Waar zit ne daar, die schone lelijkaard?

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     541 Views     Leave your thoughts  

Het was een plezante tijd te Roeselare wanneer de leurders met verse vis en verse garnalen de streek afreisden. Ze verkochten, dronken en sloegen met stokvis op mekaars kleren. Geheel Roeselare kende ze en leefde al hun intimiteiten mede. Al verwijtend en krakelend liepen ze d’Ooststraat en de Markt af, de vent links, ‘t wijf langs de andere kant van de straat. Op deze deftige afstand golfden door de gesloten stadsluchten hun mooiste litteraire bevliegingen:

– Gij leegaard, gij lelijkaard, wacht tot da je thuiskomt! ‘t Kotjie gaat te kiene zijn. Aai gie zattepulle! Ge zoudt oese spaarcenten up doen ? Ge zijt in levende lijve de schande van oes famielje. Ols je vrijdege, ‘t wos ton ol sukre en zeem en nu? Ge stinkt naar den drank, ge zijt deurzopen lijk ‘n oliepulle. Bezie mij da peerd van Kristus daar ne keer lopen, ‘k zou beschaamd zijn van nog mijn smoelement onder de mensen te togen…

Het waren doorgaans de wijven die het hoge woord voerden en jeremieerden als nooit een Jood het tegen de klaagmuur vermocht.
De venten lieten Bourgogne waaien, zij waren dat zo gewoon. Het zou hun niet gaan, indien het aldus met verliep.

– Ols ‘t lof tenden is, ze zal ton wel heuren orgel vantzelfs sluiten…

Het gebeurde nochtans dat het over zijn hont ging en de wouw begon uit de school te klappen. Dan stapte hij uit een kloefe, ging al mankende op zijn ene sok de straat over en dreunend klonk het:

– Ha. waar zit ze daar, die zworte katte ? Dat serpent met heur gladde tonge… Kom hier, Sjuliette, me gaan ‘t subiet gaan arrangeren zi.

Sjuliette schaverdijnde dan vijftig meter verder en ‘t spel herbegon, nog straffer, nog intiemer. De voorbijgangers mieken zich uit de voeten, en de garden sloegen een zijstraat in.
Het was de tijd van messen, bloed en gebroken glazen. Geen dag ging voorbij zonder dat een of ander spektakel gratis door de Nieuwmarkters werd opgedist. Moorden evenwel hebben zij nooit begaan, maar slagen gedeeld en gekregen, bij hele hopen.

Als de zaken floreerden, en man en wijf samen aan ‘t fuiven waren, dan was het of Breughel zijn figuranten aan ‘t uitstrooien was. Arm aan arm, al zingend en tierend, Frans en Vlaams al dooreen, kwamen ze door de straten geveerd. Als ze met velen waren en de leute op zijn hoogtepunt steeg, dan kwam hun nationaal gevoel boven en dreunend zongen zij van Cyper de stamvader:

Van ‘s nuchtens vroeg tot ‘s avonds late,

Ben ‘k up de been en langs de strate.

‘k Ga achter brood voor wuuf en kind,

Om oordjes voor een grote pint,

En dat ‘t nog voor nen druppel ware,

Waarom is ‘t nodig dat ik spare?

‘t Is Cyper ol hier…’t is Cyper oldaar

Maar liefst van ol te Roeselaar.

Die tijd is voorbij! Pee, Sissen en Tarzan hebben heel wat meegemaakt. Soms treuren zij over voorbije vreugde en hun vervallen heerschappij, toen ze in ‘t drinken de onbetwiste meesters waren en ‘n boer van zijn paard zouden geslagen hebben in deze kunde. ‘Stout’, was het en ‘Rodenbach’. Geen Picon of Pernod, deze gecondenseerde hedendaagse dranken, die de maag omkeren.

– Stout! Dat was nu eens eten en drinken, en als er te spuwen viel, wel dan was er iets te kotsen. Maar nu, zei Pee, bezie de jonkheden staan lelijk doen tegen ‘n staak, en er komt niets van in huis…

Tanite heeft met dit alles met veel te doen gchad. Zij was de bazin van de achterpoort tot de voordeur. Pee den Ouden van de voordeur tot de uiterste grenzen van de wereld. Dit wist Pee maar al te goed en hoe zat hij ook was. toch kon hij het schavelen dat hij ongeveer nuchter thuis aanlandde, al was het ook een dag later.

Pee werd altijd zacht neergezet thuis, en Tanite gebaarde zich onnozel. Veel ruzie hebben ze nooit gchad, wat niet belette dat het er nu en dan een, stormen moest. Anders wordt het water te dik.
Haar grootste genot was thuis in de stalkeuken rond de buizestoof met een stel breinaalden te schudden om af.

Sissen en compagnie kwamen dan overgewaaid, de stenen pijpen werden bovengehaald, gestopt met een grote truis, en al smakkend vulden ze de atmosfeer met heerlijke tabakwalmen, die ze dromend voor zich uitbliezen. Dan gingen de vertellingen hun gang.

Peegie zat op een klein stoelke, dat het van St. Niklaas gekregen had, te luisteren gelijk een vink.

Dan mocht het van Tanite soms wat langer opblijven dan gewoonte, bijzonder als Sissen bezig was met zijn bijbelverhalen. Sissen de godvruchtige zattepulle. Hij vertelde alles op zijn eigen manier, en putte uit de schat van herinneringen die zijn moeder hem als erfenis had nagelaten.

En zo vernam Peegie op een avond de wonderbare geschiedenis van de verloren zoon.

– ‘t Wos daar ne keer ne vint die twee zeuns hadde, wovan dat de joenksten die oltijd nen droeven deugniet gewist hadde, tegen zijn vadre zei: Pere zegt alzo, ‘k héé goeste van in de vrimde landen te gaan voyageren, gif mij mijn piekers, ‘k ga voorts.

