Ware de wereld een koe

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     179 Views     Leave your thoughts  

Vlaamse beeldspreuken uit 1891 (verzameld in Biekorf)

– Ik kan met zulk volk minne pap niet koelen!

– De beste pijlen zijn al geschoten

– Wat gaat Jan Kwist-de-kole nu doen? Krotte verkopen en zijn gerief houden (dat was het gedacht van een die wist hoe dat het Jan vergaan was, eer hij aan zijn twaalfde ambacht begon)

– ‘t Is jammer dat ze dien boer het hekken op zijn hielen gaan trekken (van zijn hof te doen gaan en uitschudden)

– Ik kan hem laten zonder hem te haten, maar ‘k en zouder geen wafels voren bakken (wafels bakken voor iemand duidt op een grote vriendschap)

– Die muur is zo tenden, zo moe en zo ziek dat hij zonder uitstel moet herbouwd zijn (een gedicht van een oude metselaar)

– We gaan hem in dat stik geheel laten. (we gaan hem in zijn gelijjk laten)

– Als ‘t ne keer geld regent en bonen waait; en dat de vlage in mijnen zak draait (dacht Rozeke Riemaeckers wanneer ze een nieuwe mantel wilde kopen)

– De kleermaker heeft hem de mate genomen van op nen perelare (de frak van zijn vriend hing hem inderdaad wel kwalijk om het lijf)

– Een appel voor een ei (ontleend aan de boerennering: iets dat niets waard is laten liggen voor iets van meer waarde)

– Als de kweerne niet meer en deugt dan moet de de meulenare helpen (zo sprak een bijna tandenloos oud manneke die bezig was met de korsten van zijn boterham in zijn koffie te weken om ze eetbaar te maken. De kweerne, dat is de handmolen)

– ‘t Is van Duimeke dat hij klapt (hij vertelt leugens zoals de mare van Duimke en van Koetje Blare)

– ‘k Ben ik van nu voort niet veel haver meer weerd! (dat zei een oud ventje van negentig tegen zijn oud versleten paard)

– ‘k En kooze den keuning voor mijn vader niet! (het geluk dat men erft is ingebeeld)

– Wat moet ik nu gaan doen met mijn vijf arme schapen van kinders (ontleend in het Frans aan het vroegere herdersleven)

– En wel Heere, als ‘t regent, wij zijn wijlieden zo gauw nat! (we zitten kort van geld en kunnen tegen geen onkost, van het minste dat er voorvalt zitten we zonder brood en op straat.)

– Men zou hem zijn herte in zijn hand geven (iemand die zijn werk opzettelijk slecht doet)

– ‘k En gave mijnen dag voor geen honderd guldens.

– Den hane op den messing vinden (thuiskomen vooraleer de haan met zijn hinnen te rust is gegaan – voor het vallen van de avond)

– Als ge mistrouwd zijt, beurelt u ton dood aan de stake! (als een koe ievers gestaakt is, is ‘t verloren gebeureld, zo gaat het ook met een verkeerd huwelijk: trouwen is houden.

– ‘t Vriest dat de slunsen aan de bomen hangen (het vriest dat het ruwrijmt)

– ‘k En zou niet geern hebben dat hij mijn stuitemande draagt (moest ik honger krijgen dan zou het te lang duren eer hij bij mij is: hij gaat traagskes en trutselt achter de weg).

– Die mens zou geven dat ‘t haar deur zijnen hoed groeit (dat hij zelf niet meer genoeg heeft). Zie ge hem daar geschilderd staan met de stersen haar die deur de gerren van zijn dood versleten hoedje sprietelen?

– Dat er een blend peerd in mijn huis kwame, ‘t en zou voor geen kluite kunnen breken. (zo schilderde een oude weduwe haar armoede uit en die alles al verkocht had om in leven te blijven)

– ‘k Ben tenden alle straten (er is geen verdere hulp meer te verwachten)

– Ware de wereld een koe, hij zou ‘t endeke van den steert zijn (hij komt nu toch eens overal als laatste toe).

– Die kannen is duist jaar oud. (ze is klaar om het te begeven)

Verzameld en omschreven door Guido Gezelle