Ware de wereld een koe…

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     402 Views     Leave your thoughts  

De Vlamingen zijn vermaard voor hunne beeldspreuken en voor hunne verruwprachtige dichtveerdigheid. Zowel de Vlaamsche schilders zo zijn de Vlaamse dichters, meene bijzonderlijk die dichters die niet en weten dat zij dichters zijn, en wier spreuken eene schoonheid voeren die zoo eigen en zoo onovertreffelijk is als de schoonheid van het eenvoudig akkerlelieken (convallaria majalis) of van het alderfijnste schildersverdriet (saxifraga umbrosa). Hier volgt eene handsvolle zulkdanige dicht- of blomgewassen.

‘Als ‘t ne keer geld regent en boonen waait; en dat de vlage in mijnen zak draait.’ Dan, en dan alleene ging er Roseke Riemaeckers beginnen aan denken, om nen nieuwen mantel te kopen.

‘De kleermaker heeft hem de mate genomen van op nen perelare.’ Dat was de oorzake, volgens M.N. te A., dat de frak van zijnen vriend hem zoo kwalijk om het lijf hing.

‘Eenen appel voor een ei.’ Zoo luidt eene spreuke, die schoone stafrijmt en die aan de boerenneringe ontleend is. Zij bediedt een dingen van kleene of gering weerde voor een ander dingen dat meer weer is. In ‘t Fransch en geldt die spreuke niet.

‘Als de kweerne niet meer en deugt, dan moet den meulenare helpen.’ Zoo sprak een bijna tandeloos oud manneken, dat bezig was met de kortsen van zijnen boteram in zijnen caffie te weeken om ze eetbaar te maken. De kweerne, dat is de handmolen.

‘Het is van Duimke dat hij klapt.’ Dat is: hij vertelt leugen, leugenmaren, gelijk de mare van Duimke en van Koetje Blare.

‘Het is in de asschen gevallen.’ Dat is een zeggen van lieden die gewend zijn, over de asschen van den eerd, bij ‘t vier, bereide spijze te nutten. De spreuke bediedt dat eene zake mislukt, zonder goede uitkomste gebleven, aan de rampe gekomen is. Vertaalt dar zeggen in ‘t Fransch, en ge zult schaars eenen zin hebben.

‘Ik en ben van nu voort niet veel haver meer weerd!’ Dat zei een veintje van boven de ‘t negentig, sprekende van hem zelven onder het beeld van een oud versleten peerd.

‘Ik en kan met zulk volk mene’ pap niet koelen!’ Dat is beeldelijk gezeid voor aan tafel zitten; dat wederom een beeldspreuke is voor handelen, overeenkomen, zaken doen.

‘De beste pijlen zijn geschoten.’ Dat ondervindt bijvoorbeeld die eenen koopdag bezoekt als al ‘t beste en ‘t schoonste verkocht is.

‘Het is een klaverviere, als u me ziet.’ De spreker van die spreuke meende dat hij zijnen vriend zoo zelden zag als dat men zelden een klaverblad met vier bladerlingen vindt.

‘Wat gaat Jan Kwist-de-kole nu doen? Krotte verkoopen en zijn gerief houden.’ Dat was ‘t gedacht van een die wist hoe ‘t Jan vergaan had, eer hij aan zijn twaalfste ambacht begonst.

‘Het is jammer dat ze dien boer het hekken op zijn hielen gaan trekken.’ Dat is te zeggen: hem van zijn hof doen gaan en uitschudden.

‘Ik kan hem laten zonder hem te haten, maar ‘k en zouder geen wafels vooren bakken.’ Wafels bakken voor iemand dat is hem blijk en teeken geven van groote vriendschap.

‘Die muur is zoo tenden, zoo moe en zoo ziek, dat hij zonder uitstel moet herbouwd zijn.’ Die spreuke wierd van eenen ouden Vlaamschen metsenare gedicht.

‘Het is vichtig jaar dat ik getrouwd ben, en iemand die stekeblend is kan ‘t geluk lezen dat ik-ik gehad hebbe.’ Eertijds schreef men de bezonderste geschiedenissen des getrouwden levens, geboorten, huwelijken, enz in eenen handboek.

‘Wij gaan hem in dat stik geheel laten.’ Geheel laten bebiedt hier hem laten gelijk hebben, schoon hij geen en heeft, en het stik niet verder betwisten.

‘Iemand de oogen uitzitten.’ Dat doen ze, die ievers blijven zitten, tot dat ze te vele zijn, tegensteken en voortgewenscht zijn.

‘Ik en kooze den keuning voor mijn vader niet!’ Zoo spreken ze, die iets verkregen hebben, of hopen te verkrijgen, en die daarbij hun ingebeeld geluk vergelijken tegen ‘t geluk van ‘s koning zone en erve te zijn.

