidend hoog.’ Via een voetnoot kom ik te weten dat de inwoners van Beerst zelf aan de kant van de Engelsen stonden tijdens de strijd.

Ook aan de zijde van die van Veurne worden er verliezen opgetekend. De Engelsen treuren om het verlies van de graag geziene gouverneur van Guines. Zijn dood zorgt voor revanchegevoelens waarbij nog veel andere Vlamingen de dood worden ingejaagd. Het Frans garnizoen heeft zich blijkbaar niet te veel aangetrokken van de clash bij Beerst, maar krijgt achteraf toch lik op stuk wanneer het ter hoogte van een grote hofstede in de buurt van Diksmuide tot een nieuwe confrontatie komt waarbij ‘de Engelsen hen met zulk een felheid overvielen en hen allemaal dood smeten.’

Het leger van Maximiliaan blaast verzamelen in Nieuwpoort en sluit zich aan bij de extra Engelse troepen die ondertussen aangekomen zijn van over de Noordzee. Aangevuld met nog meer verse troepen trokken Denis van Morbeecke en Daniel van Moerkerke, de heer van Merwede naar Oostende die ze nog diezelfde dag in hun bezit nemen. Ze worden hier trouwens op de hoogte gebracht van de komst van het groot Frans leger.

Financiële problemen steken weer eens stokken in de wielen. Veel beloven en weinig geven is blijkbaar het motto van elke overheid. Er werd soldij voorzien voor de Engelse manschappen die vochten bij Beerst. Hier in Oostende blijkt dat noppes te zijn en dat is niet naar de zin van de mannen. ‘We hebben zo ferm gevochten en zoveel kloeke mannen verloren daar aan die brug en nu blijkt het dat we niet eens betaald worden.’ Ze vergeten er natuurlijk wel bij te vertellen dat de dreigende Franse overmacht niet echt spek voor hun bek is en de kwestie van de niet-betaling kan ik dan ook gerust beschouwen als een goedkoop excuus om niet te moeten vechten. Ze muizen er in elk geval van onder. Terug naar hun veilige thuishaven daar in Calais.

De komst van de Fransen en het vertrek van de Engelsen zorgen natuurlijk voor grote ongerustheid in Veurne en voor allen die het hebben opgenomen voor Maximiliaan. En dan nog door geldgebrek! Hoe dwaas. Tot overmaat van ramp blijken de Duitsers en de Spanjaards ook ‘kwalijk tevreden omdat ze niet betaald en werden’. Roelant Le Febure, de algemeen ontvanger van Vlaanderen en Denis van Morbeecke trekken naar de trouwe steden op zoek naar geldmiddelen. De stadsmagistraten van Veurne krijgen ze over de vloer met diezelfde dringende vraag om financiële middelen. En wat kunnen ze anders? Het is dat of de volle laag van de Fransen en ‘alhoewel die van Veurne ver ten achteren waren door al deze oorlogen, gaven ze nochtans aan voornoemde ontvanger de som van 8.832 gulden, zijnde een uitnemende grote som geld in die tijd. Veurne zal hiervoor een jaarlijkse intrest krijgen. Ook Veurne-Ambacht doet zijn deel in dat bedrag, iets wat niet evident is met zoveel inwoners op de vlucht.

Le Febure haast zich met het geld naar Calais om er de Engelsen te vergoeden voor hun services. Kan de Roomse koning nog verder op hen rekenen? Wat later komt hij terug in het gezelschap van twaalfhonderd huurlingen. Voldoende om de garnizoenen van Veurne, Diksmuide en Duinkerke weer aan te vullen. Hier in Veurne zijn ze er hoe dan ook niet gerust in. Zullen de stadsversterkingen het houden tegen dergelijke overmacht? Ze besluiten om de eventuele zwakke plekken aan te pakken. Nogal wat gebouwen van de abdij van St.Niklaas liggen op of net buiten de vestingen en daar kan de vijand misschien wel gebruik van maken. ‘Het stadsbestuur deed de voornoemde muren en gebouwselkens afbreken waardoor het klooster grote schade leed. Men deed ook verder enkele huizen te gronde werpen omdat die te dicht bij de stadsmuren stonden, ook liet men de hagen en bomen van daar omtrent afkappen.’

In de hele omgeving van Veurne-Ambacht zijn er nogal wat landerijen en gronden die eigendom zijn van rijke lieden uit Gent, Brugge en Ieper. ‘Als deze lieden het zich kunnen veroorloven om tegen hun koning te zijn, dan moeten ze niet verwonderd zijn als ik hun eigendommen in beslag neem.’ Dat zal zowat de gedachtegang zijn van Maximiliaan. De magistraten worden in elk geval verplicht om deze eigendommen te inventariseren, welke de Roomse koning ‘om hunlieder weerspannigheid ’t zijnenwaarts trok.’

De Fransen hebben ook niet gewacht. De graaf van Vendôme en maarschalk de Creveceur arriveren in de Westhoek met een leger van twintigduizend man. Op 17 juni slaan ze hun kamp op ter hoogte van Ieper enkele dagen later gaat het richting Oostende. De 23ste beginnen ze aan de belegering van de stad Nieuwpoort. Ze maken gebruik van zwaar geschut waarbij het wel lijkt dat de grond aan het scheuren is. De vijandelijke schiettuigen zijn op zich wel vernieuwend en innovatief maar ze brengen in eerste instantie alleen veel gedruis en lawaai terwijl de projectielen amper schade aanrichten aan de stenen stadsmuren. Dat de technologie nog in zijn kinderschoenen staat, ondervindt de Creveceur aan den lijve als een stuk geschut in zijn gezicht ontploft.

Nu de bombardementen niet veel uithalen wordt er besloten om de stadsmuren te ondermijnen, maar de Nieuwpoortnaars ‘mijnden tegen en zij deden daardoor veel Fransen versmachten.’ Ik ga verder met het verslag van de confrontatie zoals dat beschreven staat in de jaarboeken van Veurne. ‘Ten leste nadat de vijand toch openingen gekregen had in de stadsmuren trachten de Picardiërs en de soldaten van Boulogne er met geweld door te breken waarbij ze geweldig storm liepen. Ze werden echter kloekmoedig weerstaan en moesten zich terugtrekken hierbij veel volk achterlatend.’

‘De Zwitsers deden daarna een harde stormloop en ze werden eveneens tegengehouden. Ziende dat hij in zijn opzet niet zou slagen, deed de graaf van de Vendôme een groot deel ruiters van hun paarden stijgen en hij deed hen ook geweldige inspanningen leveren. Zo een geweldige stormloop had men hier in Nieuwpoort nog nooit gezien of gehoord. En toch werd die weerstaan door zowel de soldaten als de inwoners wiens vrouwen de mannen moed kwamen inpraten en zelfs meehielpen om de vijand te verslaan. In deze aanval bleven er veel vreemde ruiters dood.’

‘Middelertijd was Denis van Morbeecke ter hulp gekomen aan het hoofd van tweehonderd Engelsen die hij uit de garnizoenen van Veurne en Duinkerke opgetrommeld had en die hij via de richting van Diksmuide binnengeloodst had in de Nieuwpoortse vesting. De graaf van Vandôme die bemerkte dat er meer gewapend volk in de stad was dan men hem had wijsgemaakt en dat hij zo gemakkelijk niet kon winnen als hij aanvankelijk gedacht had, brak zijn leger op en trok naar de kanten van Oostende waar zijn mensen de landslieden van het Vrije ruïneerden.’

Wat een geluk toch dat Nieuwpoort zich verzet heeft tegen de Fransen. Schrijver Pauwel kijkt nog eens tevreden achter zich. Daniel van Moerkerke en zijn inwoners krijgen terecht alle lof voor hun hardnekkige weerstand. Moesten de Fransen er in geslaagd zijn om Nieuwpoort in te nemen, dan zouden ze zich natuurlijk gestort hebben op Diksmuide en Veurne, ‘welke steden met al hetgeen ze bevatten zij tot roof zouden gegeven hebben aan hun soldaten die de steden achteraf zouden hebben verbrand.’

Ikzelf heb minder tijd voor deze beslommeringen. De realiteit van de dag roept me tot de orde. Terwijl de Fransen voor Nieuwpoort lagen, hebben ze natuurlijk de hele streek van Veurne afgelopen op zoek naar buit, ‘hierbij rovende en plunderende en ze staken het vuur in al de huizen en de hofsteden waar ze kwamen, hetgeen jammer was om te zien.’ Denis van Morbeecke beseft het maar al te goed, maar houdt zijn mensen krampachtig in de cocon van de Veurnse stadsmuren. Met de helft van de mensen aanwezig zou hij dan al zeker zijn om een Frans beleg te weerstaan. ‘Gedurende het beleg van Nieuwpoort was hij dag en nacht in de weer om alles te verschaffen tot bewaarnisse van deze stede en ook om bijstand aan zijn inwoners en die van Nieuwpoort te geven.’

De oorlog en de verwoesting van de landbouwgrond zorgen natuurlijk voor een dure tijd. ‘Een dieren tijd’, precies zoals onze mensen het nu nog zouden zeggen. De prijs van de tarwe is al opgelopen tot zestien gulden per rasier, de rest van de levensmiddelen is in gelijke mate duurder geworden wat natuurlijk een probleem betekent voor de arme mensen. Achter de schermen zijn de koningen op zoek naar een vergelijk om de oorlog te doen ophouden. ‘Eindelijk kreeg men in de oogstmaand van 1489 de mare dat er een vrede gesloten was tussen de koning van Frankrijk, de Roomse koning, en die van Engeland en Spanje, die de weerspannige leden van Vlaanderen erbij betrokken hadden.’

Ieper, Brugge en Gent werden dus mee in het bad van de onderhandelingen getrokken. De gesprekken zijn moeilijk en tergend langzaam verlopen. De steden zullen gestraft worden voor hun rebellie, maar het zijn niet Maximiliaan en zijn Duitsers die met de roede zullen zwaaien. De strafuitvoering komt in handen van de Franse koning die trouwens ook wel verantwoordelijk geacht wordt voor de voorbije tweespalt in zijn leengebied Vlaanderen.

