Wat een zootje toch

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     1330 Views     Leave your thoughts  

Ik stap met ongeduld de geschiedenis van Veurne binnen. Sedert dat den Coninck van Vranckrijck ende den Hertogh van Bourgondien besloten oorlogh tegens de Engelschen te voeren, totter tijder dat die van Veurnambacht verbondt maeckten met de poorters van Loo. ‘Anno 1386. Den Coninck van Vranckrijck ende den hertog van Bourgondien ondernemen den oorlogh jegens d’Engelschen.’ De koning van Frankrijk en de hertog van Bourgondië zijn tot een vredesakkoord gekomen en nu plannen ze om met vereende krachten Engeland aan te vallen. Een potje van eigen deeg zullen ze krijgen. De Engelsen hebben met hun vuur en met hun zwaarden het leven van de Fransen tot een hel gemaakt en nu zullen de Franse zwaarden op hun beurt brand en vergelding brengen daar aan de overkant van de Noordzee. Er worden in Vlaanderen grote voorbereidselen getroffen om ten oorlog te trekken. De nodige zeeschepen worden klaargestoomd en alles wat noodzakelijk is, wordt aangevoerd. De bemanning van die schepen zal zich binnenkort aanmelden in Vlaanderen, althans dat schrijft de hertog van Bourgondië in een brief aan die van Veurne.

Hij waarschuwt de Veurnenaars dat ze het land moeten verdedigen moesten de Engelsen tijdens zijn afwezigheid Vlaanderen binnenvallen. Zijn brief dateert van 23 september 1386. Er zal zich nogal een pak volk van verschillende nationaliteiten aanbieden in de streek van Veurne met de bedoeling van in te schepen bij de oorlogsvloot. De prinselijke boodschap is duidelijk: het zou verstandig zijn om al die vreemden buiten de eigen stadsmuren te houden. Het stadsbestuur moet er voor zorgen dat ze te allen tijde meester blijven over de situatie.

Mensen van standing kunnen binnen de stadsmuren worden toegelaten en voor de rest moeten de Veurnenaars er zorg voor dragen om niet beroofd te worden en zeker de stadspoorten goed gesloten te houden. ‘Verders moeste men voorsorgen nemen dat de stadt niet en soude ontbloot wesen van leeftochten, midts sy eene der grensplaetsen van Cales was.’ Het duurt niet lang voor de streek van Veurne-Ambacht en de andere kasselrijen uit de streek overspoeld worden door vreemde soldaten. Na een tijdje krijgt dat gespuis allemaal de nodige instructies om zich te gaan presenteren in Duinkerke, Nieuwpoort en de andere zeehavens. Hier zullen de huurlingen inschepen voor Engeland. Dat werd trouwens hoog tijd.

De buitenbevolking, gemeenzaam de ‘landslieden’ genoemd, heeft het zwaar te verduren gehad met al die vreemde luizen. De mensen zijn blut en beroofd, ‘door vele lieden aerme gemaeckt’. De aanval op Engeland loopt echter af op een sisser. Dat geven de jaarboeken toch aan: ‘edoch dese groote wapeninge is vergaen in roock, want sy heeft geene de minste vrucht tewege gebragt.’ Het gevaar dreigt vooral van de Engelsen zelf te komen. De magistraten van West-Vlaanderen krijgen allemaal de raad om zo goed als mogelijk hun steden te versterken zodat ze weerstand kunnen bieden aan de vijand.

De Veurnse bevolking reageert eveneens op de vraag van hun prins. De vestingen vertonen nogal wat gebreken en die moeten zo goed als mogelijk hersteld worden. Veel moeten we ons trouwens niet voorstellen van die vestinggordel. Eigenlijk is het een houten omheining. Een rij van verticaal opgestelde balken zoals dat het geval is bij de meeste Vlaamse steden. Door de ‘lanckhede’ van de tijd zijn nogal wat balken rot geworden en dus dringend aan vervanging toe. De wethouders in Veurne zijn van mening dat het kostenplaatje om al die houten balken te vervangen eigenlijk niet verantwoord is. Binnen de kortste tijd zullen vocht en schimmels opnieuw hun werk doen en zo blijven ze bezig.