‘Wat moet ik nu gaan doen, met mijne vijf arme schapen van kinders.’ Die spreuke is aan het herdersleven ontleend en in ‘t Fransch vertaald en zou zijn waarschijnlijk geenen zin hebben.

‘En wel Heere, als ‘t regent, wij zijn wijlieden zoo gauw nat!’. Dat is: wij zitten kort van geld, wij en kunnen tegen geenen onkost; van ‘t minste dat er voorenvalt, wij zijn broodeloos en geheel op strate.

‘Men zou hem zijn herte in zijn hand geven!’ Dat hoort men zeggen, b.v. op iemand die, door louter nalatigheid of met opgezetten wille, zijn werk kwalijk doet. Het woord is gewis zeer oud; en hoe zou men wreedaardiger kunnen zeggen: men zou hem dood slaan. De spreuke stafrijmt schoone.

‘Ik en gave mijnen dag voor geen honderd guldens.’ Vergelijkt die spreuke bij ‘k en kooze den keuning voor min vader niet.

‘Den hane op den messing vinden.’ Dat heet t’huis komen eer de hane, met zijne hinnen, te roeste gegaan is; als hij nog bezig is met kezen op den messing; als de zonne nog niet ten neste en is; als ‘t nog dag is; eer ‘t vallen van den avond.

‘Als ge mistrouwd zijn, beuvelt u ton dood aan de stake!’ Als eene koe ievers gestaakt is, ‘t is verloren gebeureld, kan of wilt er heur niemand verstaken of los doen: zoo is ‘t de misverhuwelijkten ook: trouwen is hou’en.

‘Leege getoomd zijn.’ Dat is een beeldspreuke die ‘t volk ontleent aan het peerdendrijven. Een peerd dat leege getoomd is kan zijnen kop neerwaards laten hangen. Een mensch die zijn hoofd neerwaards laat hangen is of schijnt moedeloos, ongehert, raadloos: hij is leege getoomd.

‘Hij ware goed om om de dood te gaan.’ De dood komt altijd te vroeg, en, moest ze gehaald worden, de traagste bode ware de beste.

‘Het en heeft nooit niemand zijnen hangel moeten aan de boomen hangen.’ ‘t Kloekmoedig vrouwke wilde zeggen: ‘k zal wel bij iemand, of ware ‘t om gods wille, geherbergd en onder dak geraken.

‘Dat gaat zoo zeere voort als boonen knopen en zand spinnen.’ Dat gaat trage voort.

‘Het vriest dat het ruwrijmt.’ Wie en heeft het zien niet bewonderd van die witte, geruwrijmde ijsslunsen, die, bij aanhoudenden vorst, aan de boomen hangen, ja en eraf vallen?

‘Ik en zou niet geern hebben dat hij mijn stuitemande draagt.’ De zin is: droege hij mijn stuitemande, mijnen broodkorf, achter de bane, en hadde ik honger, ik zou te lange moeten wachten eer hij bij mij is: hij gaat traagskens, hij trutselt achter den weg.

‘Als ‘t niet en beters, we zullen nog vervriezen onder de pikhoopen.’ Een pikhoop is, volgens De Bo, een pikkelnig, eene legge, une javelle, in ‘t Fransch; dus: als ‘t niet en betert ‘t zal vriezen tot den oeste.

‘Die mensch zou geven dat ‘t haar deur zijn hoedtje groeit.’ Hij zou geven dat hij zelve niet genoeg meer heeft om eenen nieuwe hoed te koopen als ‘t nood doet. Ziet gij hem daar geschilderd staan, met de stersen haar die door de gerren van zijn dood versleten hoedtje sprietelen?

‘Dat er een blend peer in mijn huis kwame, ‘t en zou voor geen kluite kunnen breken.’ Zoo schilderde een oude weduwken zijne armoe uit: ‘t had al verkocht dat er in zijn huis was om ‘t leven te houden.

‘Ik ben tenden alle straten.’ Zoo zeggen de Vlamingen, als er, van gezondheidswege of anderszins, noch hulpe noch bate meer te verwachten en is. In ‘t Fransch en is die spreuke niet zegbaar.

‘Ware de wereld een koe, hij zou ‘t endeke van den steert zijn.’ Hij was een die altijd en overal te late kwam.

‘Die kanne is duist jaar oud.’ Zoo zeggen de Vlamingen, als ze willen bedieden dat b.v. eene kanne ievers zeer nipte hangt, staat, ligt, immers in ‘t naaste gevaar is van breken. Het zijn weinig kannen die duist jaar meêgaan: en wel die kanne is alsof ze, duist jaar oud zijnde, op heur alderlaatste meêgaan stonde.

Guido Gezelle in Biekorf van 1891

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>