Op 1 december 1489 wordt de vrede officieel verkondigd in Veurne. Het nieuws zorgt voor vreugde waarbij een processie niet op het appèl mag ontbreken. Een grote rondgang met de heiligen, versierd met al de kostelijkheden die de burgers maar kunnen missen. Het magistraat reikt trouwens prijzen uit voor wie de schoonste initiatieven neemt. ’s Avonds worden er vreugdevuren ontstoken voor het stadhuis en het huis van de kasselrij waar de treffelijkste personen van de stad natuurlijk present zijn en waar ze kunnen aanschuiven aan een schone maaltijd.

Hoelang de vrede het zal uithouden, is een vraag die daar wel door enkele vooruitziende lieden wordt gesteld. Filips van Kleef, de heer van Ravenstein, heeft het niet zo begrepen op de regeling. De gewezen kapitein van de Staten van Vlaanderen blijft zich hardnekkig afzetten tegen Maximiliaan en is met veel volk en schepen naar Sluis getrokken, ‘welke stad en kasteel hij zeer deed versterken.’ Het gemeen van Ieper, Brugge en Gent mag dan wel blij zijn met de vrede, maar de mensen zijn erg ontevreden over de devaluatie van het geld in Vlaanderen als blijkt dat hun centjes maar de helft meer waard zijn vergeleken met de dag ervoor.

De boete voor de rebellie raakt ook bekend – inderdaad via de koning van Frankrijk – drie jaar aan een stuk honderdduizend gouden kronen te betalen aan Maximiliaan. Veurne, Nieuwpoort, Duinkerke, Broekburg, Oudenaarde en Dendermonde hebben zich aan de kant de de Roomse koning gehouden en zijn vrijgesteld van betaling.

Ik duik direct het tiende kapittel van de jaarboeken binnen. Anno 1490. Het rommelt weer eens in Brugge. Een nieuwe ontwaarding van de munt, het lijkt precies een belasting, zorgt voor massaal protest. De nog altijd dissidente Filips van Kleef stookt de Bruggelingen vanuit zijn Sluis’ bastion op en roept ze op om de wapens op te nemen. ‘De koning van Frankrijk zal jullie een massa volk toesturen om jullie bij te staan en ook de rest van de Vlaamse steden gaat jullie voorbeeld volgen.’ Een veelzeggende belofte die de man eigenlijk niet zou mogen doen volgens Veurne: ‘het was op al dat ongegronde dat die van Brugge op 1 juli 1490 zich wederom als vijand verklaarden van allen die de zijde van de Roomse koning volgden.’

De Henegouwse en Duitse soldaten die gekazerneerd liggen in Damme manifesteren zich onmiddellijk in het Vrije. Ze vrezen voor een herhaling van de verwoestingen vooral nu het er op lijkt dat de koning van Frankrijk de zijde van de Bruggelingen heeft gekozen. De soep moet gelukkig niet zo warm opgesoupeerd worden als ze opgediend werd. Gebrek aan geld en alle soorten van levensmiddelen fnuikt de Brugse moraal en zorgt ervoor dat ze zich met hangende oren moeten verzoenen met Maximiliaan. De vrede wordt gesloten op 28 november. Ik schrik niet eens van de nieuwe boete: tachtigduizend pond. Onze vriend Filips van Kleef blijft zich verder verweren vanuit Sluis en wil zich hoegenaamd niet verzoenen met de koning.

Op een echte vrede blijft het dus wachten. De gemoederen zijn nog maar pas gestild in het Brugse als er nu al trammelant komt in Gent. De dure tijd en de devaluatie zijn dan toch de schuld van Maximiliaan. De Gentenaars sluiten een verbond af met Filips van Kleef en zullen bijstand krijgen vanuit Frankrijk. Die koning van Frankrijk moet toch wel een echte eikel zijn, denk ik bij mezelf. Schrijver Pauwel Heinderycx neemt me de woorden uit de mond: ‘hij zocht er naar om het land van Vlaanderen altijd in twist te houden om er zelf zijn voordeel bij te doen.’

Gent is vooralsnog geïsoleerd en probeert met geweld een aantal versterkingen en steden in te nemen. Ze willen er voor zorgen dat er een groot verbond komt tegen Maximiliaan. Een pied-à-terre voor de Franse legers is trouwens noodzakelijk. Samen zullen ze de Roomse koning wel meester kunnen. De intriges worden niet geschuwd. Kijk maar naar het zogezegd onwrikbaar Diksmuide. ‘De Gentenaars hadden een verdrag gesloten met enige kwaadwillige burgers aldaar om hun stad onder hun macht te brengen.’ Op 19 januari 1490 profiteren ze van de zwakke bewaking om over het ijs van de gracht tot onderaan de stadsmuren te geraken, waar ze heimelijk binnengebracht worden. De wachten worden een kopje kleiner gemaakt, de poorten worden opengezet waarop een grote bende Gentenaars de stad Diksmuide kan binnenrukken.

‘Ze vergenoegden zich niet enkel om de stad uit te roven maar ze namen ook de rijkste lieden gevangen en zetten die op water en brood.’ Ik kan me goed inbeelden dat heel Veurne-Ambacht in rep en roer moet staan als bekend raakt dat hun bevriende buurstad in handen is van de vijand. De landslieden van het Bloote slaan al op de vlucht met blijkbaar de rijkste op kop. ‘Niemand bleef daar thuis met uitzondering van de arme lieden die toch niets te verliezen hadden.’

Tijdens een bijeengeroepen noodvergadering worden haastig maatregelen genomen. De instructies aan al de hoofdmannen van het Houtland en die van de parochies ten zuiden van de Ijzer vliegen de deur uit. ‘Laat al de klokken luiden, alle weerbare mannen moeten opgeroepen worden naar de Hogebrug bij Diksmuide om er te beletten dat die van Gent zouden uitbreken om de kasselrij te komen verwoesten.’ Er wordt massaal gevolg gegeven aan de oproep. Zeshonderd landslieden worden er onder het gezag geplaatst van Denis van Morbeecke.

De Veurnse magistraten kijken ook in de richting van Ieper en Brugge die het nu ook niet eens zijn met de Gentse kuren. Volk en buspoeder zouden ze graag verkrijgen hier. De rijke landslieden die zich hier verscholen houden krijgen een veeg uit de pan. Ze moeten dadelijk naar hun eigendommen terugkeren om die te beschermen. Er komt ook Duitse versterking onder de leiding van een kloeke kapitein die betaald wordt met middelen uit de kasselrij van Veurne. Alle torens van het omliggende moeten dienen als uitkijkposten en bij elk klokkengelui zal het landvolk er prompt naartoe trekken om de vijand te bevechten.

De Fransen worden ook verwacht. Hun leger is al over de Nieuwe Dijk gekomen met de bedoeling om zich binnenkort bij de Gentenaars te voegen en om samen een oorlog uit te vechten in de Westhoek. Hier zal de bescherming van de eigen mannen dus niet volstaan. Brugge en Ieper zullen moeten bijspringen samen met de graaf van Nassau, op dat ogenblik de gouverneur van Vlaanderen. Aan alle doorgangen worden ondertussen wachters opgesteld om de streek van Fransen te vrijwaren. Bespieders houden de vijand in de gaten. De versterking van Roesbrugge wordt extra bemand en beveiligd. Poperinge, Ieper en Sint-Winoxbergen krijgen de raad om de doortochten in hun rechtsgebieden extra te beveiligen.

Bij Engel van Reninge, de baljuw van Zuid- en Noordschote, wordt er ter hoogte van Steenstraete een bijkomende wachtpost geposteerd. Men vermoedt immers dat de Fransen wel eens deze weg zouden kunnen kiezen voor hun invasie. ‘Geheel het land was zo in rep en roer’, de angst zit er overal diep ingebakken. De graaf van Nassau is met grote haast afgezakt naar Diksmuide en begint met twaalfhonderd man aan het beleg van de stad. Die van Gent moeten eruit gerookt worden. De belegering geschiedt onder het commando van Denis van Morbeecke en van de heer van Ronny, de gouverneur van Veurne-Ambacht.

De aanvallen zijn turbulent. De aanwezige Gentenaars kunnen het niet bolwerken en zien zich verplicht om zich over te geven. Het plan van de Gentenaars om aan te sluiten bij de Franse legers is verijdeld. De Duitsers profiteren van het machtsvacuüm in Diksmuide om er aan het plunderen te slaan. Veel zullen ze niet naar huis kunnen meeslepen zo te lezen; ‘geheel het garnizoen moest de stad uittrekken in hun wambuizen zonder iets te mogen meedragen.’ De burgers die verantwoordelijk waren voor het verraad worden terstond opgehangen. ‘Deze gebeurtenis veroorzaakte in Veurne en Veurne-Ambacht grote blijdschap: want men was alsdan verlost van deze vreselijke vijanden.

Die heer van Ronny die daarnet even ter sprake is gekomen blijkt voluit Robert van Melun te heten, de gouverneur van Veurne is eveneens luitenant in het leger van de graaf van Nassau. Kort na de overwinning op Diksmuide treedt hij in het huwelijk met de burggravin van Veurne. Zij wordt aangesproken als mevrouw Adriane van Stavele. De rest van de blauwbloedtoestanden en dito achtergronden is niet echt aan mij besteed. De stad trakteert met een vat wijn en betaalt bij die gelegenheid nog de achterstallige vergoeding van twaalfhonderd ponden uit die hij had voorgeschoten om zijn mannen te betalen. Denis van Morbeecke had trouwens ook nog driehonderd pond tegoed.

Mei 1491. Langs de kust zwerft een grote Franse vloot en dit voelt bedreigend aan voor de kustbewoners. De mensen vrezen dat er wel eens een havenstad zou kunnen worden aangevallen. Of misschien mogen ze wel weer roofpartijen verwachten. Extra wachtposten houden voortaan elke beweging op zee in de gaten. Nadat ze wat in het rond hebben gekruist, pogen de Fransen ter hoogte van Oostduinkerke aan land te geraken. De kustbewoners hebben het vijandelijk spelletje door en komen massaal toegelopen waarop de schepen weer het zeegat kiezen. Ik kan hier inderdaad moeilijk van een hazenpad spreken.

Karel van Halewijn, de bestuurder van Duinkerke, heeft berichten opgevangen dat de Fransen van plan zijn om zijn stad in te nemen en verzoekt om bijstand in Veurne, maar uiteindelijk blijkt ook die dreiging een scheet in een fles voor de Westhoek. Er volgt nog een poging in de buurt van Westende met de bedoeling om dan maar op strooptocht te gaan in het Vrije. ‘Het alarm werd aanstonds op alle de prochien zo sterk geslagen dat er in korte tijd een grote menigte volk naartoe liep en de Fransen genoodzaakt waren om weer in te schepen.’