Er wordt beslist dat de zwakke plaatsen voortaan vervangen zullen worden door stenen constructies. In 1386 wordt er dus voor de eerste keer werk gemaakt van de stenen versterking van Veurne. ‘Van toen voorts hebben ze van jare tot jare een deel van de vestingen doen in brijcken stellen, tot dat de stadt geheel bemeurt was.’ Het is een zware onderneming voor het stadje dat de voorbije jaren al zo veel te verduren kreeg door de invasie van de Engelsen. Ik verwijs daarbij nog eens naar de periode van het beleg van Ieper in 1383, waarbij Veurne in de nasleep van het terugtrekken van de Engelse troepen zware averij opliep.

Het stadsbestuur wil uiteraard hun stad beschermen tegen mogelijke beproevingen in de toekomst, maar de middelen ontbreken om echt door te werken aan de vernieuwing van hun stadsgordel. ‘Kan de hertog van Bourgondië eventueel niet tussenkomen in de kosten?’ Ondertussen zijn we al in 1388 aanbeland en er komt inderdaad een financiële regeling tot stand. Zowat dertig percent van wat de mensen jaarlijks als taks dienen te betalen aan hertog Filips de Stoute, wordt kwijtgescholden.

Dat geld kan nu naar het stadsbestuur gaan ‘op dat ’t begonnen werck hadde mogen voltrocken zijn.’ In de loop van 1388 landen er een pak Engelsen ter hoogte van Calais. De vrees neemt toe in de streek van Veurne. Zullen de mensen nog eens de dupe worden van dat crapuul? Willem van Bethune, de gouverneur van Vlaanderen, waarschuwt alvast: alle poorters van Veurne zouden zich beter terugtrekken binnen de stadsmuren en niet op den buiten blijven.

Het officieel bevel komt er op 15 juli 1388. De buitenpoorters hebben acht dagen tijd om de orders op te volgen en alle eigendommen met zich mee te brengen. Bovendien moeten ze met zijn allen helpen om ‘de Stede te behoeden ende te beschermen’. Wie de bevelen negeert, zal het poorterschap verliezen met daar bovenop een boete van tien percent op hun eigendommen, een boete die in die tijd als ‘thiende penninck’ wordt omschreven.

Pauwel Heinderycx geeft wat aanvullende informatie rond die buitenpoorters. Nogal wat rijk volk uit Veurne verkiest te wonen in Veurne-Ambacht om reden van de grote vrijheden en privileges waar ze kunnen van genieten. Maar de Engelsen blijven dit keer weg uit Vlaanderen. Alle militaire confrontaties vinden plaats op Frans grondgebied en de Westhoek blijft deze keer onverhoopt buiten schot. De strijdbare mannen van de kasselrij van Veurne moeten zich, samen met die van heel West-Vlaanderen, tijdens deze oorlog opstellen aan de rivier de Aa om te beletten dat de Engelsen ‘die tot Cales lagen te beletten van in Vlaenderen te commen rooven ende branden.’

Wat zijn ze gelukkig in Veurne als ze in 1389 vernemen dat de strijdende partijen in Lelinghem een tijdelijk vredesbestand afsluiten voor een periode van drie jaar. Die periode wordt nog een keer verlengd tot in 1395. In St.-Omer volgt er tot slot een wapenstilstand voor dertig jaar. De blijdschap ‘in dese landen is ongemeen!’ Anno 1390. ‘Toen die van Veurne, nu vijf jaren met groote costen aen de vestens van hunlieder stadt gevrocht hadden, ende nu alle de cranckste plaetsen met hooge meuren beset waren, bevonden sy de vestens te ondiepe.’

Het water van de vestingen is veel te ondiep sinds de Engelsen in 1383 die op enkele plaatsen gedempt hebben. Het stadsbestuur vraagt het magistraat van Veurne-Ambacht om bij te dragen tot het uitdiepen van hun vestingen. Enfin, ze vragen een financiële bijdrage. In Veurne vinden ze hun vraag terecht, want als er oorlog is, dan zijn de buitenpoorters er als de kippen bij om zich binnen de muren in veiligheid te brengen.

