Vrouwen die met elkaar vechten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       5 months ago     207 Views     Leave your thoughts  

Rudolf, de heer van Reningelst, regelt het in 1197 dat ook Reningelst via Poperinge verbonden wordt met Nieuwpoort. Vanaf het jaar 1000 blijft trouwens niets zoals het was in Europa. De opinies en de zeden van de mensen ondergaan grondige wijzigingen. Het fenomeen van de steden steekt de kop op. In het prille Vlaanderen zien we hetzelfde gebeuren. De opkomst van onze steden heeft duidelijk zijn oorzaken. Eerst en vooral heeft de Romeinse bezetting die verschillende eeuwen geduurd heeft zowat het eigen cultureel erfgoed gewist. De mensen kunnen niet langer terugvallen op hun oude tradities want die zijn er niet meer. Ze zijn niet meer bang om te vechten voor hun zelfbehoud en hun zelfstandigheid. Hun vrijheid vinden ze van langs om meer in de schoot van nieuwe gemeenschappen die bepaalde rechten toegeschoven krijgen van de graven.

Ook in Poperinge komt het volk in opstand om de nodige gemeentelijke vrijheden uit de brand te slepen. In 1147 ontstaat er een rebellie van de Poperingenaars tegen de Sint-Bertinusabdij. De wapens zullen niet neergelegd worden tot dat de heer abt bereid is om te luisteren naar hun bekommernissen. De graaf van Vlaanderen ziet zich verplicht om tussen te komen in de bloedige gebeurtenissen van die dagen. Zo krijgt de stad dan toch zijn eigen grondwet.

In 1208 wordt die voor alle geruststelling nog eens door de abt en de graaf bevestigd en verlengd. Plechtige beloftes van de abt zijn het. Hij zal de goede mensen van Poperinge beschermen in hun rechten. De amman, de hoogste rechter van de stad, kan niet langer naar eigen willekeur goederen en eigendommen afnemen van de stedelingen. Voortaan dient hij hiertoe toelating te hebben van een magistraat. Als hij het toch riskeert, zal hij zijn functie moeten neerleggen en zal hij een boete moeten betalen van 3 pond.

Elke beschuldigde zal voortaan zijn oordeel ondergaan in het bijzijn van de abt en krijgt zijn straf van gezworenen. Hij of zij zal nooit langer gestraft worden dan oorspronkelijk voorzien. Alle goederen die aangeslagen worden door de amman dienen opgeslagen te worden in de abdij in St.-Omer tot dat de beschuldigde zijn straf heeft uitgezeten.

Alleen het hof van Sint-Bertinus is bevoegd om klachten van schepenen en gezworenen te behandelen. Onderhandse transacties van gronden en woningen kunnen niet langer. Alle aktes dienen geofficialiseerd te worden door de centrale abdij. Als twee inwoners met elkaar op de vuist gaan, zal de aanstoker de kosten betalen. De doodstraf wordt ingevoerd voor moordenaars. Ten minste als de beschuldigde niet wordt vrijgesproken door de rechtbank. In dat geval kan de dader vrijuit gaan. Als de straf effectief uitgesproken wordt, rest er nog een laatste strohalm voor de gestrafte.

De vuurproef. Blootsvoets over een bed van gloeiende kolen stappen of een gloeiende ijzeren staaf met de blote handen vastnemen of meer van die plezante bedoeningen. Bezwijken tijdens deze onmenselijke proeven staat synoniem met de doodstraf die er dan onmiddellijk op volgt. Voor wie zich sterk houdt, wacht de vrijheid. Dat allemaal volgens de keure van 1147. Het is voorwaar een harde maatschappij.

In een nieuwe versie van 1232 wordt er wat geschaafd aan het strafrecht. De beschuldigde komt vrij als vijf juryleden, de keurheren of de ‘choremanni’, hem onschuldig verklaren. Als de jury twijfelt, is het aan de acht getuigen, de ‘compurgatores’ om hun oordeel uit te spreken. In alle gevallen heeft de beschuldigde het recht om te komen aandraven met eigen getuigen. De verschrikkelijke vuurproef geldt niet alleen voor moordenaars, maar iedereen die bestraft wordt voor diefstal, laster en gokken, weet wat hem of haar te wachten staat.