Het regent problemen. Nu met de Duitse huurlingen die her en der gelogeerd zijn in West-Vlaanderen en zich gefrustreerd voelen dat ze weer eens moeten wachten op hun centen. Avonturiers van laag allooi en met beperkte verstandelijke vermogens, sukkels die zich verkopen aan de hoogst biedende en dan niet betaald worden. Ik moet er eigenlijk geen tekening van maken. Als ze het niet tijdig krijgen dan zullen ze het wel grijpen waar het te vinden is. ‘En zo begonnen ze te muiten en maakten zich meester van Diksmuide. Ze deden daar zo veel moedwilligheden aan de inwoners dat veel van hen naar andere steden wegvluchtten. De Duitsers liepen ook in grote menigte op de kasselrij van Veurne, doende aldaar grote overlast aan het landvolk.’ De bestuurders van Veurne klagen hierover steen en been bij de gouverneurs van het land.

Het probleem van de muitende Duitse soldaten van Maximiliaan moet zich afspelen tijdens de winter tussen 1490 en 1491. Na een stroom van klachten vindt er uiteindelijk op 12 maart 1491 een overlegvergadering plaats om de problemen aan te pakken. Maximiliaan laat zich vervangen door de hertog van Saksen die aangesteld is als gouverneur van de Nederlanden. De West-Vlamingen eisen dat de soldaten eerst en vooral moeten krijgen waar ze recht op hebben. Albrecht van Saksen belooft de zaak te bekijken en antwoord te brengen op 22 maart. Het zal uiteindelijk nog duren tot 12 april vooraleer Denis van Morbeecke met een goede som geld naar Diksmuide gestuurd wordt om de Duitsers tevreden te stellen en hen aan te sporen om er te vertrekken. ‘Alles gebeurde trouwens naar wens.’

De vrees voor een Franse invasie blijft latent aanwezig bij het aanbreken van de zomer van 1492. De streek van Belle en Poperinge heeft het al mogen ervaren. ‘Daarom deed men op de uiterste palen van de kasselrij grote wachte houden en alsook de straten opdelven en beschansen. Met legde veel volk op de wal van Roesbrugge dewelke nog zeer versterkt werd om zo de Fransen te beletten van langs daar hun doortocht te nemen.’ Ook de Duitsers worden op afstand gehouden want blijkbaar zijn die andermaal aan het muiten geslagen bij gebrek aan betaling. Wat een hopeloze en uitzichtloze tijd toch. De vreemdelingen dreigen er weer mee om Diksmuide in te nemen. Het magistraat moet verdorie zijn eigen mensen optrommelen om de stad te helpen beschermen tegen de legers die hen zouden moeten beschermen.

De Westhoekbevolking zal wel de buik vol hebben van deze of gene partij. Steun aan de Roomse koning, mijn kloten ja, veel sympathie zal er ondertussen al lang niet meer bestaan voor de Duitse bezetter. Terwijl ze krampachtig proberen om de Fransen van hun land te houden, blijven de mannen van Maximiliaan de boel verpesten. Heel de helse zomer van 1492 gaat zo voorbij in een kokend sfeertje van ongenoegen en onrust.

In het najaar komt het tot een nieuwe uitbarsting. ‘Op de 15de oktober van 1492 kwamen de Duitsers tot Lo en de parochies van daaromtrent legeren. Ze deden de landslieden hen de kost en veel geld geven en bleven zich daar ophouden tot in de maand van december. In die tussentijd kwamen die Duitsers ook dikwijls bij grote hopen en zonder orde in andere gemeenten van de kasselrij liggen, van waar ze vaak werden weggezonden door extra geld die het stadsbestuur van Veurne-Ambacht voor hen had vrijgemaakt. Het was wel erg dat men finaal verplicht werd om de grenzen van de kasselrij ook af te sluiten tegen het binnendringen van de Duitsers, zoals men dat eigenlijk moest doen zoals met de vijand.’

Het achterliggend probleem ligt bij Filips van Kleef die zijn bastion Sluis met hand en tand verdedigt tegen de troepen van de hertog van Saksen en Maximiliaan. Terwijl het er de hele zomerperiode hard aan toe gaat in Sluis, vangt de Westhoek de randfenomenen van de oorlog op. Uit de regio van Veurne vertrekken er in augustus 1492 zesentwintig pioniers om mee te helpen bij de verovering van het Sluise bolwerk. Na lang aandringen van zijn vader, beslist Filips om vrede te sluiten met Maximiliaan en Sluis over te leveren aan zijn troepen. De vreugde in het land is algemeen. Zal er nu eindelijk vrede komen?

Aan onze kanten is er in elk geval nog niet veel te zien van deze vrede. ‘De Duitsers vielen het gemeente overal zeer moeilijk en waren een grote overlast voor het land. De kasselrij van Veurne kreeg het hard te verduren. Nadat ze lange tijd bij Poperinge hadden gelegen en de inwoners daar hun geld tot het laatste hadden uitgeperst, dreigden ze nu dagelijks bij het magistraat van Veurne-Ambacht om te komen legeren in hun gebied. Met dergelijke bedreigingen plaagden ze ook die van Bergen-Ambacht, de steden van Lo, Hondschote en andere plaatsen.’

‘Ze lieten hun volk uitlopen op de parochies van de kasselrij waar ze groot leed aanbrachten bij de lokale bevolking. De magistraten van Veurne-Ambacht, Bergen-Ambacht, Lo en Hondschote vergaderden ten laatste samen om middelen te vinden om de Duitsers te laten vertrekken uit Poperinge waar ze samen een grote som geld bijbrachten die daartoe gebruikt werd. In het laatste van december 1492 vertrok dat garnizoen van Poperinge waardoor de kasselrij en de andere landen van daaromtrent in grote rust kwamen.’

In april van 1493 rijst er een groot geschil tussen de inwoners van St.-Omer en de Duitsers die er de zaken naar hun hand willen zetten. Iets wat ze hier moeilijk kunnen verdragen. Er worden enkele Duitsers om het leven gebracht waarop de kwestie nu escaleert. Albrecht van Saksen neemt het zekere voor het onzekere. Zijn mannen moeten St.-Omer achter zich laten en andere oorden opzoeken. Op 16 april huizenieren ze plots in de abdij van Ter Duinen. In Veurne zijn de mensen er helemaal niet gerust in. Het aantal wachtposten wordt verdubbeld en het geschut wordt in aanslag gezet alsof het de vijand zelf is die in aantocht is.

De soeverein-baljuw van Vlaanderen bevindt zich tijdens die week in Nieuwpoort en ook hij raadt de Veurnenaars sterk aan om op hun hoede te zijn voor deze onbetrouwbare Duitse nietsnutten. De bestuurders van de kasselrij zenden gedurig wijn en andere geschenken naar hun aanvoerder Wolfric von Namlieuruter en zijn kapiteins, samen met het verzoek om uit de buurt te blijven. Ondanks dit charmeoffensief wordt er gedurende negen dagen nog veel leed toegebracht aan de landslieden van het omliggende. Gelukkig trekken de vreemde luizen dan toch weg uit de kasselrij.

Dat vertrek heeft alles te maken met het vredesverdrag van Senlis dat op 23 mei 1493 afgesloten worden tussen de strijdende partijen en Frankrijk. Het is een verbond die zorgt voor grote blijdschap bij de Vlamingen. De goede mare wordt via een bode tot in Veurne gebracht op 28 mei en zorgt hier voor het nodig feestgedruis. De wijn vloeit rijkelijk, de ellende is voorbij. Het is haast onmogelijk om al de misère van de voorbije jaren te omschrijven.

Korte tijd later krijgen ze het verzoek om een officieel feest te organiseren. De bevrijding zal gevierd worden op Sint-Jansdag, het weekend van 24 juni. Het ‘Te Deum Laudamus’ en een groots opgezette processie, ik had niets minder verwacht. Die processie wordt trouwens nog twee keer herhaald. ‘Alle kostelijkheden die het gemeente bij elkaar kon brengen werden tijdens deze processies tentoon gesteld. Het magistraat van de stad deed een fraaie zilveren postuur maken die als prijs opgehangen werd voor diegene die het schoonst en kostelijkst de processie zou bijwonen. De middeleeuwen op zijn best waar de rederijkers en hun toneelspelen niet ontbreken op dit feest van de ‘peyse’.

De gilde van de beenhouwers zorgt ook voor een grote prijs. Het lijkt er wel op dat ik lijfelijk aanwezig ben om al die feestelijke taferelen in mijn geheugen op te slaan. De burgemeester en de schepenen van Nieuwpoort zijn ook te gast zie ik. Ze volgen de ommegang in het gezelschap van hun eigen rederijkers die enkele historische spelen te berde brengen. In elke straat staat er wel ergens een verhoog opgesteld waar de spelers het beste van zichzelf geven. Die van de Noordstraat, de Zuidstraat, de Paardmarktstraat, de Ooststraat, de Pottemarktstraat, de Grote Markte, de Houtplaats en de scheepslieden willen inderdaad de processie op hun eigen manier vieren. Schone ‘togen’ versierd met bijbelse decors die verwijzen naar de vrede.

De geestelijken ontbreken niet. Meester Clays Grimminck, de kanunnik-bestuurder van Walburga samen met heel zijn kapittel. De abten van Sint-Niklaas, Lo en Eversam. Die van Ter Duinen meldt zich ziek. De nonnen van Lo maken hun opwachting op de tweede dag van de driedaagse. Samen met hun rederijkers en de gilde van de boogschutters van Ramskapelle. De wijn vloeit rijkelijk en dit gebeurt meestal op aangeven van het stadsbestuur. ‘Schone maaltijden’ waar de notabelen hun voeten onder de tafels kunnen staken terwijl ook de arme mensen op straat vier stopen wijn en wat eten toegestopt kregen.’ Het is ook hun vrede.

Ik vergeet nog bijna de aanwezigheid van de prominenten van Veurne-Ambacht te vermelden. Ze ontbreken op geen enkele processie, de wethouders paraderen er telkens met een waskaars van minstens één kilo in de handen. ‘Ze deden afzonderlijk vuur maken voor hunlieder landhuis, bedrijvende veel andere tekens van vreugde. Drie dagen lang hielden ze ook in hun huizen treffelijke maaltijden alwaar de voornaamste inwoners van de kasselrij gingen eten. Bij deze gelegenheid gaf het magistraat ook veel aan de armen en bovendien was de ganse kasselrij over deze peys in volle vreugde.’