Het magistraat van Veurne-Ambacht reageert positief op de vraag van Veurne. Er wordt een algemene vergadering gehouden met de voornaamste keurbroeders en de vertegenwoordigers van de acht parochies die deel uitmaken van de kasselrij. Ze tonen zich bereid om een redelijke som geld over te maken aan Veurne, maar er worden enkele tegenprestaties op tafel gelegd. ‘Sy deden dat onder soo lastige conditien ende besprecken, dat de wethouders der stadt die toelage op sulck eener wijse niet en wilden aenveerden.’ Jullie eisen zaken van ons die tegen de wet indruisen, redeneren ze, en prompt wordt er een klacht ingediend bij de hertog.

Filips de Stoute beseft welke grote inspanningen de Veurnenaars leveren om hun stad keurig te versterken en stuurt aan op een compromis met die van de buitengebieden. Hij zendt een aantal commissarissen naar de stad om er te bemiddelen tussen de partijen. Willem, de proost van Waten. Ridder Heindryck van Spierre en Robrecht van Capple die de hoogbaljuw is van Veurne. Het drietal wijst op de grote kosten die de mensen van Veurne al hebben moeten dragen, en hebben het over de grote schulden die er nog altijd afbetaald dienen te worden. Allemaal om de burgerij van de stad én die van de buitengebieden te beschermen.

Een alternatief is er niet, de toestand van de stadsmuren is zo lamentabel dat ze ‘in den staet waer in sy sich bevond, in groot perijckel was van te vallen in de handen der vyanden, tot nadeel soo vanden prince als tot verderf der inwoonders.’ De meest notabele keurbroeders worden weer opgeroepen. Samen met de hoofdlieden van de acht parochies, de ‘Spleten’ en de ‘Brancken’. Die spleten en brancken blijken een vertaling uit het Frans te zijn. ‘Branches et éclisses’, takken en zijkanten, nevengebieden van Veurne-Ambacht dus.

Er komt nu wel geld op tafel voor het noodlijdende Veurne. De vestingen mogen verbreed en uitgediept worden en er komt een extra budget van 2.000 gouden frank bovenop al wat tot op heden betaald werd. De randvoorwaarden worden wat afgezwakt. Het komt er op neer dat de mensen van de buitengebieden zich als het nodig is in veiligheid kunnen brengen in Veurne en daar ook de kansen zullen krijgen om daar handel te drijven.

Op 27 augustus van 1390 bekrachtigt het stadsbestuur dit akkoord. In 1391 wordt begonnen aan de werken aan de vestingen. Eigenaardig genoeg zijn het mensen van de kasselrij die aan de slag gaan en komt het beloofde geld niet direct op tafel. ‘Die van Veurne zijn seer ontevreden geweest dat het geldt dat sy by voorgaende accoort toegestaan hadden, niet gegeven wiert in hunne handen om de versterckingen te doen vermaecken naer hunnen wille; maer die der casselrie hadden achterdocht dat het geldt niet al en soude gebruyckt worden ter saecke waer het toe geschickt was.’ Hoe je het ook draait of keert: het is een eigenaardige situatie.

De mensen van Veurne-Ambacht nemen het werk over van de stedelingen, maar die voeren die dan uit op een manier die niet kan rekenen op een goedkeuring van het stadsbestuur. De twisten en het ongenoegen die daardoor ontstaan, zijn gemakkelijk te begrijpen: ‘sy begonden de wapens jegens elkanderen te nemen’.

Gelukkig zijn er aan weerszijden ‘goede’ lieden die het geschil op een diplomatische manier willen beslechten. In afwachting besluiten die van de kasselrij om voorlopig het werk te staken. Dat laatste is helemaal niet naar de zin van de hertog die beide magistraten bij zich roept en beslist dat de financiële bijdrage onder de zorg dient geplaatst te worden van Ryckewaert van Beerst, een oude en ervaren ridder die in het verleden vaak landhouder van Veurne-Ambacht is geweest. Er worden werfleiders aangesteld, afkomstig van zowel de stad als van de buitengebieden.

