Wie de anderen een lid afslaat

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     363 Views     Leave your thoughts  

Het plakkaat van Keizer Karel op 4 oktober 1539 is duidelijk: ‘voor wie die mede ware in wille of in varde waar men wijf verkrachtte zoude men bannen uit het land van Vlaanderen, zes jaar, de man op de galg en ’t wijf op den put levende te delven.’ Vrouwen uit alle standen, van de geringste tot de deftigste burgerklasse, jeugd en ouderdom zonder onderscheid, worden op deze wijze gedurende ruime tijd om het leven gebracht. De voetnoot van de schrijver is duidelijk. De straf is bepaald schrikaanjagend en er zijn nogal wat verdachten die smeken om dan toch maar verbrand te mogen worden in plaats van levend begraven te worden.

De misdaad van valsheid wordt afgerekend met de strop. In Ieper, Brugge en Gent straffen ze de valsaards met ‘den pelorijn, sleutelen in ’t aangezichte ende met banne.’ Die ‘pelorijn’ blijkt een pellerijn te zijn, een frame in hout op dewelke de dader blootgesteld werd aan de spot en de belediging van het volk. De schandpaal van lang geleden is blijven leven in de term van ‘aan de kaak stellen’. Bij de pellorisatie worden vaak brandtekens aangebracht in het gezicht. Ook het afhouwen van de rechterhand en het afsnijden van de oren vervolledigen dikwijls de straf aan de schandpaal.

Meinedige en valse getuigen worden in de kasselrij van Ieper getrakteerd met een gloeiende sleutel op één van hun wangen. Een straf die in het oude Vlaanderen regelmatig toegepast wordt. Het zal dus wel op iemands gezicht te lezen staan dat het een valsaard is. Gwijde van Dampierre maakt eveneens gebruik van deze bestraffing; ‘Zo wie valse waarheden zegt of valse oorkonden voor de schepenen brengt, zal men drie dagen in de kooi zetten en daarna tekenen aan zijn kaak met een slotele en dan uit het land verbannen voor een periode van zes jaar op straffe van de galg en nimmermeer geloofd te worden daarna.’

Met overspel wordt er niet gelachen. Een uitspraak in Gent op 9 november 1554 bewijst dat vreemd gaan in Vlaanderen niet zo’n goed idee is. In naam van de justitie moet stadsbeambte Jan de Paepe in zijn ondergoed naar de kerk van Sint-Baafs stappen. Door de Hoogpoort met een kaars van twee kilo in de handen, geflankeerd door twee deurwaarders van de rechtbank. Hij dient er om vergiffenis te bidden, knielend op één knie. Zijn dienaarschap van de stad Gent is hij voor altijd kwijt.

Daarbovenop krijgt de man een boete van 20 gulden aangesmeerd plus de kosten van de gevangenis. De waarschuwing van het hof is duidelijk: de Paepe mag binnen zijn huwelijk geen andere meisjes of vrouwen boven zijn getrouwde huisvrouw verkiezen, oneerlijk te converseren op straffe van gegeseld te worden en nog zwaardere straffen te krijgen.’ Het houden van lichte vrouwen wordt anno 1459 door Filips de Goede bestraft met het afhouwen van de vuist en een verbanning van 10 jaar.

Dat is toch het geval in Brabant. In Gent wordt dergelijk vergrijp bestraft met het afsnijden van de neus, ‘want zij useerden van den neuse niet!’ Van deze straf is er trouwens al sprake in 1228: ‘Deerne of koppelaar die wijf of jonkwijf daar toe uitlokt dat zij met mannen ontschaken, die zal men de neus afsnijden.’ Het afhakken van lichaamsdelen is bijzonder populair in Vlaanderen.