Vrouwen die met elkaar vechten, zijn al helemaal uit den boze. Direct een dubbele boete met een minimum die nooit lager zal uitvallen dan 3 pond, een bedrag dat in de 12de eeuw als een maximum boete aangestipt staat. Vreemdelingen die zich in Poperinge komen vestigen, moeten na een tijdje hun trouw zweren aan de keure. Als ze dat weigeren, moeten ze 10 sols betalen aan mijnheer de abt en worden ze achteraf dan toch nog verplicht om die eed af te leggen.

Vlaanderen ontpopt zich ondertussen als het centrum van de handel in West-Europa, met activiteiten die zich uitstrekken tot in Spanje, Italië en Rusland. Frankrijk en Engeland zijn trouwe handelspartners. De handelslobby die de Vlaamse textielproducten promoot, wordt vanaf de 12de eeuw omsc hreven als de Vlaamse hanze en die maakt op zijn beurt onderdeel uit van de hanze van London. Zeventien steden maken deel uit van de internationale hanze. Historicus Warnkoenig heeft ze allemaal opgelijst. Voor Vlaanderen lees ik Rijsel, Ieper, Douai, Arras, Doornik, Gent, Brugge, St.-Omer, Montreuil, Diksmuide, Belle, Poperinge en Orchies.

Verrijkt door zo een bloeiende handel, ziet Poperinge zijn bewonersaantal flink stijgen. De stad heeft in het begin één enkele parochiekerk, die van Sint-Bertinus, de grote apostel van Artesië. In 1290 worden er uit noodzaak twee nieuwe kerken opgetrokken. De eerste opgedragen aan Onze-Lieve-Vrouw en de andere is er een voor Johannes de Doper. Die laatste wordt ook wel ‘Saint-Jan le Baptist’ genoemd. Johannes de Doper zal binnen de kortste tijd plaats ruimen voor zijn ‘laptjesnaam’ Sint-Jan. Beide kerken worden gebouwd op kosten van de lokale gemeenschap.

De officiële goedkeuring voor de twee nieuwe kerken komt van de bisschop van Terwaan. Jean-Jacques Altmeyer komt aandraven met een vergeten vertaling van de oorspronkelijke oorkonde. De schrijver kan die inkijken dank zij de Poperingse notaris Frays. Meteen een prima gelegenheid om nog eens de wortels van onze Vlaamse taal op u los te laten.

‘Alle de gonne die dese jegenwoordighe letteren sullen sien, Jacobus, by der gratie Godts, bisschop van Therouane, salu in den heere ter eeuwigheyt. Alsoo nu overlanx ons te kennen soude ghegheven gheweest hebben van wegen de godvruchtighe mannen, by Godts toelatynge abt van kercke van Ste-Bertins, in St.-Omaars, heere ende patroon van Poperynghe, onser Therouansche diocese, ende consente van selve kercke van Ste-Bertins, mitsgaders Hugo, pastor van prochiekerke, schepenen, curateurs ende ghemeente der selve stede van Poperynghe …’

‘…. dat om de menigte der prochianen woonende in selve stadt, het volck ende prochianen niet en costen te vreden wesen met een kercke, nochte oock aen de zielen in de selve stadt ende prochie niet voorsien syn door de moghentheyd van een pastor, ende dat wy daerom van weghen de voorseyden souden aensocht syn gheweest, op dat wy onsen pausel, consent ende hunlieden d’authoriteyt souden verleenen tot het bauwen, timmeren ende fonderen van twee nieuwe prochiekercken in selve stede ende prochie sonder lesie nochtans van voorschreven patronale ende oude kercke, ghemerckt ter cause voors.’

‘Wy maken hunlieden bekend dat wy willen voorsien tot vermeerderynghe van Godts eerbiedynghe, ende soo veel wy connen tot de sielen saligheyt, mitsgaders begheiren, hunlieden rechtveerdighe supplicacien toe te stemmen, voor soo veel het recht toelaet en in onse maght is, Mr Jan De Ligne, canonynck, en onsen official van Therouane om te ondersoucken of den noch verheesschende de fondatien, ghebauw ende timmeraige van selve twee nieuwe prochiekercken in stede ende prochie..’