En zo kan ik verder met het leven hier in Veurne. Ik laat enkele evenementen en huwelijksfeesten aan me voorbijgaan tot ik één jaar later halt houd op 19 juni 1494. De broeders van de boogschuttersgilde van St.-Joris hebben eindelijk nog eens de oppergaai geschoten tijdens de schieting van Veurne. De gelukwensen, de vreugdetaferelen en de zesten wijn vliegen in het rond. Al die euforische taferelen maken plots weer plaats voor de realiteit van de dag. De parochianen van de Sint-Niklaasparochie in Veurne zouden graag renovatiewerken uitvoeren aan hun kerk en verzoeken aan de raad van Vlaanderen om de kosten ervan te laten betalen door alle inwoners en vooral ook die van buiten de stad. Vier jaar lang zal er telkens vijftig pond ‘gepoint’ worden, de rest zal moeten komen van ommegangen en aalmoezen.

De Sint-Niklaaskerk staat er rond 1494 inderdaad maar triestig bij. Een middelste beuk met twee onderlatten, één aan zuidelijke en één aan noordelijke kant, ‘dewelke in zeer slechte staat waren en bedekt met stro’. De middelbeuk en de onderlatten zullen in 1494 afgebroken worden en ‘alsdan werd begonnen met het metselwerk van de drie beuken met twee rijen pilaren in het middel, gelijk men dat tegenwoordig ziet. Het metselwerk werd het daaropvolgende jaar 1495 vervolmaakt. Alsdan werden de muren bedekt om niet te bederven. Daar stonden verscheidene woonhuizen neffens het zuidelijk onderlat, waaronder bijvoorbeeld het pastoriehuis. Al deze werden afgebroken om de zuidbeuk aldaar te stellen.’

Tijdens 1496 wordt naarstig verder gewerkt aan het houtwerk van de nieuwe beuken. In 1497 en 1498 volgen de schalies op het dak en het plaatsen van glazen ramen. De schrijver slaakt een zucht van verlichting. ‘Wat een grote en schone kerk is het geworden.’ Ook het stadsbestuur heeft zijn duit in het zakje gedaan. De andere prominenten eveneens. Mevrouw de burggravin is een godvruchtige vrouw en die toonde zich eveneens mild. En eigenlijk is het maar het minste wat ze kunnen doen. De leden van het stadsbestuur hebben nu weer een eigen stek om te bidden in de kerk, want geef nu zelf toe; met hun positie in de maatschappij kan je toch moeilijk tussen de mensen staan of knielen. Mevrouw bezit haar eigen ‘oratoor’ en de schepenen prevelen hun liturgie in het koor zelf.

Het stadsbestuur van Veurne ondergaat vanaf 1494 opmerkelijke veranderingen. In de goede oude tijd waren er bij elke legislatuur twee burgemeesters, twaalf schepenen en twaalf raadsleden die de zaken in goede banen leidden. Het aantal schepenen werd met verloop van tijd vanwege gebrek aan middelen verminderd tot negen en de raadsleden verdwenen allemaal. Hertog Filips de Schone krijgt een officieel verzoek om na de oorlog een en ander recht te trekken in het bestuur van de stad. Van de negen schepenen blijken er trouwens altijd enkele tussen zitten die niet erg ervaren zijn in de rechtspraak en zelfs niet eens de moeite doen om de zittingen van de vierschaar bij te wonen. Op 3 november 1495 stemt Filips er mee in dat er voortaan weer raadsleden mogen functioneren. Ze zullen hiervoor elk 10 ponden per jaar ontvangen.

In tijden van oorlog klitten de mensen van stad Veurne en die van de wijde buitenomgeving altijd goed samen. Het einde van de oorlog lijkt wel een signaal voor de besturen van Veurne-stad en van de kasselrij van Veurne om met elkaar in de clinch te gaan. Pas dan merk je op welke verschillende werelden ze bewonen. De ruzies en de geschillen gaan zoals gebruikelijk over taksen en lasten die de een wil opzadelen op de ander zijn nek. Ze zwaaien langs hier en langs ginder met pointingen en privileges, termen als keurbroeders en poorters vliegen me om de oren.

Op een marktdag, die van 18 november 1495, komt het weer eens tot een uitbarsting. De poorters van Veurne moeten sinds kort weer taksen betalen op de opbrengsten van hun land op den buiten nadat ze daar een tijd van werden vrijgesteld wegens de oorlog. De nieuwe lasten hebben te maken met de grote kosten die de oorlog met zich meebracht aan de stedelijke infrastructuur. Het is een beslissing van de schepenen van de kasselrij die op grote weerstand botst. Die 18de november kan ik dat ook letterlijk opvatten. De raadsleden en schepenen bevinden zich tijdens de markt in de buurt van hun ‘gyselhuus’ als ze plots aangepakt worden door boze stedelingen.

‘De poorters begonnen op hen te roepen en te lasteren en ze vergenoegden zich niet alleen bij verbaal geweld en wierpen hen allerhande vuiligheid naar het hoofd. Aldaar vergaderde welhaast een grote hoop van ’t gemeente der stad die naar hen toeliepen zodat die van de kasselrij wel verplicht waren om weg te trekken van hun gijzelhuis.’ De massademonstratie loopt uit de hand, enkele heethoofden ruiken bloed en willen zich wreken op enkele burgers van Veurne. Joos Wijts en Pieter Bru, beiden poorters van de kasselrij, verdwijnen voor twee weken achter de tralies en zullen pas dan onder druk van de hoge Raad bevrijd worden. De aanstokers zijn prominente poorters van Veurne zelf: Brunfaut Ternynck en Jacob De Bergh. Al de strubbelingen zorgen voor grote meningsverschillen tussen de besturen van Veurne en die van de kasselrij van Veurne-Ambacht, ‘waardoor deze zaak gesteld werd in processe, eerst in de raad van Vlaanderen en daarna in de Hoge Raad.’

Hoge Raad, hoge woorden. De leden van het magistraat van de kasselrij zijn woedend om de agressie op hun genoten en beslissen om hun vergaderingen niet meer binnen de stad te houden en die achter zich te laten. Engelbert, de graaf van Nassau die als gouverneur de lakens uitdeelt in Vlaanderen krijgt hun verzoek voorgeschoteld. Als de burgers van Veurne hen beletten om gebruik te maken van hun voorrechten en hen kwaadwillig en onredelijk behandelen dan zit er niets anders op dan elders te vergaderen. Nassau kan weinig anders dan de mannen van Veurne-Ambacht voorlopig hun zin te geven al is het dan maar tot aan een volgende bijeenroeping van het hof.

‘Met die toelating op zak vertrok het magistraat uit de stad in de sinksenweek van het jaar 1496. Met al hun goed, suppoosten en aanhang en ze trokken naar Alveringem. Aldaar hielden ze een jaar lang hun vergaderingen, doende wet en recht in het huis gelegen neffens het kerkhof, aan de zuidoosthoek ervan.’ De reactie achteraf van de Veurnenaars toont nog maar eens hoe dwaas wij mensen toch kunnen zijn. Ik denk meteen aan spreekwoorden zoals ‘spijt wie het benijdt’, of ‘wie zijn gat verbrandt’ en andere varianten. ‘Die van Veurne, ziende dat hun stad daardoor zeer veel inwoners verloren had en ook al de zaken die de kasselrij aangingen werden nu op het platteland geregeld waardoor de kleine nering van de stad zeer verviel.’

Er volgt dus zware druk op de aartshertog van Vlaanderen en de raad van Vlaanderen om de verhuis ongedaan te maken, gevolgd door hevig verzet van de landhouders en de keurheren die de nieuwe situatie verkiezen boven al het geweld en de moedwilligheden van de binnenpoorters van Veurne. Het vertrouwen is gebroken en deze zaak blijft lang onbeslist totdat ten langen leste een aantal zwaargewichten er zich mee gaan bemoeien om de plooien glad te strijken. Die van Veurne en van Veurne-Ambacht die niet door dezelfde deur kunnen, is eigenlijk te zot voor woorden vinden ze.

Die ‘ze’ zijn onder andere de abten van Ter Duinen en Sint-Niklaas, meneer Ronny, mevrouw de burggravin en de hoogbaljuw. Ook de respectabele landhouders Joos van Ekelsbeecke en meester Renaut Knibbe trekken mee aan de kar van de verzoening waardoor het met Sinksen van 1497 weer peis en vree wordt in Veurne en de oude toestand terugkeert. Het blijft nu enkel nog wachten op een officieel besluit van de hoge raad dat zal volgen op 22 september van hetzelfde jaar.

De ruzie is bijgelegd, Veurne kan zich nu eindelijk concentreren op de uitbouw van de saaiweverij, die ze op zo een lepe manier heeft weten te ontfutselen aan die van Hondschote. Tot in 1497 is er nog niet veel van gekomen. Het stadsbestuur schiet nu toch in actie. Wevers, volders en wolbewerkers worden in massa aangetrokken met subsidies en huurtussenkomsten. Het duurt niet lang voor een eerste stuk laken met het zegel van de stad Veurne klaar staat voor de verkoop.

Veurne begint zeer weelderig te worden met de vruchten van de vrede van van de nieuwe industriële activiteit. Het oude aftandse ‘gyselhuus’ , door de ouderdom zeer vervallen, wordt volledig herbouwd en er zal een extra vergaderzaal komen waar de raadsleden van de stad hun vergaderingen zullen kunnen houden. Filips de Schone is ondertussen op een leeftijd gekomen dat hij nu officieel het bestuur van Vlaanderen op zich kan nemen. En daarbij hoort natuurlijk de reeks eedafleggingen in de verscheidene Vlaamse steden. Veurne is op 10 juni 1500 aan de beurt. Zijn zoontje Karel, geboren in februari, zal vermoedelijk al aan zijn eerste ‘ba’s’ en ‘dada’s’ begonnen zijn.

