Wij willen Willem weg

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 weeks ago     55 Views     Leave your thoughts  

wat voorafging ….

Het tweede Oostenrijks tijdvak (1713-1792)

Door de Vrede van Utrecht in 1713 werd Holland onafhankelijk en kwamen de Spaanse Nederlanden terug naar Oostenrijk. Voor onze streek betekende dit slechts een verandering van ‘bezetters’ die evenveel opeisten als hun voorganger dat deden. Karel van Oostenrijk werd onze vorst en ons land werd voortaan omschreven als de ‘Oostenrijkse Nederlanden’.

Voor de komst van de Oostenrijkers waren nagenoeg alle wegen van ons land aardewegen, behalve enkele van de voornaamste steden die enige geplaveide straten bezaten. Zo zijn de bussels rijsthout en bomen te verklaren welke gevonden werden bij het plaveien van de Molenstraat in 1826. Hoe vlug was een put niet gevuld met rijsthout en wat aarde?

De Oostenrijkers die wisten dat een rechte lijn de kortste afstand is tussen twee punten, pasten dit principe toe bij het aanleggen van hun wegen – van kerktoren tot kerktoren – zonder daarom tot voor de kerkdrempel te komen. Dat doet ons veronderstellen dat de huidige provinciebaan Westrozebeke-Passendale-Beselare moet aangelegd zijn tijdens het Oostenrijks tijdvak. Te meer omdat er een straat (de Osselstraat) mogelijk wel de eerst aangelegde straat was tussen Passendale en Westrozebeke en evenwijdig loopt met de Provinciebaan. In 1715 bedroeg het Belgisch wegennet 61 km. Andere geschiedschrijvers geven 230 km aan, in 1751 bedroeg het 753 km en tegen het einde van de Oostenrijkse bezetting was dat al opgelopen tot 2850 km.

Het is slechts na de overwinning van de Fransen op de Oostenrijkers in de slag van Jemappes (1792) dat de straten gekasseid werden. Alleen het middendeel van de weg werd met kasseistenen belegd, beide zijkanten bleven aardeweg. Dit was ook het geval in de Molenstraat tot in 1868. Langs weerszijden van de weg waren diepe grachten gedolven om het water van de straat, het vuil water uit de huizen en allerhande vuilnis weg te voeren. Het waren stinkende modderpoelen en bronnen van allerlei ziekten. En dit in de kom van het dorp.

Op de kaart van de Oostenrijkse wegen in West-Vlaanderen staat Passendale niet vermeld dat het toen al geplaveide wegen bezit voor de 18de eeuw. Volgens Jozef Maes in zijn ‘Beselaarse Toponymie’, zou de Provinciebaan Torhout-Wervik slechts aangelegd geweest zijn in 1826. Volgens R. Haelewijn zouden volgende wegen met straatstenen aangelegd zijn:

  • – Ieper-Elverdinge-Veurne in 1739
    – Ieper-Zonnebeke in 1751
    – Ieper-Menen-Rijsel in 1756
    – Gits-Hooglede-Poelkapelle-Westrozebeke in 1764-65

Dat Passendale geen enkele straatstenen weg bezit in deze periode valt sterk te betwijfelen. Mogelijk werden onze wegen doorheen de dorpskom zelf aangelegd door het gemeentebestuur zelf. De overheid stelde immers straatstenen ter beschikking van de gemeenten.

En dan gaan we naar een ander onderwerp in onze Passendaalse geschiedenis. Tijdens de Brabantse omwenteling werden in veel gemeenten een ‘corps van geëxerceerde voluntaire jonghe vaderlanders’ opgericht. Dit was ook het het geval in Passendale. Op 15 juni 1790 zou te Ardooie een ‘wapenoeffenynghe ende excercitie in het vuur’ gehouden worden met volgende korpsen: Beveren, Lichtervelde, Rumbeke, Moorslede, Ledegem, Dadizele, Passendale, enz… , samen met meer dan duizend man.

