Watou en zijn serpenten

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       6 months ago     279 Views     Leave your thoughts  

wat voorafging…

De naam van de gemeente die men heden als Watou spelt, vindt men in de Latijnse oorkonden van de middeleeuwen als Watua; soms ook, in Franse en Vlaamse geschriften, zal men om de beurt Watewe, Wateeuwe, Watue en Watuwe aantreffen. Zelfs nog in 1760 treft men de spelswijzen Watoue en Watoe aan, die seder het begin van de 19de eeuw algemeen door de schrijfwijze Watou vervangen zijn. Om het eerste ontstaan van een stad of gemeente na te speuren, wordt veelal in plaatselijke geschiedenissen en monografieën getracht naar de betekenis van de naam der behandelde plaats. Dat het er gewoonlijk wild aan toe gaat en dat men de ongelooflijkste etymologieën te pas brengt, is algemeen bekend, alsook dat de uitslagen van dergelijke pogingen doorgaans niet veel betekenis hebben. We zullen die klip vermijden en maar enkel gewag maken van de opeenvolgende veronderstellingen die, wegens het ontstaan van Watou aan het licht gekomen zijn.

Conform de mening van Gramaye vermeldt Sanderus dat de naam van Watou door de Batavieren zou gegeven zijn geweest en dat deze parochie een zeer groot gebied van Vlaanderen zou uitgemaakt hebben.

Volgens Lanssens die meer tot de moderne gedachten genaderd was, heeft Watou zijn naam ontleen aan Water en ouw of gouw en gau, hetgeen land betekent. Zo zou Watou een waterstreek aanduiden. Tot staving van die mening vermeldt hij dat daar tot in de 11de eeuw zeer veel stilstaande waterpoelen bestonden waarin het krioelde van de slangen.

Wij lezen in de volledige werken van Raepsaet dat in 895 het bisdom van Terenburg, onze streek dus, bewoond was door een wilde en barbaarse bevolking en ook nog dat de omstreken van Watou door een buitengewoon getal serpenten onveilig werden gemaakt.

In een uittreksel van de tiendenverpachting voor de ontbloot van 1792, om een ligging aan te tonen, wordt de benaming van ‘Snaeckhouck’ gegeven. We zijn ook het bestaan van moerassen tegengekomen in een afschrift van leenverheffing van de Douvie, welke van 19 juli 1415 door schildknaap Jacobus Braem vanwege zijn vrouw Jehanne ’t Zaedelaers, komende van de edele heer monseigneur de Fiens. Dit wordt beschreven als zijnde ‘un fief gisans en la paroisse de Watou contenant en changles, prées, boiez, mares et terres ahanables.’

Emiel Van den Bussche, gewezen stadsarchivaris te Brugge, die zich eveneens bezig gehouden heeft met de naamverklaring van onze plaatsnamen, rangschikt Watou in de klas van de plaatsnamùen die aan alle ontleding en verklaring ontsnappen. We zullen niet verder ingaan op de naamsoorsprong van Watou en ons liever focussen op de grenzen van de gemeente.

Een grondplan van 26 december geeft de volgende afpaling weer: ‘Dit is het plein van de prochie van Watou, welcke prochie haar separeert van suyden de straete, die lopt van den Abeele naar Steenvoorde jeghens de prochie van Bousschepe, Godewaersvelde ende Steenvoorde, het welcke een gescheet is; van westen op eene groote becque jeghens de prochien Steenvoorde, Winnezeele ende Houtkercke, het welcke oock een seer precys gescheet is.

Van noorden jeghens de prochien van Haerynghe ende Proven op een kleyn waterlopken; item jeghens ’t Couthof op een onseekere gescheet; item van oosten ’t selve Couthof, het Zwynlandt ende jurisdictie van Poperinghe, op een onzeeker gescheet; soo verre datter alreede, ter cause van ’t selve gescheet, processen syn en de noch staen te commen.’