‘…. mitsgaders door syne briefven daeroppe ghemaeckt, ons wettelyck is blycken van het voorschreven, maer voorgaende diciesie by den gemelden officiael ghedaen, van selve gheheele prochie in drye deelen met competente afpalynghe van de drye parochien uyt de selve gheheile prochie door wycken ende wyxkens afgedykt ende bekens door straeten en voetwegen. Soo het best heeft connen gheschieden, ten eynde dat de selve twee nieuwe prochiekercken boven de voorseide patronale ende oude kercke ghemaeckt, gheconfirmeert en opghebauwt worde in de voorschreven stede van Poperynghe’.

‘De twee nieuwe kercken sullen ghebauwt ende ghetimmert worden, te weten d’een in den Oosten ende d’ander in den Westen van selve patronale ende oude kercke in haer ghelegentheyt ten vollen ende ongeschonden, statuerende dat in elcke der voorschreven drye prochiekercken sy eenen pastor, die de prochie in solidum ontvange ende gheniete, onghepreiudiceert ‘t recht van patronaet, privilegien, libertheyten, rechten ende costuymen..’

Ook het financieel aspect wordt niet vergeten. Dat zal wel, want kerken dienen als onvervalste melkkoeien voor de geestelijken daar aan de top in St.-Omer en Terwaan. Het stichten van parochies zoals hierboven omschreven, gaat hand in hand met het zich toe-eigenen van de rechten en de taksen die de inwoners zullen moeten zien af te dragen. Met deze wetenschap in het achterhoofd, zal u ongetwijfeld de originele stichtingsakte in het juiste perspectief lezen:

‘..de selve religieuzen kercke ende clooster in de gheheele stede ende drye prochien voornoemd in de geboorlingen offranden vervallen, thienden ende opcommen ghelyck tot nu toe in selve gheheele stadt en patronale oude kercke alleen hebben ontfangen, heffen ende ghenieten, en ghenoten hebben in sulcker lasten ende ghevallen, indien de selve twee nieuwe kercken als noch niet en hadden inghestelt gheweest…’

‘Wy statueren Hugo welcken syne voornoemde oude en patronale kercke is houdende ende ghehouden heeft, heffe, ontfange ende gheniete twee hondert coorne schoven ende veertich haver schoven, die den pastor van de voorts, gheheele prochie voor de voornoemde divisie aen de cure van St.-Bertins tot Poperynghe toequamen; item veertig schelling parisis jaerlyckx rente ofte daer omtrent vytte renten van het brevet van selve oude cure, en dat den pastor van de selve oostersche kercke aen den voors.’

De stichtingsoorkonde van de twee kerken kan je inderdaad best bekijken als een notariële akte. Wat getekend is, kan zo maar niet meer ongedaan gemaakt worden. Nu niet en in de toekomst ook niet. Ook de bisschop bekijkt dat op die manier in 1290 en die toekomst breidt hij zonder verpinken uit tot in de eeuwigheid: ”t gonne voorschreven, welcke Hugo overleyden synde, zullen de voorschreven coorne ende haverschoven ende de voorschreven pennynckrenten van priester der patronale ende oude kercke alsdan afwicken ende blyfven aen den priester van selve oostersche kerke in de eeuwichheyt, ende de selve pastooren der nieuwe kercken, ende hunne successenissen van alsdan ende in toecommende tyde van de selve betalynghe ghelast blyven, in teecken van welcke wy aen dese jegenwoordighe briefven hebben doen aenhanghen onsen zeghel.’

De akte wordt plechtig gedateerd, ondertekend en verzegeld. ‘Ghegheven in ‘t jaer des heeren duyst twee hondert ‘t negentich, ‘s woendaghs voor Synxchen’. ‘Ende was hanghende een deel van seghel ghedruckt op groen wasse en dobbelen steerte van parchemyne’.

