Wat een moment om ruzie te maken

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     376 Views     Leave your thoughts  

Wat een moment om ruzie te maken?
De jaarboeken van Veurne zijn ongetwijfeld geschreven door aanhangers van de hertog. Dat lijkt me duidelijk als er gesproken wordt over het ‘goede voorbeeld’ dat de inwoners van Lo niet volgen. Omdat ze daar vrezen voor represailles, kiezen ze dan maar de Brugse zijde en trekken ze met hun wapens en standaarden op naar het centrum van die stad. Ook van die vergeldingsmaatregelen geloof ik niet al te veel als ik die Veurnse vooringenomenheid proef. Die van Lo zijn niet de enigen die de kant van de Bruggelingen kiezen. Ook het volk van Oostende, Lombardsijde, Gistel, Oudenburg ‘ende andere smalle ende opene stedekens ende prochien ontrent Brugge gelegen’ volgen hun voorbeeld.

Ik kan heel goed de aan paniek grenzende ontsteltenis begrijpen die hand over hand toeneemt in de kasselrij van Veurne. Met de Engelse legers op eigen bodem is er meer dan ooit nood aan eendracht om het geweld af te blokken. En het tegendeel is helaas waar. Wat voor een moment is dit nu eigenlijk om ruzie te maken met de graaf en vooral onder elkaar? In Veurne vrezen ze terecht dat ‘de Engelschen daer door groote voordeelen souden connen hebben verkrijgen ende te gemackelicker het lant voorder souden afloopen.’ In Gent en in Rijsel worden er vergaderingen georganiseerd om de West-Vlaamse steden en kasselrijen weer op één lijn te krijgen.

De misdaad woelt welig in het Westland
Pauwel Heinderycx weet uit goede bron dat de Veurnenaars zich daar gaan beklagen over het feit dat hun keurheren en hun wethouders voortdurend ingezet worden ten behoeve van de Raad van Vlaanderen en dat de naleving van de wetten in de eigen streek nagenoeg volledig verwaarloosd wordt. De misdaad tiert blijkbaar welig in het Westland en die van Veurne krijgen tijdens de vergaderingen toch op zijn minst het recht om zich tijdens bepaalde zitdagen te mogen concentreren op de lokale wetgeving. Ik krijg een lijstje van de personen die in 1436 deel uit maken van dat magistraat. Jan De Baenst figureert er als hoogbaljuw, bijgestaan door Charles van Pollinckhove, de landhouder van de commune en Philips van Haveskercke die landhouder is van de wet. Ik tel 18 schepenen en het lijstje van notabelen en edelen is met zijn 45 stuks nog langer.

Pauwel pronkt met de figuren en de samenstellingen van de wapenschilden van de belangrijkste geslachten. Mij kunnen ze geen reet schelen. De 65 topmensen van Veurne en Veurne-Ambacht wonen allemaal de vergaderingen in Gent en Rijsel bij. En blijkbaar zijn er prominente streekfiguren die hun kat sturen. Ik vraag me af of ze misschien Brugsgezind en dus tegen de hertog zijn. Maar de oude geschriften lossen niets. Ik krijg wel weer nieuws te lezen over de Engelse speldenprikken. We zijn ondertussen aanbeland in 1437. ‘In ‘t eerste des jaers 1437, cruysten d’Engelschen met eenige schepen langst de Veurnambachtsche zeecusten.’

De oorlog is opnieuw gevaarlijk dichtbij. ‘Sy stelden uut deselve drije hondert mannen aen lande ontrent de prochie van Adinckercke, welcke een groot deel der selve uutroofden, ende bovendien eenige lantslieden doodt smeten. Voor dat sy in hunne schepen wederom trocken, staecken sy vier in verscheydene huysen ende hofsteden.’

Wouter van Gistel wordt opnieuw de kapitein
Het magistraat van Veurne-Ambacht besluit om maatregelen te nemen om dergelijke rooftochten in de toekomst te verijdelen en organiseert inderhaast een algemene vergadering in hun ‘lantshuys’ te Veurne. Er zullen tijdens de nacht voortaan 30 mannen te paard de kust afrijden tussen Nieuwpoort en Zuudcote. Elke kerktoren in Veurne-Ambacht zal bemand worden door twee bewakers die bij het minste onraad alarm zullen slaan. Vier mensen zullen van kerk tot kerk lopen om de mensen op de hoogte te brengen van eventuele vijandelijkheden. De burgers worden verplicht om hun wapens altijd bij zich te houden en wie dat niet doet, riskeert een grote boete.