De burgemeester van het Vrije schreef op 12 juni 1790 waarbij hij zijn vrees uitdrukte: ‘vreeze voor ombragie tegenover die wapenoefeningen omdat er geen verzekering bestond kwestie van vigilante of publieke veyligheidt’. Toch sluit hij zijn brief af met zijn ‘oprechte vaederlandsche sentimenten waermede ul zijt bezielt.’ Zijn brief had tot gevolg dat slechts de korpsen van Oostkamp, Kortemark, Lichtervelde, Beveren, Izegem, Roeselare en Passendlae uitgenodigd werden, samen drie- à vierhonderd man. Alles verliep op 15 juni 1790 rustig en naar hartewens.

Passendale tijdens het Belgisch-Hollands tijdvak (1815-1830)

Na de nederlaag van Napoleon werden door het congres van Wenen beide Nederlanden, na een scheiding van meer dan anderhalve eeuw, weer verenigd. Hun doel was niet zo zeer een gelukkig land te scheppen maar wel om Frankrijk te omringen met vijandelijke staten die niet te klein en ook niet te sterk waren. Tal van besturen worden hervormd. De naam van meier of maire wordt vervangen door burgemeester. Kortom: alles werd op zijn Hollands ingericht met de omwenteling van 1830 als gevolg.

De vereniging scheen in het begin een meevaller te zijn maar liep na korte tijd spaak. Het begin was een tijd van vooruitgang op gebied van landbouw, handel en nijverheid. Willem van Oranje, onze nieuwe koning, trok partij voor de Hollanders ten nadele van de Belgen zodat hij spoedig de gunst en het vertrouwen van ons volk verloren had. We kennen nog allemaal het gezegde; ‘Wij Willen Willem Weg, Wil Willem Wijzer Wezen, Wij Willen Willem weer.’

Op 5 augustus van 1822 voert Willem het strafrecht in. Deze wet werd gestemd door 59 heren waarvan slechts 6 Belgen. De Hollanders stemden ‘voor’. Voortaan moest iedereen die graan deed malen een permis (vergunning) bekomen en een zekere som maalrecht of taks betalen. Wanneer het graan voor dierenvoeder bestemd was en gemengd met een derde haver, bieten of bonen diende er geen maalrecht betaald te worden. De Vlaming vond spoedig een uitweg om niet te betalen en er werd veel graan in het geheim gemalen. We mogen niet vergeten dat er op Passendale op dat ogenblik minstens zeven windmolens stonden.

Met de verordening van het slachtrecht, gestemd op 9 juli 1822 met 57 stemmen voor en 52 tegen was het al even pover gesteld. Voor het slachten van runderen bedroeg het slachtrecht 10% van de waarde van het vee en 8% voor de waarde van de varkens. Na twee oorlogen is men ondertussen gewoon geraakt aan taksen en zeggen bovenvermelde cijfers ons niet zo veel meer.

Toen onze provincie West-Vlaanderen in 1816 onder Hollands bestuur kwam te staan, was ze voor het bestuur van het platteland verdeeld in vier arrondissementen: Brugge, Veurne, Kortrijk en Ieper. Passendale behoorde tot het arrondissement van Ieper. Deze arrondissementen waren opgericht door de wet van 17 Ventôse VIII (8 maart 1800). Aan het hoofd stond een onderprefect, die na het vertrek van de Fransen vervangen werd door een onderintendant. Op voorstel van de provinciale staten verdeelde de koning de provincie in 12 districten. Ieper was daar één van. Dat besluit dateert van 3 januari 1818.

Een koninklijk besluit van 6 april 1818 benoemde de districtcommissarissen. Omdat de 12 districten te veel kostten, werd een vermindering voorgesteld in 1818 en 1820. In 1821 waren er nog slecht 8 commissarissen in dienst. Het district Ieper telde 36 gemeenten met in totaal 55.591 inwoners. Deze nieuwe indeling van de provincie in acht districten viel samen met de vervlaamsing van het bestuur. Deze vervlaamsing was voorgeschreven door een koninklijk beslui van 15 september 1819 om vanaf 1 januari 1823 toegepast te worden. Voordien was de Franse taal in gebruik van het provinciaal bestuur.

Op 28 februari 1823 liet de minister weten aan de gouverneur van West-Vlaanderen dat de koning wilde dat in zijn besluit, waarbij West-Vlaanderen in acht districten zou verdeeld worden, de namen van de gemeenten in het Vlaams zouden zijn. De ambtenaren die geen Vlaams kenden hadden drie jaar tijd om de taal aan te leren.

wordt vervolgd …

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>