Het uitdiepen en verbreden van de vestingen kan nu eindelijk onder een gunstig gesternte verder gezet worden. ‘Het werck wiert alsdan volgens gesaemntlicke eysch in voller eendrachtichheyt opgemaeckt. Den wijden ende diepen gracht die voor de gansche vesten lach, versterckte niet alleen de stadt, maer gaf ze eene versekertheyt waeraf sy tot noch toe niet genoten hadt.’

Ondertussen wordt er trouwens onverdroten verder gewerkt aan de versterkingen zelf. ‘Dewijl Veurne nu van seer wijde ende diepe grachten voorsien was, heeft het magistraet der stadt te meer genegen geweest om de rest der noch ontbreeckende steenen meuren te doen stellen, daerom hebben ze jaerlycx menichvuldige brijcken gecocht ende gedeurelick doen wercken, totdat hunne stadt rontom bemeurt was.’

De schrijver geeft aan dat de vestingwerken rond het jaar 1410 afgewerkt zijn. Veurne bezit nu één van de hoogste en sterkste vestingmuren van heel Vlaanderen. Ook de geestelijken ontsnappen niet aan een financiële bijdrage. Het stadsbestuur verzoekt aan het kapittel van Sinte-Walburga, de abdij van Ter Duinen, die van St.-Niklaas en aan alle geestelijke instellingen op haar grondgebied om schatting te betalen.

Ze bezitten allemaal huizen binnen de vestingen, waar ze in tijden van crisis en oorlog maar al te blij zijn om daar soelaas te zoeken en om er met hun goederen naar toe te vluchten. Dus is het maar normaal dat ook zij een duit in het zakje zullen doen om de werken te doen opschieten. De vraag om geld valt echter in dodemansoren.

Vooral die van Sinte-Walburga steigeren. ‘Sy moesten nergens in en commen, vermidts sy volgens hunne previlegien vrij stonden van alle lasten die de stadt en de casselrie aengingen.’ Er zit niet veel anders op voor het stadsbestuur om weer aan de mouw te trekken van de hertog van Bourgondië, ‘hem biddende dat hy de voorseyde geestelicken soude bevelen, dat sy eene tamelicke somme daer toe moesten betalen’.

Want uiteindelijk zullen ze, net als de Veurnse poorters, ook zelf beveiligd worden tegen roof en plundering van toekomstige vijanden. Op 29 augustus 1391 betalen de geestelijken uiteindelijk allemaal samen het mooie sommetje van ‘zes hondert goude nobels’. ‘Anno 1391 – vande dertichste scheuringh dieder in de H. Kercke ontstont.’ In 1377 is er inderdaad een scheuring ontstaan in de katholieke kerk. Ik heb het in mijn kronieken al vaak gehad over die tweespalt in de kerk en ik ben dan ook benieuwd hoe de hele situatie in Veurne ervaren zal worden.

In 1377 dus werden er twee pausen gekozen. Urbanus VI, paus van Rome en Clemens, paus van Avignon. Wat een zootje toch. Vlaanderen blijft adept van Rome, maar van het ogenblik dat Filips de Stoute, de hertog van Bourgondië, door zijn huwelijk graaf van Vlaanderen wordt, verzoekt hij de Vlamingen om de kant te kiezen van paus Clemens. Die van Frankrijk. De lokale adel voelt zich bereid om tot het kamp van de Clementijnen toe te treden. Ze hebben natuurlijk de vriendschap van hun hertog van doen. Ze worden daarbij trouwens ook gestimuleerd door de bisschoppen van Terwaan en Doornik die als rasechte Fransmannen uiteraard ook de kant kiezen van paus Clemens van Avignon.