Wouter van Gistel heeft het uitstekend gedaan als kapitein van de troepen en hij wordt in 1437 op vraag van de Veurnenaars opnieuw aangesteld als landhouder en als kapitein van de Veurnse strijdkrachten. Het is een tijd van hoogspanning in de provincie. De zenuwen staan zo strak als een boog. ‘In de maendt van Meye trock den hertogh van Bourgondien met vele volck binnen Brugge. Hy deed sulcx in schyn om alles aldaer in goet order te stellen, oock om justitie te laten doen over eenige moedtwillige; maer nauwelicx was hy met de sijne de stadt ingecommen of sy riepen “Ville gagnée!” ende schoten op de borgers, die hun te gemoet quamen.’

‘Den hertogh verceert in gevaar’ vermelden de koppen. Dat is inderdaad het geval. De Bruggelingen pikken het niet dat er zomaar op de burgers geschoten wordt. Als het zo zit, kan de hertog wel een koekje van eigen deeg krijgen en nu vangt het legertje van Filips de Goede een bende grimmige Bruggelingen over zich heen. En dat brengt inderdaad de veiligheid van de hertog in het gedrang, ‘ende ‘t was met veler moeyte dat men de poorten der stadt open creegh, om hem daer uut te laten vluchten.’ Dat laatste heeft hij te danken aan een bereidwillige smid die het opneemt voor zijn graaf en de sloten van de stadspoorten aan diggelen slaat.

Filips de Goede zal geen genade tonen
Filips de Goede is ‘not amused’. Dat is het minste wat je er van kan zeggen. Het staat ook zo neergeschreven: ‘grootelixc daer over verstoort zijnde, nam den hertogh voor hem geheel Brugge te verderven ende ten nieten te doen.’ Heb maar eens dergelijk sujet aan het hoofd van een land! Als ze in de streek van Veurne op de hoogte gebracht worden van wat er voorgevallen is in Brugge, besluiten ze daar om hun steun aan de hertog dubbel en dik te bevestigen. Hun mening tegenover de rebellie in Brugge is duidelijk. Wat ze daar doen, is stupide en onbegrijpelijk. Ze sturen gezanten naar Rijsel waar ze Filips alle hulp en bijstand toezeggen in zijn strijd tegen de vijand.

Er komt trouwens effectief geld op tafel om dat te bewijzen. De leden van de Raad van Vlaanderen komen op 6 juli 1437 samen in Gent. Ieper en Gent zijn, net als Veurne, er van overtuigd dat er moet gezorgd worden voor interne vrede in Vlaanderen. Ze moeten kost wat kost een manier vinden om die van Brugge weer te doen verzoenen met de prins. Wouter van Gistel, Charles van Pollinckhove, Pieter van der Burch en Pieter Van der Meersch vertegenwoordigen de kasselrij van Veurne bij de Raad van Vlaanderen.

Het verslag achteraf is duidelijk: ‘in geseyde vergaderinge wiertter besloten van gesanten by die van Brugge te senden om hun t’onderwijsen, ten eynde dat sy hun souden stellen in de gehoorsaemheyt vanden prince ende hun ‘t sijnder genade overgeven. Men beloofde midts dien, dat de staten soo veel by den hertogh souden maecken dat hy hun geen groote straffe en soude geven.’ Een aantal afgevaardigden, onder andere die van Veurne, stappen naar Brugge om deze boodschap duidelijk te maken. Maar daar zijn ze niet van gisteren. Ze kennen hun prins maar al te goed om te beseffen dat die man geen greintje genade zal kennen als puntje bij paaltje komt.

Brugge wordt op droog brood gezet
Brugge kan niet leven met dergelijk voorstel van de Raad van Vlaanderen, maar engageert zich toch om te streven naar een verzoeningsakkoord. De hertog op zijn beurt wijst alle Brugse voorstellen af. Hij moet en zal deze stad op de knieën krijgen. De Bruggelingen zullen op termijn wel niet anders kunnen dan te smeken om vrede. Er kan geen sprake zijn van enige onderhandeling over welke vrede dan ook. Filips de Goede gaat nog een stap verder.