De bouw van twee extra kerken illustreert de ongebreidelde expansie van Poperinge in die dagen van de geschiedenis. Het lijkt er op dat de groei en de bloei van Vlaanderen en van Poperinge voor eeuwig zal blijven duren. Niets is minder waar. Onder het bewind van Gewijde van Dampierre wordt Vlaanderen brutaal door elkaar geschud. De graaf verspeelt mondjesmaat de sympathie van zijn eigen inwoners. Op het buitenlands toneel is hij het speeltje van Frankrijk en Engeland en ook de paus en de Roomse keizer degraderen Gwijde tot hun marionet. Brugge en Ieper rechten hun ruggen. Poperinge volgt deze twee grote steden in hun verzet tegen de gang van zaken.

De inzet van de strijd is een clash tussen de bestaande aristocratie en de gewone man. Een prille democratie lonkt verleidelijk maar is meteen veraf. De drang naar gelijkheid zal de Poperingenaars nooit meer los laten. Dampierre houdt in 1280 grote kuis in Ieper in de afloop van de Kokerulle. Daarna richt hij zijn pijlen op Poperinge en rekent hij af met alle bewoners die van dicht of ver betrokken waren bij de Ieperse onlusten. Ondertussen laveert hij niet altijd even handig langs de abt van Sint-Bertinus.

Ondanks zijn repressief en mensonwaardig optreden, laten de mensen van Poperinge hun regulier staatshoofd niet in de steek als er een oorlog uitbreekt tussen Frankrijk en België. De Poperingenaars gedragen zich dapper in het jaar 1292 wanneer de lokale snaken mee galopperen richting St.-Amand om er de grens van Vlaanderen mee te helpen verdedigen tegen de Fransman Filips de Schone.

Schrijver Jean-Jacques Altmeyer is erg duidelijk: na de heerschappij van Gwijde van Dampierre zullen al zijn opvolgers voortaan de belangen dienen van Frankrijk en zich hiermee ook afzetten tegen de vrijheden van het land en zijn steden. De slag van Kortrijk in 1302 zorgt voor een revolutionaire koorts in het graafschap. Een agitatie die het best kan vergeleken worden met wat er ooit voorgevallen is in de republiek van Rome.

Poperinge toont zich erg actief in de vrijheidsstrijd die rond 1328 opnieuw de kop opsteekt. Het is de periode van Nikolaas Zannekin die de wind van de Vlaamse wraak stevig doet opsteken en alles wat Fransgezind is in het land wil elimineren. Poperinge en zijn soevereine heer staan de hele tijd aan zijn kant. Brugge weet niet wat het wil en Ieper blijft lange tijd achter de graaf staan. Tot Zannekin zich verplicht ziet om de stad aan te vallen en verplicht om zich bij het volksleger van de Vlamingen aan te sluiten.

Het is diezelfde Zannekin die op 23 augustus van 1328 de ultieme confrontatie aangaat met het grote Franse leger. De Casselberg. De mannen van Poperinge, Veurne, Nieuwpoort en de Westhoek leveren er een heroïsche slag aan zijn zijde en delven daarmee hun eigen graf. Kan er iemand in de Westhoek ooit die verdoemde dag vergeten? Poperinge en de andere steden die het aandurfden om de vlag van de revolutie te hijsen, worden achteraf zwaar toegetakeld met immense boetes en gestript van een deel van hun voorrechten.

Zannekin en duizenden kinderen van de Westhoek blijven dood achter op het slagveld. Hun dood doet heel wat stof opwaaien. En uit dat stof wordt Jacob van Artevelde geboren. Door de enen toegejuicht en door anderen gehaat en verwenst, zoekt hij bescherming bij de Engelsen en emancipeert hij de Vlaamse bevolking als geen ander.