Het gezelschap komt van Sint-Winoxbergen. ‘Een groot gevolg van edeldom’, staat er te lezen. De magistraten van Veurne en Veurne-Ambacht wachten hen op hun paasbest op. De vaandels van de prins wapperen aan het gijzelhuis en het stadhuis. Uiteraard gaan ze Filips te voet tegemoet om hem welkom te heten en hem enkele geschenken te overhandigen. De kasselrij schenkt een zilveren beker en wat de stad veil heeft voor hun aartshertog, komt schrijver Pauwel niet te weten. Bij het invallen van de avond worden de vreugdevuren weer ontstoken. Filips zal logeren in de woning van de burggravin, ‘hetgeen daartoe zeer kostelijk bereid was gemaakt’.

De volgende morgen gaat de eedaflegging door. Het ‘ik ben jullie prins’ vanwege de graaf en het ‘wij zullen u respecteren en dienen’ van de nobelste poorters, maar dan met de gebruikelijke stadhuiswoorden van dienst, hoewel het natuurlijk op het zelfde neerkomt. Het geheel baadt in een sfeer van praal en pracht. Het ritueel van de geschenken ontbreekt niet. Zilveren bekers enzovoort en ‘ten zelven dage vertrok de prins nog naar Nieuwpoort en van daar verder.’

Veurne kent nog altijd twee burgemeesters die los van het stadsbestuur instaan voor de financiën en de ophaling ervan. Ze dienen één keer per jaar verantwoording af te leggen als de wet vernieuwd wordt. Daar komt in 1501 verandering in want voortaan zullen de stadsinkomsten onder het beheer komen van een ontvanger, een tresorier die zijn werk zal uitvoeren voor beide burgemeesters. Met een loon van 24 pond per jaar zou het inderdaad nogal duur uitvallen moesten er twee tresoriers rondlopen. Dat geld wordt trouwens in mindering gebracht van de vergoeding voor de burgemeesters die zich nu volop kunnen concentreren op het bestuur van hun stad.

De oorlog is uit de lucht verdwenen, mijn jaarboeken worden iets luchtiger en schenken wat aandacht aan allerhande fait-divers uit het begin van de 16de eeuw. Zo bijvoorbeeld het bezoek van de nieuwe bisschop van Terwaan aan Veurne. Hoog bezoek. Philips van Luxemburg, kardinaal van de heilige stoel te Rome is onlangs aangesteld als nieuwe leider van het bisdom van Terwaan en komt op 16 juni 1502 eens monsteren hoe het staat met het geloof in de Westhoek. Het magistraat heeft niets aan het toeval overgelaten om de kerkleider op de treffelijkste wijze te ontvangen. Een bezoek aan alle kerken waarbij een pak parochianen gevormd worden en waarbij de burgemeesters klaar staan met twintig kannen wijn voor de kardinaal-bisschop. ‘Elke kanne houdende twee stopen wijn’. Als ik het goed nareken zal Philips van Luxemburg kunnen slurpen van zesennegentig liter wijn.

Een grote brand verwoest op 30 augustus van 1503 achttien of twintig woningen in de binnenstad. En het hadden er nog veel meer kunnen zijn. Dank zij de grote ‘neerstigheid’ van de burgers werd een uitbreiding van de brand tegengehouden. Daags na het inferno zorgt het stadsbestuur voor een plechtige gezongen mis ter ere van Sint-Brandaris. Een naam die me enigszins doet monkelen. Ik wist niet eens dat er een heilige van vuur bestond zoals dat al eerder het geval was met eerdere heidense vuurgoden. ‘De zangers van sinte Walburga, de diaken en de subdiaken, de clockeluider en de orgelare worden betaald door het magistraat’, maar het is vooral de al dan niet fictieve Brandaris die wegloopt met de show als de beschermheilige van dienst tegen brandgevallen.

Van 1504 valt er alleen de wapenschouwing te vermelden die alle leenhouders afleggen bij de burg van Veurne en dat op vraag van hoogbaljuw Guy De Baenst. De bewoners worden pas goed opgeschrikt op het eind van september 1506 wanneer de onverwachte dood van aartshertog Filips van Oostenrijk bekend raakt. Dat er gif in het spel zat om de 28-jarige Filips naar het hiernamaals te sturen, zullen ze in Veurne niet doorhebben. De overheid van Vlaanderen zet zijn triestigste lijkbiddersgezicht op en verplicht de Vlamingen om rouwdiensten te houden en te bidden voor de man zijn ziel.

In Veurne kunnen ze natuurlijk niet achterblijven. Ook hier zal een plechtige uitvaartmis gecelebreerd worden. De burgemeesters maken er gezamenlijk werk van. Adriane van Stavele, de burggravin van Veurne en haar baron Ronny leggen hun gewicht in de weegschaal om de dienst op te luisteren. ‘Deze werd gedaan op 20 november 1506, in de kerk van Sint-Niklaas. Al de abten van de kasselrij werden begroet om de uitvaart met hun bijzijn te vereren, de magistraten met al de officieren van de koning, zeer treffelijk gekleed in de rouwe, waren er tegenwoordig.’

De persmedewerker van dienst schudt een kunstige omschrijving van de offerandegang uit zijn knokige vingers. Voor de arme sukkels van ’t stad zijn er tarwebroden gebakken en zo heeft het prinselijk overlijden toch nog zijn voordelen. De dienst eindigt met een treffelijke maaltijd voor iedereen die de uitvaart heeft bijgewoond, de kosten ervan worden voor een derde gedragen door de stad en de rest is voor de kasselrij.

Tijdens datzelfde 1506 willen de ontvangers een taxatielijst maken van lenen die in eigendom zijn van mensen die niet tot de adelstand behoren. Er wordt hiertoe een speciale commissie opgericht met als commissarissen meester Guy De Baenst, schildknaap Maerten van Fontignies en hoogbaljuw Robert De Neve. Ze presenteren hun lijst aan de raad van Vlaanderen die nogal wat bezwaren maakt tegen deze vorm van belasting welke blijkbaar nergens anders in het land wordt toegepast. Het plan blijft door deze twijfels steken in goede bedoelingen tot dat ze in Veurne er tenslotte van afzien.

De saaiweverij die tien jaar geleden met veel aplomb opgestart werd blijkt ook al een maat voor niets. Al de voordelen die het stadsbestuur veil had voor het aantrekken van gespecialiseerde wevers blijken uiteindelijk niet veel meer dan een scheet in een fles water. In 1507 beslist het magistraat om een nieuwe reeks maatregelen te treffen en zo nieuw leven in deze nijverheid te blazen. ‘Een nieuwe tocht om de saaiweverij in hun stad aan te trekken. Daartoe porden ze veel wevers, drapeniers en kammers om voor de tijd van zes jaar in de stad te komen wonen en aldaar de nering te doen. Daarenboven gaven ze hen nog grote sommen geld voor en ze deden maken alle soorten van gereedschappen die tot de voornoemde ambachten dienstig waren.’

Het lijkt wel een Waalse toestand van de jaren 2000 waarbij industriegrond en subsidies om de oren vliegen van kandidaat-investeerders. Tournai. Mouscron. Mons. Welnee: dit is Veurne 1507 en hier wordt zelfs nog een stuk verder gegaan. Ik laat het Pauwel eigenhandig uitleggen met zijn woorden van toen: ‘en als deze saaiwevers niet tijdig hun saaien konden verkopen (omdat er nog geen kooplieden in Veurne woonden die deze handel beheerden), kocht het magistraat dan maar zelf de saaien en zond de producten op naar Doornik, Kamerijk, Valencijn en andere steden om deze daar te laten verkopen. Zolang dit alleen maar gebeurde zonder dat zij daar enige schade op leden.’ De hele nijverheid wordt dus moedwillig gesubsidieerd in de hoop dat het tij zal keren en er op lange termijn wel voordelen zullen mee gehaald worden.

Op 14 maart 1508 sterft mevrouw Eleonora de Poitiers, de douairière, zeg maar weduwe van Willem van Stavele de gewezen burggraaf van Veurne. ‘Ze was een deugdelijke vrouw die met haar familie zeer veel voor de stad en de kasselrij heeft gedaan.’ De dame van stand wordt naast haar man begraven in de kerk van Stavele, onder het koorgestoelte van Sint-Niklaas. Deze Willem van Stavele en eveneens van Krombeke diende tijdens zijn leven als kamerheer van de hertog van Bourgondië tot hij op 20 november 1469 overleed.

Tijdens de februarimaand van 1511 vliegt er per ongeluk weer een huis in brand in de binnenstad. Dat krijg je natuurlijk met die strodaken. Dit keer is de vuurzee niet te stoppen, hoe zeer de inwoners ook hun best doen om de vlammen tekeer te gaan. Driehonderd woningen gaan verloren. Het magistraat van de kasselrij roept in allerijl de hulp in van negenenveertig landslieden om de brand te komen helpen blussen. Karren met ketels en tonnen vol water hossen de stadsmuren binnen. Het zal er om spannen om het ‘landhuis en het gijzelhuus’ te vrijwaren van verwoesting.

Grote delen van de Weststraat, Zuidstraat, Kaaistraat en de Gracht branden af. En laat dat nu precies de wijken zijn waar al die nieuw aangespoelde saaiwevers, kammers en ververs optrokken. De twee ververijen die de stad op eigen kosten had laten installeren, verdwijnen in rook en as waardoor ‘de manufacture zeer te niete ging’. Duizenden mensen verliezen have en goed. Een ramp voor de bewoners in kwestie maar al evenzeer voor het stadsbestuur die ook al niet moet rekenen op belastingen op hun inkomsten. Dat wordt dan op zijn beurt gevolgd door een verzoekschrift aan de prins en aan de raad om voor enkele jaren vrijgesteld te worden van taksen. Op 8 juni 1512 krijgen de bestuurders het nieuws dat ze mogen rekenen op een halvering van de taksen en dat voor een periode van drie jaar.

1512 mag ik zeker beschouwen als een absoluut rampjaar voor de zeekant van de Westhoek. De ‘Krant van West-Vlaanderen’ bestaat nog niet maar als dat het geval moest zijn, dan zou de volgende tekst ongetwijfeld voer vormen voor zijn hoofdpagina: ‘In Broekburg-Ambacht zijn er door een groot onweer enige zeedijken doorbroken en weggespoeld waardoor het zeewater zo geweldig binnen het land stroomde, dat een groot deel van Broekburg-Ambacht en Bergen-Ambacht overvloeide. De magistraten van deze plaatsen deden er alles aan om de dijken te vermaken. Daarom schreven ze ook naar het magistraat van Veurne-Ambacht ten einde zij zouden kunnen helpen met het dragen van de kosten die de werken gingen veroorzaken.’