De steden en de gemeenten van Vlaanderen mogen geen voedsel meer zenden naar Brugge. Niet de minste ‘leeftochten’, want hy verhoopte van hun door hongersnoot tot sijnder gehoorsaemheyt te brengen.’ Hij heeft trouwens al gezorgd voor een imposante blokkade van Sluis waardoor er ook geen overzeese levensmiddelen naar Brugge kunnen worden verscheept. Sinds 1 juli zijn er gevechten aan de gang waarbij 5000 Bruggelingen een felle aanval wagen op Sluis in een poging om de zeeblokkade teniet te doen.

De winterperiode tussen 1437 en 1438
Het beleg van Sluis noopt de hertog tot het dringend samenroepen van de Raad van Vlaanderen. Kortrijk, 12 juli. De gebruikelijke delegatie van de kasselrij van Veurne tekent present. De belegering moet door een verenigd Vlaanderen worden opgebroken en de Bruggelingen moeten tot gehoorzaamheid gedwongen worden. Filips is categoriek en de vergadering besluit om in te gaan op zijn eisen.

‘Er wiert besloten van aen den hertogh alle hulp ende bystandt te geven om te betrachten (voor soo veel het doenlick soude wesen) dese inlantsche beroerten te neder te leggen, om dat d’Engelschen daer door geen voordeel in Vlaenderen souden becommen.’ Ik blijf nog even rondslenteren in de taal van de oude jaarboeken: ‘Dadelick naer die beraetslaghinge dede den hertogh sijne legertroepen vergaderen, om de stadt Sluys te ontsetten. De Bruggelingen, vanden optocht van (s hertogens volck gewaerschouwt zijnde, verlieten het veldt, naer de stadt Sluys achttien dagen belegert te hebben.’

Veurne mag zich verheugen op de steun van de hertog, maar dat betekent niet dat er zich geen problemen voordoen in het Westland. Het wordt niet openlijk gezegd in de kronieken. Toch is het oproer van de mensen niet zo veraf als het lijkt. De magistraten zijn sinds het beleg van Calais wat laks geweest met het doen respecteren van de wet. Te veel werk met de oorlog, heet dat dan. Filips is er beducht voor dat er rellen zullen uitbreken in de Westhoek en hij stuurt op 24 augustus 1437 een bevelschrift dat de wet moeten aangehouden worden in Veurne en dat niet Brugge maar wel de Raad van Vlaanderen de hoofdvonnissen zal vellen als er zich zware feiten voordoen in het Veurnse.

De winterperiode tussen 1437 en 1438 moet ongetwijfeld een bevreemdende periode zijn voor die van Brugge. De jaarboeken van Veurne komen pas in februari van 1438 boven water met het nieuws dat er eindelijk aan akkoord uit de bus is gekomen tussen de hertog en het Brugse volk. Het heeft blijkbaar veel inspanningen gekost om iedereen op dezelfde lijn te krijgen.

40 Bruggelingen zullen de pot uitlikken
Het springt in het oog dat ‘die van Brugge aen den hertogh moesten geven twee hondert duysent gouden ridders en datter veertigh persoonen van Brugge ter genade vanden hertogh moesten blijven, mitsgaders dat ‘t Vrije ‘t vierde lidt van Vlaenderen soude wesen.’ Veertig Bruggelingen zullen dus de pot uitlikken voor de algemene burgerlijke ongehoorzaamheid en de hertog haalt dan nog volledig zijn slag thuis door het Vrije nu effectief lid te maken van het hoogste Vlaamse bestuursorgaan, de Raad van Vlaanderen.

‘Die versoeninge baerde groote blijdtschap in Vlaenderen, om dat ze voor geheel de streecke seer voordeelich was.’ Er volgt nog meer goed nieuws. Een wapenstilstand voor 2 jaar met de Engelsen, zodat er over vrede kan worden onderhandeld. De druk kan eindelijk wat van de ketel weggehaald worden.