In 1343 staat Artevelde op het toppunt van zijn macht. Hij reorganiseert Vlaanderen zoals nooit tevoren. Een nieuwe leest. Hij plaatst Gilles van Coudenbrouck aan het bestuur in Brugge en in Ieper wordt Jan van Houtkerke de sterke man. Heel zuidelijk Vlaanderen moet voortaan naar de pijpen dansen van Ieper. Dit terwijl Brugge de lakens uitdeelt aan zijn wijde buitenomgeving, beter bekend als het Brugse Vrije. Gent zwaait de scepter over de streek van de Vier-Ambachten. Ook het land van Waas, Aalst, Dendermonde, Oudenaarde en Kortrijk vallen onder het kersvers Gents bestuur.

Jacob van Artevelde beperkt zijn beleid tot het dirigeren van drie mannen. Voor die machtspositie over deze drie steden heeft hij veel veil. Zo decreteert hij dat de reguliere textielnijverheid enkel kan plaatsvinden binnen de stadsmuren van Brugge, Gent of Ieper. Deze beslissing betekent niet min en niet meer dan een reguliere kaakslag voor de bevolking van de buitengebieden. En zeker ook voor Poperinge dat leeft van zijn lakenhandel.

De inkt van de nieuwe wet is nog niet helemaal droog als de Poperingenaars de wapens opnemen om deze verbijsterende beslissing aan te vechten. Tussen Ieper en Poperinge liggen de zaken sowieso al gevoelig. Er heerst een grondige jaloezie tussen de textielarbeiders van beide steden. Poperinge houdt zich niet altijd aan de kwaliteitsnormen voor de lakens die er heersen in Ieper en brengt hierdoor volgens hen grote schade aan hun zakelijke belangen. Zeg maar dat de Poperingenaars onder de prijs werken en dat die van Ieper dat voelen in hun omzetcijfers en dus in hun portemonnee.

En nu zouden ze dus helemaal naar de pijpen van de Ieperlingen moeten dansen? Er kan geen sprake van zijn. Die van Poperinge en Langemark gaan onverstoord verder met het kaarden, het verven en het weven van eigen textiel. Op hun beurt stappen de Ieperlingen naar hun buursteden waar ze alles wat ook maar ruikt naar lakens vernietigen en er veel menselijk leed aanrichten. Er vallen dodelijke slachtoffers. Eén van hen is de Poperingse aanvoerder Jacob Bets. Die laatste zou zich een Artevelde in het klein hebben gewaand en was zo overmoedig om zonder veel poespas de eigendommen van de abdij van Sint-Bertinus aan te slaan.

In 1345 wordt Artevelde in zijn eigen stad Gent geliquideerd. Een jaar later sneuvelt graaf Lodewijk de eerste op het slagveld van Crécy. Hij wordt vervangen door zijn zoon, die van Male, genoemd naar de plek waar hij op de wereld gekomen is. De nieuwe herstelt Vlaanderen rond 1348 in zijn originele toestand, sluit vrede met Engeland en brengt vooral rust en orde over heel Vlaanderen.

Poperinge profiteert mee van de economische revival. In 1360 wordt een prima kanaal gegraven tussen de stad en de IJzer bij Elzendamme. Het water zorgt voor een wekelijkse toevoer van een twintigtal met handelswaren volgestouwde boten. De vergunning voor de graafwerken is er gekomen door toedoen van de abt van Sint-Bertinus en de graaf. Het lijkt er trouwens op dat de Vlamingen zich opnieuw onderworpen hebben aan Lodewijk van Male, maar dat is slechts schijn.

De wind van de democratie speelt nog altijd zijn parten. Vooral in Gent dan waar de revolte in 1379 opnieuw de kop op steekt. De funeste opstand van de Gentenaars verspreidt hun woest en opruiend gedachtegoed over zowat heel Vlaanderen. In 1381 wordt Filips van Artevelde, de zoon van Jacob, uit het niets te voorschijn getoverd en aan het hoofd gezet van de Vlaamse revolutie.

Filips herneemt de projecten van zijn vader en doet dat met meer energie en meer ijver. Altmeyer schrijft het niet meteen neer, maar tussen de lijnen snap ik wat hij werkelijk wil vertellen. Jacob van Artevelde pakte de zaken diplomatisch aan terwijl zoon Filips van diplomatie geen kaas gegeten heeft en met zijn directe mentaliteit iedereen voor de keuze stelt: buigen of barsten.

