Vrouwenhoedjes

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     347 Views     Leave your thoughts  

Met de draai en de gang en de mode van onze vrouwenhoedjes ben ik weinig bekend. En ik spreek er enkel van als iemand die, hetzij in de feestzalen, hetzij langs de straten, hetzij ja, zelfs in de kerk, willens gedwongen is te kijken naar die blinkende, blekkende overvloed van appels en peren, krieken en pruimen, eiers en beiers, kruiden en bloemen, ranken en bramen, lintjes en strikjes, zijde en pane, kant en tuil, hooi en strooi en wat weet ik al!

Ja, al de vogels die vliegen in de lucht, al de vruchten die groeien in de tuinen, te boome of te velde, al de kerfdieren die krevelen in het mos, al het wied dat woekert langs dijken en grachten, het staat of het ligt of wikkelt er al op!

Enkele dagen geleden, in de Sint-Michielskerk te Kortrijk, waar het alle zondagen toogdag is voor hoedjes van kijk-naar-mij, werd ik onbewust door de schuld van een hoop hoedjes meegesleept en verleid door het listig duiveltje der verstooidheid: het was 11 ½ uur, en, met dat ik vroeger was opgestaan, was ik blauw van de honger.

Om die honger te stillen kreeg ik dadelijk mijn gerief: voor me zaten drie juffers wier ouders nering doen in eetwaren, en op het hoedje van de ene lagen twee blieken met hun zilveren buikje te blinken tussen ’t vlotgers; op het hoofd van de tweede lag er een duivejong met kropsla, en op het derde hoedje zat er, met twee zwarte, blinkende perelen die puilden uit haar kop en twee lange hoornen die achterovergekruld en vastgebonden waren aan haar rug, een ijzeren stekelkreeft. Als nagerecht tot dat lekker noenmaal, vond ik, op de hoedjes rondom mij ooft bij de vrechte, te rapekaaie uitgestrooid, gelijk op de gerstvloer van een boomgaard.

Het is jammer meende ik in mijn eigen, dat pater Poiters hier niet is. hij zou barmhertig wee-kermen op de ijdelheid van de wereld, hij niet verdragen kon dat een meisje met een kruisje op het hart gaat: ‘en dit openharig volkje, schrijft hij, meent dat alle dingen wel zijn, als zij een gouden crucyfix op de borst dragen, en zo komt men ook in de kerk, zo hoort men het woord van God, zo knielt men aan de tafel van de heer, zo verdient men de aflaten. Wat zeg ik? Verdienen? God geve het dergelijke soms niet eerder twee zielen in de hel en brengen, als dat zij er een uit het vagevuur zouden verlossen.

Zo streng als pater Poiters zou ik tegen de mode niet durven opkomen, indachtig zijnde dat ik, van de eerste keer gevaar zou lopen in ongenade te vallen bij de lieve lezeressen van De Lelie. Maar het zal mij wel geoorloofd zijn nietwaar, eens ernstig te onderzoeken waartoe een vrouwenhoedje van rechtswege dienen moet.

Oorspronkelijk werden de hoeden uitgevonden en gebruikt om het hoofd en het aangezicht te dekken en te behoeden tegen regen en wind, hagel en sneeuw, bijtende koude ’s winters en brandende hitte ’s zomers. Nu nog te lande gaan de vrouwen ’s zomers uit met een lichte, kanten pijpmuts, en wordt hun hoofd en geheel hun lijf ’s wintrers gedoken en geduffeld in de warme vouwen van een zware, zwarte ouderwetse kapmantel; ja, deze, die het niet ontzien noch beschaamd zijn licht werk in hun tuin te verrichten, zetten op hun hoofd, om hun aangezicht te beschutten tegen de laaiende zonnestralen, de lichte breedgevooide strooien zomerhoed.

Maar, als men de zaak wel ingaat, hebben hedendaags veel vrouwen die op wandel zijn drie hodjes op. Het eerste, door God verleend is het beste en het schoonste, het is het prachtig haar dat op hun hoofd groeit. Het tweede, door mensenhanden vervaardigd, is het pateel, het kuipje of het mandeke dat recht omhoog op hun haar staat, of, ’t onderste boven, tot over de wenkbrauwen neerhangt, en het derde is de paraplu of de parasol die zij, om huid en hoed te beschermen boven hun hoofd in hun hand houden.

Indien ik mijn hart rechtuit mag spreken, strekt de hedendaagse vrouwenhoed van langs om meer tot hoofdsieraad. Bij de kinderen van het pluimgeslacht zijn het de kiekens en henne die zedig gekleed gaan en de hanen die prijken en pralen. Onder de kinderen van de mensen, integendeel, zijn het de wijvetjes die de pluimen op hun hoofd steken.

Sierlijke hoedjes hebben zij van doen om hun schoonheid te doen uitkomen om inniger te bekoren en om de vrede van de harten te vinden. Veel juffers zijn, met een schoon hoedje, engels van welgezindheid die, met een oude muts duivels zouden zijn van onverdraagzaamheid. Laat dus maar stout uw hoedjes op uw hoofd staan lieve juffers die uw tovermacht wil uitoefenen in het minzaam zijn. Indien het uw hart lust, waarom niet? Men paait wel kinders met knikkers.

Op enige voorwaarden nochtans. Ten eerste dat uw hoed in de zomer uit licht stro gevlochten, vrije doortocht verleent aan het verfrissend windgewaai. En dat hij in de winter uit steviger goed bereid, wel dekkend en warmegevend weze. Zorgt ook wel, dat hij nooit te zwaar weegt en drukt op uw teergevoelige zenuwen van uw voorhoofd. Lastige hoofdpijn mocht er het gevolg van zijn, hetgeen jammer zou zijn voor u en uw licht ontsteld gemoed zou verbitteren. En door de weerbots zou het mannevolk de schaap zijn van uw ongemak hetgeen toch ook jammer zou zijn nietwaar?

En bovenal, dat uw hoedje mooi staat. Ziet ge wel de mode die gij volgt is hier overgewaaid uit Parijs, de mode in gebruik van taal en de mode in gebruik van hoedjes. Te Parijs hebben de meisjes de kneep om schoon Frans te spreken, hun eigen taal, en om flink hun hoedje op hun kopke te zetten – hun eigen mode.

U, minzame juffers van de beide Nederlanden, is ’t een en ’t ander vreemd en oneigen. En zo komt het dat het Frans dat gij spreekt gebrekkig, ja soms afschuwelijk is, en dat uw hoedjes, onvast opgestoken, wikkelen, waggelen en schijveren wijds en zijds.

Eigen dracht ware beter, eigen taal ook. Wilt gij, kost wat kost een Frans hoedje op uw Dietse kopke zetten, ziet wel en zorgt dus dat het er mooi staat. Niet gelijk een pan of een schotel die op uw hoofd klutst, maar gelijk de kelk die uit de bloem groeit, ja, gelijk de sierlijke kelk die opengaat uit de stengel van een lelie!

De lieflijkheid van uw hoofdsieraad getuigt van de lieflijkheid van uw harten. Hoe meer bloemen hoe liever. Maar niets dat stekt of straalt of krevelt. En, om de liefde Gods, geen duivejongen, geen kropsla, geen kreeften.

Dokter Lauwers

Dit verhaal hebben we geknipt uit ‘De Lelie’, katholiek tijdschrift voor dames. Het kost 7 frank per jaargang van 12 nummers.

Uit ‘De Poperinghenaar’ van 1911 – www.historischekranten.be

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>