Filips en Isabelle komen naar Veurne
Wat een titel toch. Sedert dat Elisabeth van Portugal te Veurne quam (1439), totter doodt van Karel, hertogh van Bourgondien (A° 1476). ‘In de Meyemaendt van 1439 quam eerstmael binnen Veurne, vrau Elisabeth, dochter van Jan, coninck van Portugal, ende huysvrau van onsen genadigen prince den hertogh van Bourgondien.’ De blinde devotie voor het koppel druipt er van af. De Veurnse magistratuur zorgt voor een onthaal in praal en pracht. En respect. Er komt ook geld op de plank. Schellen en ponden die zowat overal in de kasselrij door deurwaarders zijn opgehaald. Pauwel Heinderycx heeft het uitgebreid over de geldsommen die ‘stalknechten, sommeliers, waghenaers en allerhande ghesellen’ moeten afdokken voor het goede doel, in casu het decadente huis van Bourgondië.

Na zijn bezoek aan Veurne, vertrekt het koppel naar St.-Omer. Er zijn ondertussen een aantal prominenten in Veurne-Ambacht die te laat op de hoogte werden gebracht van het groot bezoek aan Veurne-stad en zij willen absoluut in audiëntie gaan bij Filips en Elisabeth terwijl ze zich in St.-Omer bevinden. De 17de mei van 1439 reppen Omaer de Crane, Lodewijk van Pollinckhove en Pieter Van der Meersch zich naar hun buurstad om zich uitgebreid te verontschuldigen voor hun afwezigheid tijdens het grafelijk bezoek in Veurne.

‘Daer sy ‘tharer eerste incomste in de stadt Veurne haer met eenige giften niet hadden conden vereeren, cochten sy in den wissel van St. Omaers hondert vijftigh gouden ridders, weerdich vijf-en-twintigh stuyvers ‘t stuck, om aen heur te geven.’ De volgende alinea in de oude geschriften toont het hemelsbreed contrast tussen de perverse adoratie van de Veurnse beau monde en het echte realistische leven zoals het zich aan het afspelen is in diezelfde periode. Ik doe erg hard mijn best om de toestand in Vlaanderen in mijn eigen taal te omschrijven, maar ik moet me uiteindelijk gewonnen geven. Pauwel omschrijft het beter en preciezer: ‘ten voornoemden jare was er in Vlaenderen soo een schroomelicken dieren tijdt, datter menichte arme menschen van honger vergingen: dien hongersnoot wiert gevolcht door een wonderlicke groote sterfte.

Men bevint datter deser tijde in de stadt ende casselrie van Veurne sulck eene straffe peste heerschte ende dat de selve soo lange deurde, dat het vierde deel der menschen daer af stierf.’ De schrik voor de plaag die zich als een razende furie onder de inwoners van Veurne-Ambacht verspreidt, zit er diep in bij de wethouders van Veurne. Zelfs nadat deze gesel uit het land verdwenen is, durven ze het lange tijd niet aan om binnen de stad van Veurne te vergaderen met de keurheren van de buitengebieden, en dat allemaal ‘mids der vreze vander pestilentie’.

Het water is nogal diep
De Franse en de Engelse koning blijven ondertussen onderhandelen met elkaar. De vrede blijft een dubbeltje op zijn kant. Het water tussen hen is vermoedelijk dieper dan de Noordzee zelf. Ondertussen leven de mensen van Veurne en van Veurne-Ambacht in voortdurende onrust waarbij ze zowat elke dag opnieuw vrezen om door de Engelsen afgelopen te worden. Gelukkig is er deze keer de hertog van Bourgondië die een afzonderlijke vrede afsluit met de vijand en zo een vroegtijdige heropflakkering van de oorlog in Vlaanderen vermijdt. De brieven van de bewuste overeenkomst met de Engelsen worden op 7 oktober 1439 via een ‘poursuivant d’armes’ tot in Veurne gebracht, ‘tot grooter blijdtschap van ‘t gemeente’.

Jan van Uutkerke, de heer van Oeselgem, mag dan wel de boeman zijn voor de Bruggelingen, maar in Veurne en Nieuwpoort wordt hij op handen gedragen. Het is die van Uutkerke die door Filips de Goede aangesteld werd als kapitein van West-Vlaanderen en hij is bijzonder ver moeten gaan in de bescherming tegen de Engelsen en tijdens het oproer van de Bruggelingen. Daarbij heeft hij groot kosten gemaakt en die wil hij nu vergoed zien. Hij verplaatst zich van zijn vaste standplaats in Nieuwpoort naar Veurne om daarover te spreken met het magistraat van Veurne, ‘hen versoeckende daer van eenige vergeldinghe.’ Na overleg met de edelen en de notabelen in het landhuis, wordt er beslist om de kapitein een som van 1000 Parijse ponden over te maken.