De omliggende kasselrijen waren Ieper, Belle, Cassel, Sint-Winoksbergen en Veurne waar het deel van uitmaakte. Watou is wat meer dan dertig kilometer van de zee afgelegen. Deze plaats zal wel zeker een van de eerste locaties geweest zijn waar de bevolking zich gesetteld heeft om zich aan het beboeren van de landen over te geven. Hierin mag men waarschijnlijk de oorzaak vinden dat veal adelstammen er hun oorsprong of hun verblijf genomen hebben.

De streek heeft een klei- en leemgrond. Een bovenlaag van Ypresiaanse klei die niet erg doordringbaar is voor het water. Wanneer er daar langs de bergkanten veel regen valt, kan de Warandebeek op twee uur tijd tot op de plaats komen en er overstroming veroorzaken. Dat is ook het geval met de Heybeek.

Watou behoorde tot de generaliteit van de acht parochieën van welke zij helemaal afgesneden was, om een omsluitend grondgebied uit te maken. Omdat de gemeente Watou , wiens lotgevallen we zullen omschrijven, waar het leenroerig element van in de vroege middeleeuwen tot aan de Franse omwenteling altijd op de voorgrond heeft gestaan, en al de opeenvolgende gebeurtenissen om het zo te zeggen doorworsteld heeft, bestaat er ook geen twijfel dat het ontstaan van de gemeente moet gesitueerd worden in de eerste tijden van het feodale tijdvak (600-800).

Watou was met de leengoederen die beetje bij beetje op zijn gebied tot stand kwamen eerst een onderhorigheid van het stadje dat nu eens als castellum Menporium en dan als castellum Morinorum aangestipt werd, namelijk Cassel, waarvan het ambacht of het volgland een enclave bezat die het eigen Watou bevatte.

Derhalve hingen de bijzonderste en oudste lenen van Cassel af. De gerechtsberoepen waren te Cassel uitgesproken. De bestuurs- en handelsbetrekkingen bestonden met de bevolking in het oosten, zuiden en Westen maar geenszins met die van het noorden. Watou had een uitgestrektheid van 6500 gemeten, waarvan 6000 gemeten winnende land en 500 gemeten bos. Een gemet mag je rekenen aan 0,45 hectare.

Bij een verdrag tussen de koning van Frankrijk en keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk van 18 november 1779, zijn 1918 gemeten, 166 roeden grondgebied naar Frankrijk overgegaan. Deze oppervlakte kwam voornamelijk voort van de heerlijkheden van Beauvoorde en het graafschap. Door dit verdrag geschiedde een afzwering die we vertaald vinden in de kroniek van Gratiaan Vervot van Steenvoorde;

‘Den 14 juni 1780 heeft eene plechtigheid plaats gegrepen in de kerk van Watou, voor ’t keeren van dezen hoek, door den intendent van Ryssel, verbeeldende de koning van Vrankrijk en de officier fiskaal verbeeldende (de koninginne van Hongarie) de keyzer van Oostenryk. Van den eenen kant was de afname en van den anderen kant de belofte van getrouwheid aan Vrankryk. Dit geschiede in de tegenwoordigheid der wet te Watou en door ’t leggen van de handen op ’t evangelie. De tolbureelen zyn slechts veranderd op 4 juli 1781.’

Dit afgestaan grondgebied droeg voortaan ook de benaming van kanton Watou-Frans en ging over tot de kasselrij van Cassel, maar bleef wel bestuurlijk verbonden met Watou. Menige vergaderingen der Vier Wetten melden de tegenwoordigheid van de schepenen van Watou-Frans.

Zoals we vertellen in het hoofdstuk over de heerlijkheden, bleef de graaf van Watou het recht behouden om de schepenen te benoemen. De erfelijkheid van het baljuw- en griffierschap bleefs insgelijks bestaan.

wordt vervolgd ( uit de Geschiedenis van Watou van L. A. Rubbrecht anno 1910)

 

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>