Het wordt barsten. Enfin, toch voor hem. Na een eerste periode van successen, keren de kansen in zijn nadeel. Het jaar 1382 is nog niet helemaal opgeborgen in de ladekast van de geschiedenis als de Franse koning Charles VI, de hertog van Bourgondië, met zijn militaire elite massaal de Leie oversteekt om vastberaden een einde te maken aan de Vlaamse opstand. De oversteek zorgt voor grote paniek en penibele toestanden in Vlaanderen. De Ieperse burgerij is fijn gerust in de Vlaamse belangen en stuurt een nest hoge geestelijken naar de Franse koning.

Ieper verraadt Vlaanderen en vraagt op zijn blote knieën pardon aan de heer koning. Die krijgen ze prompt, daar aan de oevers van Zillebekevijver. Zolang ze maar bereid zijn om een schadevergoeding van 40.000 frank te betalen. De hele omgeving wordt zwaar geteisterd door het grote vijandelijke leger. De Poperingenaars proberen zich staande te houden met de functionarissen van Artevelde op kop, maar ze worden verplicht om die laatste vastgebonden en gewurgd over te leveren aan de Fransen. De inwoners moeten niet op het minste medelijden rekenen.

Bretoense soldaten laten een verschrikkelijk spoor van branden, plunderingen en vernielingen achter in en rond Poperinge. Al de opgebouwde welvaart van de laatste decennia gaat op enkele dagen tijd volledig verloren. Het groot pauselijk schisma verdeelt Vlaanderen in Urbanisten en Clementijnen, respectievelijk voorstanders van de door Engeland ondersteunde Roomse paus Urbanus en van de Frans tegenpaus Clemens. Poperinge behoort tot het Franse kamp. Gezien zijn ligging ten opzichte van Frankrijk blijft het liever voorzichtig en blijft het weg uit het Engelse kamp. Nog zo een vernielingsronde zien ze hier niet zitten. Het Franse juk dragen, lijkt in 1383 de veiligste manier om te overleven.

Van het beleg van Ieper wordt er met geen woord gerept door Altmeyer. Vreemd dat er van dit maandenlang beleg op een beugscheut van het Poperingse helemaal geen sprake is. De nasleep ervan wordt wel vermeld: Lodewijk van Male wordt vermoord in 1384. Zijn dochter Margaretha, echtgenote van de Bourgondische hertog Filips de Stoute, erft de schone provincies van Vlaanderen. Het zal nu nog een jaar duren vooraleer de Gentenaars de strijdbijl begraven en in Doornik vrede sluiten met Margaretha, haar man, en met de koning van Frankrijk.

Vlaanderen is uitgeput en blijft als een verslagen hond in zijn mand liggen tot aan de dood van Filips de Stoute. Die laatste heeft tijdens zijn leven trouwens nogal wat energie gestopt in het breken van de Vlaamse revolutionaire gedachten. Op verschillende plaatsen heeft hij vestingen laten optrekken. Ook de bron van het kwaad heeft hij aangepakt. Grote bevolkingsconcentraties van wevers worden opgesplitst. Zo moet een deel van de Ieperse wevers voortaan aan de slag in Poperinge. Het zijn vooral de arbeiders die wonen in de buitenwijken van de stad die de oversteek moeten maken.

Zo arriveert Altmeyer weer in Poperinge. Rond die tijd geeft de lokale magistraat blijk van een extreme onafhankelijkheid in een delicate kwestie die zich daar aandient. De schepenen hebben Jacques De Coninck laten oppakken. De Coninck is een geestelijke klerk van het bisdom, compleet met tonsuur en kloosterhabijt en dus in principe onschendbaar voor de wereldlijke wetten. Maar geestelijke of niet, de man wordt voor twee jaar verbannen uit Poperinge op straffe van het verliezen van beide ogen als hij in die periode toch gesnapt wordt in de stad.