De Drie Banken
Ik leer een nieuwe term kennen. ‘De Drie Banken’. Op 5 juli 1440 vertrekken de leden van de Veurnse magistratuur naar Sint-Winoxbergen om er te vergaderen met hun collega’s van Bergen-Ambacht en die van Broekburg-Ambacht.Samen vormen ze zowat een officieus overkoepelend rechtsorgaan dat in die dagen ‘De Drije Banken’ wordt genoemd, waarbij uiteraard rechtbanken zal bedoeld worden. Er valt heel wat te bespreken, want de conventie duurt een hele week, ‘midts de groote menichte van saecken dieder te wijsen waren, ter oorsaecke dat in langen tijdt ‘t geseyde gedingh niet gehouden en was geweest, uut reden der voorgaende oorlogen ende beroerten.’

Terwijl de focus van de magistraten zich toespitst op ernstige zaken, is er eindelijk ook plaats voor vertier. De gildeleden van Sint-Joris hebben zich ingeschreven voor een kruisboogtornooi in Gent en zijn er tijdens de julimaand van 1440 in de prijzen gevallen. Nochtans is het deelnemersveld niet min. ‘Over de veertigh gilden hebben op die uutnodigingh sich te Gent laten vinden, ende onder andere de broeders van die van St. Joris, binnen Veurne. Sy trocken er naer toe met groote pracht en seer costelick gecleet; ende naer dat sy aldaer eenighen tijdt geweest ende geschoten hadden (volgens hunlieder lot) jegens verscheyde gilden, hebben sy den eersten prys, zijnde vier groote silveren cannen, gewonnen.’

Op 18 juli komen ze triomfantelijk terug naar Veurne. De blijde inkomst doet me denken aan de Rode Duivels die ontvangen worden na een knappe prestatie op de wereldbeker. Het magistraat van ‘der stede’ trekt de winnende ploeg naar de stadspoorten tegemoet, waar ze ‘mildelick wijn’ aanbieden ‘ende bovendies noch hondert sestich ponden paresys, tot hulpe der groote oncosten, die sy van theer costen als der costelicke cleedingh die sy cochten, geleden hadden.’ Daarna vertrekt de stoet richting het gildehuis om het team nogmaals geluk te wensen en er een ‘sester’ wijn aan te bieden.

De rotte appelen moeten eruit
Op 8 december 1440 krijgt Veurne het bezoek van de nieuwe kanselier van de hertog. Mijnheer Nicolaas Raoulin is zijn naam. Hij wordt er met de nodige egards ontvangen en krijgt van de stad een zilveren kan als geschenk. De kasselrij laat zich niet kennen en biedt de kanselier zes zilveren drinkschalen aan. De jaarboeken laten het ietwat afweten in vredestijd en zo komt het dat ik zondermeer in 1445 aanbeland. De hertog stoort zich aan het feit dat het vernieuwen van de magistraten in Vlaanderen meer een meer beïnvloed wordt door de centen. De commissarissen die moeten instaan voor de vernieuwing van de schepencolleges ‘trocken vele geldt vande gonde die sy in functie stelden.’

Er komt een expliciet verbod om overheidsfuncties te kopen bij de commissarissen en als dat in de toekomst nog gebeurt, zullen de betrokkenen automatisch ongeschikt worden verklaard om ook maar enig ambt te kunnen uitoefenen.

Er zullen trouwens straffen worden uitgedeeld voor wie zich niet houdt aan deze regels. ‘Verders verclaerde hy noch daer by, dat alvoren de schepenen den gewoonlicken eedt over hun schependom afleyden, sy moesten sweeren aen niemant het minste gegeven te hebben, direcktelick noch indirecktelick, om in de wet te geraecken.’ De commissarissen krijgen de opdracht om uit te kijken naar de meest eerlijke en meest capabele mensen als kandidaten voor de schepenfuncties. De rotte appelen moeten er uit bij het stadsbestuur en ook het schepenhuis zelf is op zijn West-Vlaams gezegd ‘plukkevort’.