Cannaert probeert wat structuur te brengen in zijn verhandeling. Hij maakt een lijst van de belangrijkste bestraffingen. Verlies van lijf en goed. Soms alleen het lijf. Mutilatie van lichaamsdelen: het afhouwen van leden. Dat kan een vuist zijn, een oor, een vinger. Een vierde strafmogelijkheid is de geseling met daarbovenop de verbanning. Nummer vijf is een eeuwige ban met confiscatie van de eigendommen. De zesde is de pellerijn, de schandpaal. Uiteindelijk is er nog een zevende straf: een verplichte bedevaart naar een plek die ingeschreven staat in het rode boek.

Verbanning is een veelgebruikte straf in Vlaanderen. ‘In de stad, buiten de stad of verplichte verhuizing naar welbepaalde plaatsen zoals Cyprus, Rhodos of Hongarije. In Gent ligt de termijn het meest op vijftig jaar. In Brugge zijn ze iets milder, de termijn is korter en soms staat er zelfs geen termijn op maar dan gaat de straf gepaard met het aanslaan van de eigendommen van de veroordeelde.

Een verbanning binnen de stad wordt ‘bannen in der stede’ genoemd of ‘confinement’. Het wordt aan een delinquent verboden om zich buitenshuis te begeven. Huisarrest. De straf is eigenlijk een voorzorgsmaatregel. Vrienden en buren van de gestrafte krijgen de opdracht om zijn omgang met anderen in de gaten te houden en te beperken. Wie zich buitenshuis begeeft riskeert gegeseld of extern verbannen te worden. Of soms nog zwaardere straffen.

Gillis Hertogh en Tanneke van der Varent leefden in overspel en worden hiervoor door de vierschaar veroordeeld tot uitgaansverbod. Het verdict luidt als volgt: ‘omdat gijlieden niet tegenstaande tvoorgaande verbod uwlieden respectievelijk gedaan, uwlieden vervoorderd hebt andermaal te samen vleselijk conversatie te nemen. Uutter name van de justicie mogen ze nu voor vergiffenisse bidden op beide knieën, zeggen u Tanneke van der Varent uutter stede en twee mijlen in ’t ronde van hier, ten tijde van drie jaren. Ende confineren u Hertogh binnen de poorten der zelve, up pene van geeseling.’

De man krijgt nog extra maatregelen aan zijn broek. Hij vliegt voor zes weken in het gevangenhuis, wat indertijd nog omschreven staat als de ‘chastelette’. De hele tijd op water en brood en achteraf wordt hij verplicht om gedurende drie maanden de vroegmis van Sint-Niklaas bij te wonen. De kosten van de gevangenis moet hij trouwens eveneens voor zijn rekening nemen.

Lysbette van Wachtebeke heeft het kot voor zich alleen als haar man op bedevaart naar Jeruzalem vertrekt en misdraagt zich tijdens die tijd met andere mannen. Ze mag het ook aantrappen richting Heilig Land en als ze het waagt om eerder terug te keren, dan zal ze haar hand verliezen.

Het afhouwen van lichaamsdelen, het beroven van zintuigen. Beeld u dat toch eens in? Het zijn schrikwekkende vergeldingen die noodlottige gevolgen met zich meedragen voor de slachtoffers. En toch worden ze om de geringste redenen uitgesproken, dat, samen met bedevaarten naar verafgelegen streken. Geen enkele menselijk lichaamsdeel lijkt er aan te ontsnappen. De gelijke wedervergelding, de ‘paena talionis’ is een basisprincipe dat diep ingebakken zit in de wetten.

‘Zo wie anderen een lid afslaat, alzulk zal hij verliezen: hand voor hand, oor voor oor, oog voor oog, voet voor voet, en bij de gratie van de Heer zal alles vergeven worden en dan zullen de gekwetsten een boete krijgen van 10 pond en de heer eveneens 10 pond.’ In de hele uitgestrektheid van Vlaanderen en Brabant leidt het hervallen in een vroegere fout sowieso tot het afsnijden van een oor. Landlopers, leeggangers die de maatschappij hinderen of verstoren worden in het gebied van Cassel verbannen op de ‘verbeurte van een oor’. De oude uitspraken tonen een weelderige woordenschat als het om dat soort crapuul gaat: ‘rabauwen, loddegen, truwanten, cocquinen en botters’. Het lijkt er wel op dat hier een rauwe en realistische versie van het spreekwoord ‘wie niet horen wil, zal voelen’ in de praktijk wordt omgezet.