De bisschop van Terwaan en de deken kunnen er niet om lachen en dreigen met excommunicatie voor de schepenen en de magistraat. De schrijver haalt de oorspronkelijke en oud Franse teksten naar boven. ‘Peine d’excommunichement audit bailli qu’il ne procédast aucunement contre ledict clerc.’ De geestelijke verontwaardiging is compleet. Ze dringen er met man en macht op aan dat De Coninck enkel voor een kerkelijke rechtbank kan beoordeeld worden en nooit voor een wereldlijke vierschaar.

De Poperingse schepenen weigeren resoluut om in te gaan op hun eisen. De kwestie belandt uiteindelijk op de tafel van het Parijse parlement en leidt uiteindelijk tot een compromis tussen alle partijen. De datum, 12 juni 1406, is bekend, maar hoe ze er eigenlijk zijn uitgeraakt, is blijkbaar niet langer van belang.

Na het overlijden van zijn vader, is graaf-hertog Filips de Goede aan het roer gekomen in Vlaanderen. In 1435 breekt hij met Engeland. En dat is bijzonder pijnlijk voor Vlaanderen die zich recht moet zien te houden met de import van Engelse wol. De bedoeling van Filips is duidelijk: er kan maar één partij baas zijn over Vlaanderen en dit kan alleen maar Frankrijk zijn. In Vlaanderen hebben de Engelsen niets te zoeken.

De Engelsen moeten trouwens verjaagd worden uit Calais en uit het graafschap van Guines dat ze al een eeuw bezet houden. De reactie van de Engelse koning Edward laat niet op zich wachten. Hij stelt de graaf van Gloucester (Jan van Bedford) aan als nieuwe hoofdleenheer over de Vlaamse provincies. De oorlog ontbrandt. Nogal wat weerbare mannen uit Vlaanderen zien zich verplicht om Calais te gaan ontzetten en gaan daarmee tegen hun zin in op de vragen van Filips de Stoute.

1436. De campagne daar loopt af op een sisser en de ontmoedigde Gentenaars druipen af naar huis. De gefrustreerde Engelsen laten zich gelden in de streek van Poperinge. Brandstichting en plunderingen zoals gewoonlijk. In 1452 breekt er weer hommeles uit in Gent. De Poperingenaars zien de bui al weer hangen en dringen er bij de graaf op aan dat hun regio als neutraal kan worden verklaard.

De hertog van Bourgondië gaat in op hun verzoek. Altmeyer diept de oorspronkelijke tekst op. Poperinge is eigendom van de eerwaarde abt van Sint-Bertinus. Gewapende mannen moeten er weg blijven. Er zal niet gestolen en geroofd worden. Geen graan en geen wijn. Geen schapen, paarden en varkens. Geen textiel, beddelakens en nappen. De lijst van beschermde eigendommen is lang. Mensen uit de ‘seigneurie’ van Poperinge mogen in geen geval gemolesteerd worden. Die van Gent moeten zorgen dat ze uit de buurt blijven.

De archieven in de Vlaamse steden zitten vol met details over de bloedige uitspattingen gepleegd door de ambachtslieden tijdens de 14de en de 15de eeuw. Poperinge vormt helaas geen uitzondering en dat wil Altmeyer verduidelijken met een vonnis uit die dagen. Etienne, bastaard van Godesey, Walins Ysdoor, Julien Wumeels en een zekere Marc, de bastaard van Rasseschacht krijgen het verdict te horen.

Ze worden beschuldigd van een reeks gewelddaden en moorden. ‘Malfeicteurs’, zijn ze, ‘non contens de ce vanter journelement de batre, viloner, de copper et de tuer’. Bastaard Marc wordt voor maar liefst 50 jaar verbannen uit het graafschap Vlaanderen. De Poperingenaars krijgen het recht hem koudweg te doden als hij alsnog moest opduiken in hun stad. Marc Rasseschacht en zijn bende moeten een gevaarlijk heerschap van struikrovers geweest zijn. Ze hielden zich op in de bossen en tussen het rijpe koren, overvielen en beroofden de voorbijgangers van have en goed. Erg gevaarlijke individuen. Haast niemand waagde zich nog in de straten uit angst om bestolen te worden.

Dit is een fragment uit deel 5 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.