‘Het magistraat van Veurne-Ambacht zond daarop gezanten naar Bergues om aldaar te kennen te geven dat ze dergelijke verzoeken niet konden toestaan omdat deze hen niet aangingen en dat ze altijd al helemaal alleen hadden moeten instaan als er bij hen dijken doorbroken werden, ondanks de vele zeedijken en verse dijken die ze zelf te onderhouden hadden en die jaarlijks grote kosten veroorzaakten.’

In datzelfde jaar verwisselt Robert van Melun, burggraaf Ronny van Veurne het tijdelijke met het eeuwige. Hij presteert dat in Stavele waar hij ook op 10 mei 1512 begraven wordt op kosten van de kasselrij en in tegenwoordigheid van alle leden van het magistraat. ‘Die heer heeft aan de stad en aan Veurne-Ambacht grote diensten en profijt gedaan’. De solemnele dienst voor het welzijn van zijn ziel is dan ook het minste wat de heren van stand kunnen doen voor hun dode bestuurder.

In 1513 wordt er aan de armen van de afgetrapte wevers getrokken om toch maar terug in het centrum van Veurne te komen wonen na de brand van vorig jaar. De verbrandde huizen worden heropgebouwd. De bestuurders hebben de nodige lessen getrokken uit de reeks inferno’s en eisen dat de nieuwe gebouwen voortaan zullen voorzien worden van een stenen dak. Pannen die toen nog dektegels worden genoemd. Het magistraat koopt hele partijen van die tegels bij het Antwerps bedrijf van Jan de Waerdt. Het vervoer gebeurt per schip via Nieuwpoort.

Tot aan het jaar 1521 valt er niets te noteren in de lokale jaarboeken. De zoon van Filips de Schone heeft het ondertussen al geschopt tot keizer van het Roomse rijk en tot grote baas van Spanje, de Nederlanden en zo veel meer. Een opmerkelijk feit dat in Veurne blijkbaar de koude kleren niet raakt, tot ze natuurlijk diezelfde keizer nodig hebben om de datum van de hun toegewezen jaarmarkt te veranderen. Het Sint-Jacobsfeest wordt sinds 1518 nu ook georganiseerd in Diksmuide en de marktdriedaagse van de buren zorgt voor grote concurrentie voor de handelaars in Veurne. Al gauw volgt de toelating om de lokale markt te verplaatsen naar de laatste week van september, zijnde telkens op 25,26 en 27 september van elk jaar.

In 1525 wordt de keizer plots wel een belangrijk item in de annalen van Veurne. Ik heb persoonlijk al eerder het turbulente wedervaren van Karel van Oostenrijk met naald en draad uiteengelegd. De verslaggeving vanuit Veurne op enkele gebeurtenissen uit zijn leven zijn een haast wonderlijke aanvulling van de geschiedenis. Het interesseert me inderdaad mateloos om te weten te komen hoe de Westhoekenaar van zijn tijd tegen Karels politieke brutaliteit aankijkt. De verslagen zijn wat bombastisch van taal. Is het daarom dat ik die zo graag lees en op mijn beurt maar heel licht wil transformeren?

Anno 1525. Slag van Pavie. Pavia dus. ‘Terwijl dat keizer Karel in een gedurige oorlog verwikkeld was met de koning van Frankrijk en paus Franciscus I, heeft de Franse koning met een groot leger de stad van Pavia in Lombardije belegerd. Die stad werd kloekelijk verdedigd en weldra kwamen de keizerlijke legers er toe om die te ontzetten. Op Sint-Mattijsdag (eind februari) van dit jaar werd er een vermaarde slag geleverd tot groot nadeel van de Fransen, want de koning van Frankrijk met een menigte van prinsen en treffelijke heren werden aldaar gevangen genomen boven al de andere voorname heren en kloeke oorlogsmannen die aldaar dood gebleven zijn.’

‘De mare van het gewin van deze slag vloog welhaast over al de rijken en de landen van de keizer zodat deze reeds op de 8ste van maart in Veurne werd binnengebracht en waarover dat eenieder grote blijdschap betoonde. De bode die dat heugelijk nieuws meedeelde werd zeer mild vergoed en met wijn beschonken. Men had voordien altijd gevreesd dat de Fransen in West-Vlaanderen zouden gevallen hebben om te roven en te plunderen. Margeriete, de weduwe van Savoie en tante van de keizer, gouvernante van de Nederlanden, zond overal bevelen dat men overal God moest loven en danken. Met grote processies en andere godvruchtige vertoningen en dat men daarna moest doorvieren en grote blijdschap vertonen.’

‘Op de 17de maart 1525 is er een processie rondgegaan met alle mogelijke solemniteit en die werd gevolgd door de magistraten, gekleed in pareure (in groot ornaat), welke allemaal een flambouw, een processielantaarn in de hand droegen. Daar werden bij het magistraat prijzen van wijn uitgegeven voor diegenen die de processie het schoonst konden versieren met wassen kaarsen. De gilde van de smeden won daar de opperprijs, die van de schoenmakers de tweede prijs en de grote gilde van de beenhouwers kregen de derde prijs. Er werden ook prijzen van wijn te winnen gegeven aan alle buren van de straten die de schoonste mysteries zouden uitstellen bij het voorbijtrekken van de processie. Die van de Noordstraat wonnen de eerste prijs, gevolgd door de wijk van de Ooststraat en de Zuidstraat.’ Ook de Houtplaats en de Zuivelmarkt vallen in de prijzen net zoals de bewoners van de Weststraat die met hun toneelvoorstelling ‘Arm in de beurs’ in de smaak vallen van het stadsbestuur.

Ook de volgende dag bruist Veurne verder met identieke taferelen en rederijksspelen waarbij de ene gilde de loef van de andere probeert af te steken. In de kerk van Sinte Walburga wordt er nog een plechtige uitvaartmis opgedragen voor al de zielen die tijdens de slag van Pavia verloren zijn gegaan. Met daarna natuurlijk weer de nodige stopen wijn en de esbattementen van de gildebroeders, etentjes en vreugdevuren. De middeleeuwen op zijn best.

‘Anno 1526. Nadat de koning van Frankrijk in de slag van Pavia genomen was, werd hij naar Spanje gevoerd en daar zeer strikt bewaard. En, als hij daar enige tijd opgesloten was geweest werd er over vrede onderhandeld en ook om zijn verlossing. Eindelijk werd deze peis gemaakt in de stad van Madrid tussen de keizer en de koning op 14 januari van 1526. De koning werd dan losgelaten in ruil voor zijn twee oudste zonen die naar Spanje moesten komen in verbintenis van de condities van de peis.’

Voor Vlaanderen heeft de deal van Madrid een historische betekenis. Lees maar: ‘daar werd onder andere besproken dat de koning van Frankrijk voor hem en voor zijn nakomelingen de opperheerschappij van de graafschappen van Vlaanderen afstond. En zo heeft hij de graven van Vlaanderen ontslagen van het leenschap die zij aan de kroon van Frankrijk schuldig waren. Ten jare 1529 tijdens het traktaat van peise van Kamerijk heeft de koning van Frankrijk diezelfde afstand van macht bevestigd.’

Op 16 februari van 1526 worden de Veurnenaars op de hoogte gebracht van de vrede. Het scenario van dankmissen, processies, het zuipen van emmers wijn na de verplichte devotie voor de heiligen en niet te vergeten voor God zelf natuurlijk. Mijn schrijver kan er niet genoeg van krijgen. Ikzelf ga even aan de zijlijn staan en kijk ondertussen al uit naar wat er nu zal volgen aan pittige voorvallen.

Wat later bevind ik me in het twaalfde kapittel. In 1530 om precies te zijn. In de jaren 1400 zijn er in de Vlaamse steden overal clubs – rederijkerskamers – gesticht waarbij de leden hun best toen om de bestaande literatuur om te zetten in gedichten om die dan achteraf in een soort toneelstuk te verbeelden en met hun voorstelling deel te nemen aan wedstrijden en het zo op te nemen tegen andere ‘kamers van Retorica’. In Veurne had bijna elke straat zijn eigen toneelclubje. In 1530 is er van die artistieke weelde nog weinig overgebleven. Er is nog amper sprake van twee rederijkerskamers; ‘Aerme in de beurse’ en ‘Barbaristen, van sinnen jonck’. Anno 2016 zou ik ze durven te omschrijven als ‘Arm in de portemonnee’ en ‘De zotte Barbaristen’.

De twee clubjes blijken onderling helemaal niet overeen te komen. Er is sprake van grote haat en nijd en voortdurende twisten. Eigen aan de natuur van de mens. Waarom zouden we overeenkomen als we ook kunnen ruziën? Al die conflicten zorgen er wel voor dat de beoefening van de spelen en de esbattementen in deze stad zeer verviel. Vooral de processie van het Heilig Kruis lijkt te lijden onder de vetes.

Tijd dus voor de geestelijken van Sinte Walburga om in te grijpen en om de gezellen van beide verenigingen uit te nodigen voor een gesprek. Op 23 februari gaat de bijeenkomst door in de ‘Gerwen-kamer’ van de kerk. Waarom zouden ze niet samensmelten tot één rederijkerskamer. De oude standaarden en blazoenen allemaal de prullenbak in en voortaan optreden onder een nieuw embleem die geschilderd zou zijn met een afbeelding van dat Heilig Kruis en met de fusienaam ‘Jong van geest en arm in de portemonnee’. Enfin; in die dagen gaat hun voorstel wel niet zo ver. Het wordt ‘Aerme in de beurse’ in combinatie met ‘van sinnen jonck’ samen met een afbeelding van de heilige Barbara.

De nieuwe fusieclub zou voortaan alle belangrijke evenementen kruiden en ‘de bijzonderste jaarmissen en feestelijke vieringen in de kerke van Sinte Walburga.’ Ook enkele activiteiten in de kerk van Sint-Niklaas mogen niet over het hoofd gezien worden. Het akkoord wordt op 2 maart 1530 goedgekeurd door het stadsbestuur van Veurne die trouwens zijn steun verleent waardoor dat dit ‘arm in de portemonnee’ voortaan met een korreltje zout mag genomen worden.

Pauwel stuurt me verder naar 1541. Alweer tien jaar leven verdwenen in de mist van het verleden. Er komen problemen met de abdij van Ter Duinen in Koksijde. En het draait opnieuw om fusieperikelen. Ter Duinen krijgt een uitnodiging van de geestelijken van de abdij ‘vanden Eeckhoutte’ om samen te smelten met Ter Duinen en om verder door het leven te gaan binnen de beschermende stadsmuren van Brugge in plaats van de eeuwige strijd tegen de demonen van de zee en het strand.