De geseling of de kastijding met roeden wordt zeer gevarieerd toegepast. In lichte zaken en vaak voor een eerste fout. Uitspraken die meestal vallen in ‘beslotene camere van schepenen’. In zwaardere gevallen wordt de misdadiger naar de ‘opene camere’ gebracht waar zijn proces openbaar wordt gevoerd. De gestrafte krijgt al te maken met geselingen in de open kamer zelf.

Daarna wordt hij boven een open wagen aan een paal vastgebonden en processiegewijs door de voornaamste straten van zijn gemeente gevoerd. Een ommegang waarbij hij met verse roeden wordt geslagen. Sommigen moeten de geseling zelfs twee opeenvolgende dagen ondergaan. Het geschiedt allemaal met een onvoorstelbare wreedheid waarvan men zich heden ten dage amper nog een denkbeeld kan vormen. In 1537 vindt er een zeldzaam geval plaats. Jan Sutterman, de Gentse schepen van der keure, zeg maar eerste schepen, wordt in de open kamer van zijn collega-schepenen gegeseld. Hij heeft een begijn onteerd. ‘Daaromme dat hij hadde sententie van schepenen.

Zijn medegezellen ontdeden hem van zijn zwarte tabbaard en daarna werd bij in de vierschaar openbaar gegeseld tot den bloede en verder opgesteld op een wagen aan een staak, ende gevoerd langs alle vier de weegscheden en aldaar ook gegeseld met roeden.’

In 1539 wordt een publieke ontvanger wegens knevelarij en het misbruik van gemene gelden op dezelfde manier gegeseld. Eerst voor het schepenhuis, dan in de voornaamste plaatsen van de stad. Zijn pijnlijke rondgang eindigt op het galgenveld waar hij met één oor aan de galg wordt genageld. Jan de Wevere die in 1587 een gelijkaardige misdaad op zijn kerfstok krijgt, wordt deelachtig aan hetzelfde wrede lot. Hier speelt de geseling zich af rond de vier pilaren van de vismarkt. De man blijft echter in het bezit van zijn oor.

Fraude met stadsaccijnzen wordt meestal beteugeld met de roede. Op 10 april 1609 worden twee brouwers veroordeeld wegens sluikhandel en gegeseld. Kort daarvoor was een wijntavernier voor gelijkaardige fraude eerst door de vierschaar gefolterd. Achteraf wordt de man op de wagen vastgemaakt en voorzien van een opschrift op de borst en door de voornaamste straten rondgevoerd, geshowd en gemarteld.

Een aannemer van publieke werken die constructies heeft opgeleverd die niet conform waren met de aanbesteding ervan wordt op 20 juli 1578 voorgeleid en daar met open deuren tot bloedens toe gegeseld, en van daar geleid naar het werk dat hij had verlaten en waar hij nog eens zijn pijnlijke straf moet ondergaan.

Openbare fustigatie is hoe dan ook slechts de straf voor de dieven, de beurzensnijders, de landlopers, bedriegers en gelukzoekers die de schrijver ook omschrijft met de algemene term van ‘diepers’. Diepers of deepers zijn mensen die zich bezighouden met bedrieglijke spelen, ‘diefverijen of dieperijen, dewelke gegeseld ende gebrandmerkt worden. De voorbeelden zijn zo talrijk en Cannaert is wat bang om zijn boek te vullen met ‘wijdlopigheid’.

Hij beperkt zich tot het geval van twee dames, onder hen een valse gravin. Ze worden allebei als openbare bedriegsters ontmaskerd en vreselijk geteisterd met de roede. Anna Souhieres, een van deze gelukzoekers, ‘vagabonderende achterlande van stede te stede had zich toegeëigend de titel van grote huize, fleur ende extractie, ende onder ’t deksel van deze gehanteerd in huizen van personen van kwaliteit.’ Ik moet er geen tekening rond maken; ‘van welke zij door alle soort van leugens, geld, kleren en andere voorwerpen had weten te verkrijgen.’