De vadre, jen verstond ie hem da niet stief aan. Heê je nog van ze levens zulke redens g’hoort, zei ‘t ne, maar aangezien dat de zeune oltijd voorts lamenteerde, je gaf hem zijn kluiten en ton is ‘t ne ‘t afgetrapt.

Maar dat en deurde ol nie lange. Os ‘t ne hem in de vrimde landen gearriveerd was, eet ne hem begunnen spelen met slicht vrovolk, te drinken dat ne keeroogde en t’eten lijk de dijkedelvers.
Je moorste daar zo danig stijf dat ne ‘t ol up at, je zat met ‘t gat deur zijne broek en je wiste niet meer waar uut noch waar in van de krotte. Nen groteren buisbeing ‘n hadden ze van ze leven in ‘t vrimde niet gezien.

Van krotte hee ‘t ne hem ton bij nen kortweunster gaan verheuren. Je moste daar up de zwijns letten. Nen gieriger duvel lijk de baas ‘n was er in Gods Rijk niet te vinden, je kreeg geen friko zo dat ne moste bij de zwijntjies gaan eten.

De Tjotelare, zijn herte keerde der van. Ton es ‘t ne ontnuchterd en heet ne tot zijn zelven gekommen. Je zei non de ku, en je peinsde snotverdikke, der zijn zovele garçons in mijn vaders huis, z’heen t’eten dat hun der buiksgie spant, ze leven lijk grote messieurs, dat ‘k were keerde tink mij dat ‘k zou weldoen, ‘k Gaat ‘t reskieren. ‘k Ga zeggen tegen mijn vadre : Pere, ‘k heè grote zonde gedaan tegen den Hemel en tegen joe, maar allé ge moet nooit begaren dat je ‘t weet.

Kiek zi, ‘k zou hier willen de grootste snotbucht zijn van ol joen dommestieken, ‘k wille de fortrekken kuisen, met de vuilkarre gaan, ol dat je wilt, maar gif mij toch een bitje smiks. van “k ben schele van de hoengere.

J’en heet er niet lange up gepeist, je dei zijn klakke aan, j’heet zijnen stok gepakt, en zonder boe noch beeste te zeggen, was ‘t ne ‘t up, met de wind van achtere.

Zijn vadre die djuuste bezig wos met ‘n pupe te smoren up ‘n dokkeville, os ‘t ne hem zag ofkommen, je gletste van zijnen kortewagen en je liep der in zeven haasten na toe. Nonde ! nonde ! nonde! Zei ‘t ne drie keers, je scheerde hem da bij zijnen nekke en je gaf ‘t ne twee ferme totjies dat ze klakten.

– Wel, joengne, wie dat me da zien? En dat je nog zei; verschiet niet.

– Vadre, zei ‘t ne alzo, horkt ne keer geod ‘k Heê zonde gedaan tegen joe, maar allé vaag da joen kloefen aan en….

– Ja, ja, ‘t is ol lange genoeg, zei de vadre, ge zijt welgekommen.

En met ze groot kelegat riep ne naar Sooigie, den ouden dommestiek:

– Sooigie, zei’t ne olzo, haal ne kéé subiet sofort, te fèète, mien beste kazakke en doe z’em an. Pak ne verse kol uit mijnen lavabo, stik gadomme ne rink an zijn vingers, kam zen haar in ‘n schoon spletjie, en sla vandaag oes kolf nog steendood. Wel, wel, wel! Zi, zoe je niet zot kommen. ‘k Ga kerremesse zijn vandage, gaat ‘t kerremesse zijn, als ‘t ga kerremesse zijn.

– En weet je waarom? Miene zeune was dood en j’es verrezen, je wos de pupen uut en ‘k hee ne were gevonden.

Maar den oudsten zeune, Alewis, die djuustre uit ‘n kafégie kwam, os ‘t ne ol dat lawijt en dat geruchte van ol de duvels hoorde en dat ze hem zeiden dat zijn broere weregekeerd was, je miek hem da ‘k wit niet hoe dul.

-Ha waar zit ne daar, die schone lelijkaard, die grote menere met zijnen groten hoed, die slekkestekker, ‘k ga ne slaan dat d’heilige olie te late komt.

Ze vadre hoorde hem lelijk doen en je schoot der hem naartoe.

-Horkt ne keer hier joengne, zei ‘t ne alzo, wuk schilt er di?

– En ge moet ‘t nog vragen, morelde Alewis, zei je gheel turelewiet di? Ga je nu nog kermesse houden voor dien uvollegaard? En ik die hier gebleven benne, in eer en deugd, ‘k en krege nog geen keunejoengsgie om mijn matjies te tracteren en nu ga je oes kachtelgat verdummelieren.

– Allé toe, zei de vadre, ge moe gie daarvoren zo nerveus niet zijn. Dat en is ol nie nodig, ‘t is nie goed voor joen herte, ge kunt nie weten hoe dat ge aan een attaksgie geraakt.

Zi, zi, ol ‘t mijne, ‘t is verdorie ol ‘t joene, ‘t en ware maar dat meer te kort, wuk is dat nu met joe ? Ga je dinne doen di ? Toe man zere in huis. De soepe ga koud zijn. d’erwitjies gaan anbranden, ‘t is kerremesse vandage en me gaan leute maken. En weet je waarom? Joen broerkie wos dood en ‘t is mezinke genezen. Je was schampavie en m’heen ne were gevonden.

Tanite had de tranen in haar ogen. ze zag Peegie ol vertrekken met zijn piekers en olzo weerkeren.

– Maar ‘t gaat olgeliek geen waar zijn, zolange of da’k leve, zei ze.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>