Deze vraag komt er na de dood van hun abt Jan en wordt gericht aan abt Robert de Clercq van Ter Duinen. Blijkbaar dreigt er een leegloop van kloosterlingen in ‘Eeckhoutte’ en ook in Koksijde is het blijkbaar huilen met de pet op. De jaarboeken van Veurne gaan er dieper op in: ‘de monniken van Ter Duinen hadden al dikwijls getracht om ergens in een stad een nieuw klooster te bouwen. Zij namen daarom als dekmantel dat hun klooster in een woest land stond, dat de lucht ongezond was, dat ze allemaal, verwijderd van al de grote steden, moeilijk aan hun leeftochten konden geraken. En dat vooral het zand van de duinen voortdurend grond van hun klooster aan het innemen was dat ze meenden dat ze mettertijd helemaal overvlogen en bedekt zouden worden en dat ondanks de grote sommen geld die jaarlijks besteed werden om dat te beletten.’

De geestelijken dienen daarvoor natuurlijk de goedkeuring te vragen van de raad en van de keizer. Pas nu beginnen de poppen te dansen. In Brugge zijn ze tevreden met het voorgestelde unie die alleen maar voordelen heeft voor hun inwoners. De raad legt de voorstellen voor aan het bestuur van Veurne-Ambacht om na te gaan of hier geen schade zal geleden worden door de fusie. Er volgt een spoedvergadering met al de betrokken partijen, de wethouders en de vertegenwoordigers van de omliggende steden Veurne, Nieuwpoort, Duinkerke en Bergen. Zoals wel kon verwacht worden is er hier sprake van een muur van weerstand tegen de plannen van de monniken om Koksijde te verlaten.

Er vertrekt achteraf een motie van bezwaar naar de raad van Vlaanderen met maar liefst 39 grieven. Ik ga ze hier natuurlijk niet allemaal uit te doeken doen en probeer me te concentreren op de belangrijkste ervan. Dat het met het oprukken van het zand allemaal niet zo erg gesteld is. Er wordt een beschuldigende vinger uitgestoken naar de huidige abt die het in tegenstelling tot zijn voorgangers niet al te nauw heeft genomen met de bescherming tegen het stuifzand. ‘Vroeger werden pooten, doorens, almen neergeplant om het zand gesloten te houden’, en met de nieuwe is dat blijkbaar allemaal niet meer nodig.

Dat de monniken in gevaar leven, wordt hier weggelachen. De eigendommen van de broeders zijn meestal giften van prominente Veurnenaars, zonder wie het klooster nooit zou kunnen gesticht zijn. Veel arme mensen rekenen nu nog altijd op voedsel van Ter Duinen. En moest zijn majesteit Karel ermee instemmen dat het klooster dan toch zou mogen verhuizen naar de beslotenheid van een stad, dat dit dan ten minste naar Veurne zelf zou zijn en zeker niet naar Brugge! ‘Zij boden daar toe een zeer gepaste plaats aan, om er te bouwen met veel voordelen.’ Op 11 juli 1541 krijgen al de partijen het verdict te horen. De abt en de monniken kunnen hun plannen vooralsnog niet uitvoeren. Daarvoor is de tegenstand van het magistraat van Veurne-Ambacht veel te groot. Ze moeten wachten op een ‘bekwamere tijd’ en zien noodgedwongen af van hun fusieplannen.

Buiten een kwestie van feestdagen die in de weg staan van marktdagen blijft het relatief rustig de volgende jaren. Daar zal in 1551 wel eens een einde kunnen aan komen. De (gedwongen) afspraken tussen de koning van Frankrijk en de keizer uit 1545 worden niet al te lang gehouden en het ‘hadde nauwelijks zes jaar geduurd alswanneer den oorloge tussen de voorzeide monarchen wederom begoste.’ Op 29 september 1551 wordt het slecht nieuws in de Nederlanden afgekondigd.

‘De koning van Frankrijk, eerst te weer zijnde, zond met het begin van de zomer van 1552 grote en sterke legers naar de Nederlanden om daar een oorloge te doen en hierdoor werden er enige steden en versterkingen bemachtigd.’ Het land wordt in die periode bestuurd door Maria, de zuster van keizer Karel en die kan alleen maar vaststellen dat haar legers niet bij machte zijn om de Fransen af te stoppen. Op 4 juli 1552 vertrekt er een boodschap naar al de stadsbesturen van de Nederlanden. Het magistraat van Veurne wordt niet over het hoofd gezien.

De inhoud van de brief komt neer op een mobilisatie. Lees zelf maar: ‘Er werd bevolen dat ze de namen zouden doorgeven van de namen der edelmannen en direct al de weerbare mannen uit hun gebied op te trommelen en dat ze zich met hun oversten zouden laten vinden in het leger van de keizer, toegerust zoals het hoorde. Ze mochten hen stellen onder de kapitein die ze begeerden te kiezen. En wie niet opdaagt zal beschouwd worden als een vijand van de keizer en het vaderland.’

De wethouders hier in Veurne zijn snel klaar met hun lijst van edelen. Ik tel er zesentwintig. Onder hen zit er welgeteld één ridder: Vigor de Cortewille. ‘Al deze personen, uitgezonderd enige die wettelijk beletsel hadden, trokken in schone toerusting naar het leger om aan het voorzeide bevel te voldoen’. Tegen april 1553 staat een flink keizerlijk leger klaar om aan zijn campagne te beginnen. Op het einde van die maand begint er een aanval op de versterkte stad van Terwaan die op 20 juni stormenderhand wordt ingenomen, geplunderd en in brand gestoken.

In de Westhoek kunnen ze hun geluk niet op. Terwaan ligt slechts op enkele kilometer van St.-Omer en het gevaar dat de Fransen over de Aa of over de Nieuwe Dijk zouden getrokken zijn om het land te verwoesten, lijkt met de inname van de heilige stad bezworen. ‘Tot Veurne werden over dit gewin grote vreugdetekenen bedreven alsook op al de prochien van de kasselrij.’

Voor Terwaan betekent dit het einde van de rit. ‘De keizer gaf na de overwinning de opdracht dat men heel deze stad zou vernielen. Daarom deed de koningin-regentes aan de magistraten van de stad en de kasselrij van Veurne schrijven dat ze naar daar zouden sturen zoveel metselaars, muurbrekers en aardewerkers als er mogelijk was. Ponthus de Lalain, de keizerlijke bevelhebber ter hoogte van Terwaan schreef ook naar de wethouders dat zij terstond drieduizend mannen met leeftochten voor een tweetal weken naar daar zouden sturen om de stad te verwoesten en af te breken. ‘

Aan die laatste eis kan Veurne onmogelijk voldoen. Zoveel werkvolk hebben ze niet eens. ‘Uiteindelijk stuurden de gezeide magistraten op de 28ste juni 1553 al de metsers die in hun gebied woonden en ook omtrent negenhonderd lieden die gewoon waren om aardewerken te verrichten naar Terwaan. Die hielpen deze stad zodanig breken en teniet doen, zowel de kerken, kloosters als andere huizen dat men aldaar niets anders dan een steenhoop meer en zag. De keizer verbood alsdan van ter plaatse nog te bouwen, zodat men tegenwoordig niet en kan bemerken dat daar eertijds een zo oude en sterke stad gestaan heeft.’ Ik ben er ooit eens op bezoek geweest en herinner me de doodse stilte, de magie van de afgebroken kerk en de resten van de puinen nog levendig.

Vanuit het oude Terwaan is ooit het christendom over de Westhoek uitgerold. Hier regeerde de bisschop over een bisdom dat reikte tot in Ieper en tot Nieuwpoort en zwaaide hij de scepter over de geestelijken en de mensen van de Westhoek. En wat nu met deze verdwenen stad? Wie zal nu de toekomstige bisschop mogen huisvesten? Welke Westhoekstad zal zijn borst nat kunnen maken om voortaan als bisschopsstad de plak te zwaaien over de streek? De magistraten van Veurne menen dat ze de grootste kans maken. Ze hebben toch maar mooi meegewerkt aan de afbraak van Terwaan.

Veurne is een rustig oord, ver van de grens en centraal in de Vlaamse kwartieren. Ze zijn hier in het bezit van een schone collegiale kerk, fraaie huizen en nog ander mooi gerief die hen perfect in staat stelt om de bisschoppelijke staat te onderhouden. ‘En men vergat er ook niet aan toe te voegen dat de streek doorsneden was van schone vaarten, et cetera et cetera.’ Dan is er tot slot nog de uitdrukkelijke verwijzing naar de ketterij die overal te lande de kop opsteekt. Nee. Voor het stadsbestuur is het duidelijk: Veurne is de ideale locatie om te dienen als bisschoppelijke residentie.

De beslissing wordt uitgesteld. In de plaats hiervan komt er op 25 juli 1554 een prinselijk huwelijk. Filips, de zoon van de keizer, trouwt met Maria, de koningin van Engeland, beter bekend als Mary Tudor. In Veurne krijgen ze de opdracht om festiviteiten op te starten want hun toekomstige vorst zal voortaan eveneens dienst doen als koning van Engeland. ‘Ze volbrachten zulks door het houden van zeer sierlijke en godvruchtige processies en met het vertonen van spelen en vuurwerken.’

Keizer Karel zit ondertussen op zijn tandvlees. In Veurne zwaaien ze hem alle lof toe. Karel sukkelt met het ‘flerecijn’ en wil vertrekken uit het gewoel van de wereld om voor de rest van zijn dagen God te dienen en met rust wil gelaten worden. ‘Daarom heeft hij zich ontmaakt van al zijn landen, rijken en staten. Hij liet het keizerrijk met zijn erflanden in Duitsland aan Ferdinandus zijn broer, de Roomse koning.’ De rest gaat op 26 oktober 1555 tijdens een vertoning met de nodige tralala in Brussel naar zijn zoon Filips. Een jaar later scheept hij in voor Spanje, naar het ‘klooster van de eremyten, genaamd St. Yusto, van de orde van St.-Jeronimus, een gesticht gelegen in het land van Estramadure, acht mijlen Piacenze, in een wildernis, alwaar hij zeer zaliglijk geleefd heeft tot het einde van zijn leven.’