Het magistraat van Veurne is in 1448 tot de vaststelling gekomen ‘dat hunlieder stadt- ofte schepenhuys out ende rot was, van cleen gerief, bovendies dat het in geen goeden standt stont, hebben geradich gevonden van een nieu stadthuys te doen maecken.’ Ze hebben hiervoor een groot huis aangekocht van een zekere Christaen Veyse. De woning aan de noordoosthoek van de grote markt wordt afgebroken en wordt vervangen door een gebouw dat ietwat lijkt op het belfort en met dezelfde functionaliteiten ervan zodat de vergaderingen er nu vlot kunnen doorgaan.

De bouw van het nieuw stadhuis in 1452
De bouw sleept aan tot in 1452. Ondertussen kan het stadsbestuur ook de belendende woning kopen van diezelfde Veys. ‘Een schoon ende spacieus huys, het welck eene groote erve hadde.’ De verkoopprijs bedraagt 100 pond en ook dat huis gaat tegen te vlakte om plaats te ruimen voor een regimentshuis van de ‘corps-de-garde’. Later zal dit gebouw omschreven worden als het ‘Paviljoen’ en zal het dienst doen als woonplaats voor de officieren die toezicht zullen houden over de stad. Het resultaat van de constructiewerkzaamheden mag er best zijn: ‘dit cloeck matsement, volmaeckt zijnde, was een schoon ende treffelick stadthuys.’

Het nieuwe stadhuis, met zijn opvallende witte bakstenen, valt best op in het centrum van de stad. In 1454 verzoekt het magistraat aan de hertog of ze het nieuwe gebouw nu ook mogen gebruiken om er hun vergaderingen in te houden en om van hier uit de justitie te mogen uitoefenen. Ze vragen eveneens de toestemming om het vroegere stadhuis en de daar aan verbonden renten die aan de stad toebehoren te mogen verkopen.

Zo kan een deel van de gemaakte schulden voor de nieuwbouw teniet worden gedaan. De hertog staat dit toe met een acte van 16 augustus 1457. Ik vraag me af waarom die goedkeuring 3 jaar op zich heeft laten wachten. Het voormalige stadhuis kan nu effectief verkocht worden. De jaarboeken preciseren nog eens de locatie van het gebouw. ‘Het selve stont recht over de Vischmarckt, tussen het Croonestraetken ende het Hantbooghstraetken, ende er wiert daer af eene herberge gemaeckt die men de Croone noemde.’

De dauphins camer rechtover de sacristie
Ik check even op mijn Internet Explorer en kan het adres er anno 2014 lokaliseren op de Grote Markt nummer 8. Pauwel Heinderycx doet net als ik en verplaatst zich naar het meer recente verleden. ‘Ten jare 1647, wiert dit huys der Fransche garnisoenen ter aerde geworpen, ende jegenwoordichlick is het noch eene onbebouwde erfve, die noch de Oude Croone genaemt wort.’
Er komt weer wat politiek nieuws aangewaaid. Lodewijk 11, de Franse kroonprins, wantrouwt zijn vader van langs om meer. Het staat zo aangegeven: hij heeft ‘jegens sijn vader eenich quaet vermoeden opgevat’. In 1456 zoekt hij een onderkomen bij onze hertog van Bourgondië.

Filips ontfermt zich minzaam over de ‘dauphin’, biedt hem 3000 gulden per maand voor zijn onderhoud en presenteert hem het kasteel van Genepië, op zowat 4 mijl van Brussel. Nu zouden we spreken over een plek die de naam ‘Genappe’ draagt, zo’n 10 kilometer ten oosten van Nijvel. Lodewijk blijft er vijf jaar wonen. In Veurne zijn ze het blijkbaar niet eens met die stelling dat de Franse koning in Genepië woont. De kroonprins zou integendeel geruime tijd verbleven hebben in de binnenstad van Veurne. Tot aan de dood van zijn vader.

En ze weten ook waar. ‘In een huys, staende aen St. Nicolaes kerckhof, recht over de sacristie der selve kercke, ende het tweede huys bewesten het gasthuys. Bovendies voucht men er noch by, dat hy een ofte twee der bygelegen huysen soude gehadt hebben tot wooninge van sijn volck.’ Er bestaat zelfs een kamer in de woning die gemeenzaam ‘de dauphins camer’ genoemd wordt omdat hij hier sliep telkens hij in Veurne op bezoek kwam. En blijkbaar was er enige tijd sprake van de aanwezigheid van zijn wapenschilden samen met die van de hertog.

Dit is een fragment uit deel 5 van De Kronieken van de Westhoek

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>