Ze was al eerder op gelijkaardige feiten betrapt in Bergen en in Brugge waar ze zelfs gegeseld en gebrandmerkt werd. Te Gent wordt ze op 31 januari van 1561 voor de open kamer van de schepenen tot bloedens toe gegeseld. Daarna ondergaat ze dezelfde straf voor het stadhuis waar haar rug gebrandmerkt wordt waarna ‘ze in deze staat al verder gevoerd en gegeseld wordt in de vier principale weegscheden der stede.’

De tweede madam waarvan sprake is een speciaal geval. Een Gelderse vrouw met de naam van Petronilla van de Velde. Het lijkt wel een personage die weggelopen is uit een Jommekesverhaal. Ze blijkt verschillende namen van het edel geslacht geüsurpeerd te hebben. Een werkwoord dat ik omschreven vind als ‘inlijven, overweldigen, toe-eigenen, veroveren of zich aanmatigen’ en ik laat u vrij om te kiezen uit dit menu. Petronilla doet zich voor als Gabrielle, de dochter van een heerlijk huis in Gelderland. Ze laat een track record achter van bedrog en dieverij en die komt pas naar boven wanneer ze in het huwelijk treedt met een edelman uit Maastricht.

Die ontdekt het bedrog van zijn bruid en laat onmiddellijk de trouwverbintenis door het geestelijk hof van Luik tot ‘nul en van onwaarde’ verklaren. Daarbij heeft de vrouw zich nog aangesloten bij de hervormde godsdienst. Ze wordt opgepakt in Brussel waar ze publiekelijk afstand doet van haar nieuw geloof en zo weer op vrije voeten raakt. Onder de naam van Maria Zwarts duikt ze nu op in Kortrijk waar ze haar bedriegerijen verderzet. Tijdens de junimaand van 1564 wordt ze alsnog opgepakt in Gent waar ze gegeseld, gebrandmerkt en opnieuw gegeseld wordt.

Het korte leven van Israël Uuterwulghen omvat één rode draad van misdaad, veroordeling en kastijding. ‘Hij werd gedurende zijnen korten levensloop bijna onophoudelijk met roeden beproefd. Na vele malen, op allerlei wijzen en met alle slag van bijwerk, gegeseld en gebrandmerkt zijnde, eindigde deze in den jeugdigen leeftijd van slechts 21 jaren, zijn ellendig leven aan de galg.’ De beschrijving van Uuterwulghens’ leven is hallucinant. Ik probeer de tekst wat in te korten. Zijn omgang met dieven en ander kwaad gezelschap en de daarmee gepaard gaande resem diefstallen brengen hem negen keer tot bij justitie. 1633,1634 en 1635 vormen een ‘file rouge’ van martelingen.

Hij wordt drie keer uit het land verbannen. Een eerste keer voor 20 jaar, later voor 40 jaar en uiteindelijk voor 50 jaar. En toch blijft hij ongestoord verder stelen tot de galg een einde maakt aan zijn misdadig traject. De straf van de geseling wordt nu en dan gevolgd door het aanbrengen van een brandmerk. Die wordt vaak aangebracht op de rechterschouder van de misdadiger. Maar ook de rechterwang wordt in aanmerking genomen. Emerentiana Andelin, een Walin, werd medeplichtig verklaard aan een gewelddadige maagdenroof en wordt op die manier, na voorafgaande geseling en met de strop om de hals, op de ‘rechter kake’ gebrandmerkt en voor 50 jaar verbannen.

Dit is een fragment uit ‘De Rechtbank in het oude Vlaanderen’ – verschijnt later in deel 6 van De Kronieken van de Westhoek – lees verder op http://www.westhoek.net/P1520001.htm

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>