De wapenstilstand die op 5 februari 1555 afgesloten werd met de Fransen houdt stand tot 7 juni 1556. Het huwelijk met de Engelse koningin is er te veel aan voor de Fransen. Filips gooit de troepen van Mary Tudor op tafel en doorbreekt het evenwicht tussen de partijen. De vreugdevuren zouden beter getemperd worden vrees ik. Twaalfduizend Engelsen worden naar de Nederlanden verscheept en ‘de oorlog wierd alsdan straffer als te voren aangevat.’

In Veurne zien ze er voorlopig geen graten in. De grens met Frankrijk ligt nu behoorlijk verafgelegen en er functioneren nogal wat versterkte bolwerken als buffer. Niet iedereen hier is er echter gerust in, vooral op den buiten vrezen ze weer voor het binnendringen van Franse troepen en zullen de nodige verwoestingen weer hun deel worden.

Wat niemand voor mogelijk gehouden heeft, gebeurt in 1558. De Fransen heroveren Calais op de Engelsen. Hoe dat in zijn werk gaat, vertellen de jaarboeken omstandig. ‘De koning van Frankrijk had verstaan dat de versterkingswerken van Calais vervallen waren en dat er maar zeshonderd mannen, luttel ervaren in de oorlog, in garnizoen lagen. Hij zond (wat niemand verwachtte) zijn legers om deze havenstad te belegeren in het midden van de winter. Ze sloegen er hun kampen op de 1ste januari van 1558. De Engelsen zonden enige schepen welke door de stormen en grote winden niet op hun bestemming konden geraken en omdat de troepen van de keizer zich in de Nederlanden bevonden, werd de voorzeide stad op de 8ste van dezelfde maand aan de Fransen overgegeven.’

Dat verandert natuurlijk het plaatje voor Veurne. De vrees groeit dat de Fransen het land zullen binnenrukken. De kasselrijen van de Westhoek krijgen de opdracht om dringend gewapend volk naar de oevers van de Aa te zenden waar men naarstig de wacht houdt. De oorlog lijkt zich in de loop van het voorjaar te gaan concentreren op het Luxemburgse. Die van Veurne houden echter angstvallig Calais in de gaten waar een beruchte maarschalk de Termes bezig is aan de opbouw van een Frans leger. Al bij al ligt de Westhoek er vrij onbeschermd bij gezien het leger van de Nederlanden in de clinch gaat met de vijand ter hoogte van Luxemburg.

‘Het magistraat van Veurne, zeer zorgvuldig bezig om zijn stad te beschermen, deed tot Brugge goede provisie van buspoeder kopen, en zonden gezanten naar de heer Montigny, de gouverneur van Brugge en naar de andere leden van het land nopens de bescherming vanden lande. Middelertijd kwam maarschalk de Termes met zijn leger in het laatste van juni 1558 naar de rivier de Aa, en die overtrekkende heeft hij al de boeren en soldaten verslagen die hem de doortocht wilden beletten.’ Grevelingen en Broekburg worden genegeerd en op 1 juli 1558 zijn de Fransen ‘onvoorzien voor Duinkerke gekomen, alwaar zij dadelijk grof geschut op de duinen deden plaatsen en de stad zeer sterk lieten beschieten.’

De gouverneur van Grevelingen smeekt in de Westhoek om levensmiddelen en steun. Vanuit Veurne vertrekken er enkele wagens volgeladen met graan, maar die worden door de Fransen tegengehouden en teruggestuurd. Pas dan horen ze hier over de belegering van Duinkerke en is het weer van dat: ‘kort daarna zag men reeds de Franse soldaten het land aflopen en roven op al de parochies die omtrent de zee gelegen waren, tot onder Nieuwpoort toe. Zij staken aldaar veel huizen en hofsteden in brand.’

De inwoners van Veurne-Ambacht panikeren natuurlijk. Ze vluchten met hun beesten en hun beste goederen halsoverkop naar de beslotenheid van de steden. Veurne wordt in zeven haasten voorzien van oorlogsmunitie en tweehonderd soldaten om de stadsmuren te bewaren. ‘De wethouders van Veurne deden de straten en de wegen rond de stad gelegen opdelven welk voorbeeld ook gevolgd werd door die van de kasselrij, die op al de prochien hetzelfde deden verrichten. Al de bruggen werden afgeworpen en men liet een menigte bomen vallen in de straten en wegen om de vijand het aflopen van de kasselrij te beletten.’

Het verslag van toen blijft onovertroffen. ‘Nadat die van Duinkerke vier dagen lang het beleg met enige bestormingen weerstaan hadden, zagen ze dat ze zich niet verder konden verweren omdat ze simpelweg geen soldaten in garnizoen hadden. Ze deden daarom met de trommel slaan ten teken van overgave. Tussen de onderhandelingen over een verdrag door zijn de Fransen onvoorzien langs de zijde van de haven in de stad gevallen en hebben die geplunderd en beroofd. Al diegenen die hun goed wilden beschermen werden dood geslagen en daarna hebben ze de stad in brand gestoken. Het was jammer om zien om zo een menigte schone huizen met de parochiekerk te zien verbranden. De Fransen haalden daar zeer veel buit want hier werd veel koophandel bedreven. Een groot deel ervan werd met schepen over de zee naar Calais gevoerd.’

Maarschalk de Termes laat Duinkerke direct bezetten en vertrekt dan richting Sint-Winoxbergen waar de inwoners zich zonder slag of stoot overgeven. Toch moeten ze ook de bittere beker van de vernieling en roof ledigen. Het rijke en weelderige Hondschote volgt en daarna komt Veurne-Ambacht aan de beurt. ‘Een menigte huizen en hofsteden werden er door de Fransen in brand gestoken.’ Een deel van het vijandelijk leger zakt nu af naar Veurne waar ze natuurlijk met een ei in de broek zitten. De Fransen zijn blijkbaar goed op de hoogte dat Veurne goed beschermd wordt en laten de stad gelukkig links liggen. Op het platteland valt er veel meer te rapen.

De leden van het magistraat van Veurne-Ambacht hebben zich tijdens het beleg van Duinkerke gevestigd in de parochie van Reninge omdat ze van hieruit het best de situatie in de kasselrij kunnen managen. Op 7 juli vertrekken ze naar het klooster van Lo. ‘Toen bevolen ze om de parochies van het Bloote te bevrijden van beroofd te worden, van al de bruggen over de Lovaart af te breken en ze geboden aan de inwoners van de prochien ten oosten van de Lovaart met hun wapens af te komen om er de overtocht van de vijand te beletten.’

‘De Fransen trokken door de sluizen van Duinkerke de wateren van Veurne-Ambacht zo veel mogelijk af om zo beter tot in de kasselrij te geraken. Het magistraat deed dammen opwerpen aan de Steengracht, de Calommegracht en de andere grachten, komende in de Lovaart, om de wateren uit de vaart niet te verliezen en daardoor durfde de vijand de Lovaart niet over te steken. Het westelijke deel van de kasselrij kreeg desondanks te maken met Franse rooftochten en leed onder de grote verwoestingen. Net op het moment dat het er weelderig was en vol met rijkdommen want de bewoners hadden er nu omtrent de zesentwintig jaar in rust geleefd.’

Er komt dan toch steun vanuit eigen rangen. Koning Filips geeft bevel aan de graaf van Egmont om met een leger naar de Westhoek te verhuizen om er de Fransen te verdrijven. Egmont wordt vergezeld van de heer van Bignicourt en andere ‘vrome’ kapiteinen. Terwijl ik me afvraag welke militaire voordelen er mogelijk verbonden kunnen zijn aan de eigenschap vroomheid, voegen de garnizoenen van onder andere St.-Omer, Ariën en Bethune zich bij de Nederlandse troepen en smelten ze zo samen tot een leger van dertienduizend man.

De Fransen verlaten haastig Duinkerke en proberen zich uit de voeten te maken via de ondiepe haven van Grevelingen. Op 13 juli 1558 arriveren de legers van de Nederlanden in datzelfde Grevelingen. ‘Op een halve mijl er vandaan heeft van Egmont de Fransen aangetast en een slag geslagen die ten groten nadeel van de Fransen uitviel als hun leger daar helemaal verslagen werd. Maarschalk de Termes werd er gekwetst en gevangen genomen net zoals veel andere treffelijke heren en officieren. Bijna al de roof en buit die ze in Vlaanderen verzameld hadden, werd hun afgenomen en nu was het aan de beurt van de Nederlandse soldaten om er zich mee te verrijken.’

Een deel Fransen wordt gevangen genomen en naar Vlaanderen gezonden. Tweehonderd onder hen worden achter de tralies gezet in Veurne en zullen er blijven tot aan de vrede. ‘Ten is niet zeggelijk wat blijdschap datter in het land ontstond om het gewin van deze slag.’ Op 25 juli 1558 is het feest opnieuw aan de orde. Weer al eens vreugdevuren in Veurne met als toemaatje natuurlijk de gebruikelijke processies en dankzeggingen ter ere van ‘superman’ God en zijn afgevaardigden in de hemel.

Op 21 september 1558 scheidt keizer Karel van deze wereld en organiseren ze in Veurne een uitvaartmis. Er volgt nog zo een prachtige uitvaartmis. Dit keer in de loop van november ter ere van de overleden Mary Tudor, de echtgenote van ‘onze genadige koning Filips’. Met Pasen, 3 april 1559, wordt er opnieuw vrede gesloten met Frankrijk. Het stadsbestuur is verheugd dat ze verlost zijn van de hoge kosten om de Aa bezet te houden. Weer zo’n moment om feest te vieren en ‘des avonds werden er enige vuurwerken ontstoken en andere genoegten bedreven.’

Het vredesakkoord van Cambrai bezegelt ook het lot van Terwaan. De stad blijft afgebroken. De eigendommen van het bisdom moeten verdeeld worden tussen dat van Sint-Omer en een nieuw te stichten bisdom aan Vlaamse zijde. De keuze valt op Ieper, dat de voorbije jaren eigenlijk al de hele tijd de bisschop en zijn staf gehuisvest had. Veurne vist achter het net. Martinus Rijthove, dokter in de godgeleerdheid, een zeer wijs en waardig man wordt tot eerste bisschop van Ieper benoemd. Mijn man weet op dat moment nog niet wat hem allemaal te wachten staat. Voor de Veurnenaars zal weldra ook een heel andere tijd aanbreken.