De druk op het gewone volk om van kamp te veranderen, moet niet min zijn: ‘niet tegenstaende datter vele pogernien verricht wierden om dat een ider in dat gevoelen sou deelen, bleef het gemeente altijdt even stantvastich tot Urbanus genegen, ende het en wilde niet hooren naer de gone die hun wilden aenpreecken dat Clemens den waerachtigen paus was.’ De twee strekkingen hebben niets, maar dan ook niets met elkaar gemeen. Je kan ze best vergelijken met de Joden en de Samaritanen, mijmert Pauwel Heinderycx. De hertog zelf schuwt geen geweld bij zijn intimidatiepogingen. ‘Het Vlaemsche gemeente moet de zijde van Urbanus verlaten.’

Ik laat de jaarboeken even verder vertellen: ‘hy bedwong daertoe die van Brugge, Ypre ende andere steden in Vlaenderen, verjagende om tot dit eynde te geraecken alle de priesteren dien den geseyden paus vercleeft bleven.’ Die van Gent laten zich niet inpakken en gooien iedereen die zich Clementijn durft te noemen buiten de stadsmuren. ‘De beroerte was daer door wonderlick groot in ’t lant: onder het gemeente warender vele menschen die liever hun leven souden gegeven hebben, als te veranderen van opinie.

De Urbanisten en wilden geen misse hooren noch heylige sacramenten ontfangen, die hun van Clementijnse priesters bedient wierden, houdende dat sy geene waerachtige priesters en waren, noch de macht niet en hadden om die heylige saecken uut te oefenen. Ook in Veurne en Veurne-Ambacht ontstaat er grote beroering. Vooral vanaf 1392 wanneer de hertog Joannes Tabary, de bisschop van Terwaan, naar Veurne stuurt om de overstap te maken naar de clan van de Clementijnen. Ik heb altijd al een afkeer gehad voor mensen die een ander hun eigen geloofsovertuiging willen opdringen.

Het is maar al te duidelijk in de geschiedenis en in onze actualiteit van vandaag waar dergelijke praktijken naar toe leiden. In 1392 is het dus niet anders. Tabary maakt er korte metten mee in Veurne. Gedaan met het naar de mis gaan als die opgedragen worden door Urbanistgezinde priesters. ‘Fini’ de sacramenten van de paus van Rome. En al wie volhardt bij zijn steun aan Rome, zal met onmiddellijke ingang van zaken in de ban van de kerk geslagen worden.

Het vervolg laat zich raden: ‘men sach alsdan op de heylichdagen de kercken ydel, om dat het gemeente daer in niet en wilde gaen, om reden dat sy bedient waren van Clementijnsche priesters.’ De gemoederen laaien op. Vooral de maatregel van de hertog om niemand meer in dienst te nemen die niet uitdrukkelijk de kant van Clemens kiest, strooit zout op de wonde. Je zult het maar meemaken. Eigenlijk is het een wonder dat de toestand niet verder escaleert tot een algemene revolutie. De mensen werden al eeuwen doodgemaakt met propaganda voor de paus van Rome en van de ene op de andere dag krijgen ze nu een tegengestelde indoctrinatie naar de hoofden geslingerd.

Kijk nu zelf: tot de absolute top van de katholieke kerk in de Westhoek toe, keert zijn kar. De abt van Ter Duinen op kop, met zijn collega van St.-Niklaas en de proost van Sinte-Walburga, ‘gelijck mede den meerderen deel van hunne moningen waren Clementijnsgezinden geworden.’ Priesters die het wagen om te prediken tegen de Clementijnen, kunnen er maar beter voor zorgen dat ze het land verlaten om niet ‘ter dood verwezen te zijn.’

Er rest de priesters niet veel keuze: hun standplaatsen achterlaten en naar Gent of naar andere Urbanusgezinde steden gaan wonen. Zo is er priester Jacob Pots die zijn stek in Alveringem moet achterlaten. Ook Pieter Daneels, de kanunnik van Sinte-Walburga is eerlijk met zichzelf. En velen volgen hun voorbeeld. ‘Een groot deel van het gemeente van Veurne ende Veurnambacht trock jaerlycx te Paesschen naer Gent om hun van hunlieder christenlicke plichten te quijten ende door de Urbanische priesters versterckt te worden in hun geloove.’

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>