Wijtschate en het jaar nul

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     653 Views     Leave your thoughts  

Naar de hoogten van Wijtschate

Van Voormezele begint een tocht van intens genot naar de heuvel van Wijtschate, een der oudste en uitgestrektste dorpen van ’t Westland, tronend op een hoogte van ruim tachtig meter.

De oudste vermelding van de gemeente is die uit 961; toen luidde de naam Widisgat. In 1066 schreef men Widegas, in 1125 Widescath, in 1146 Widecat. In de kasselrij Ieper onderscheidde men, onder oogpunt van de gerechtelijke en feodale inkomsten, welke door de baljuw voor rekening van de graaf werden geïnd, Oost-leper-Ambacht en Westleper-Ambacht (een ambacht was een territoriaal en administratief gebied bestuurd door een amptman).

Tot het West-leper-Ambacht behoorden, buiten de stad Mesen, 23 dorpen en enclaves. Wijtschate was een van deze dorpen; het behoorde geestelijk tot het dekenaat Ieper, het archidiaconaat Vlaanderen en het bisdom Terwanen. De kerk had en heeft nog als patroon de H. Medardus; het kapittel van de St.-Donatiuskerk van Brugge bezat er het begevingsrecht, d.i. het recht om er de pastoor te benoemen.

Wereldlijk vormde Wijtschate een heerlijkheid; zij hing zelf af van de heerlijkheid van Voormezele, zoals verscheidene andere leengoederen van Wijtschate, o.m. het leen Blanckaerts-torekin en het leen van de Poel. Het bezat nog drie achterlenen op zijn grondgebied; deze hingen af van de heerlijkheid van de Grote Haag, nl. de heerlijkheid van de Driehoek, van de Maneschijn en van Sturtebier. Twee lenen hingen af van de heer van Ieper, nl. de lenen van Maneghem en van Borrewalstrate.

Langzamerhand gaan de verten open, de bosjes van de Kroonaard (het eerste links : Bois quarante of Bayernwald; het tweede: bos = Grand Bois = Hessenwald) wordt bereikt, de reeds naar de blik gaat reeds naar de prachtige reeks andere heuvels die in het westen liggen te schitteren.

Daar is Wijtschate, het dorp van de ‘tovenaars’.

Wie het nog niet kent, doet zich natuurlijk de moeite het te gaan bezoeken. Het heeft 2396 inwoners en een oppervlakte van 2629 ha.

Je bereikt de Dries met zijn krans van jonge linden, waar de rust door niets gestoord wordt, tenzij soms door een boerenwagen, die het plein langs rijdt. Onachtzaam kijkt de boer wel eens naar het prachtige ‘wethuis’ (1930) (Architect A. Dugardijn, 1889-1962), een gebouw met gratievolle gevel, een juweeltje voor een landelijk dorp, of naar de kokette muziektent (Architect A. Decan) die er staat te pronken te midden van het graspleintje, waar zich ook het gedenkteken voor de gesneuvelden uit Wereldoorlog I bevindt.

JAAR NUL01

Hoog boven de huizen schiet de spits der St.-Medarduskerk de lucht in, nieuw in haar bleek bakstenen kleed, maar indrukwekkend door haar toren die het dorpsbeeld en de ganse streek beheerst. Reeds in 1914 werd de oude kerk deerlijk gehavend – zij was op het gebied van architectuur een der schoonste de streek – ; in 1917 en 1918 werd de totale vernietiging doorgezet. Maar reeds in 1926 was de nieuwe kerk gebouwd, werk van de architecten H. en M. Leborgne uit Brussel.

Buiten deze beide hoofdgebouwen heeft Wijtschate nog een zeer schoon en ruim heropgebouwd gesticht voor oude lieden. De rechtervleugel ervan werd in mei 1940 door een Duitse vliegerbom bijna geheel weggeblazen. ‘God zij dank’, vertelden de zusters, ‘waren al de oudjes in de andere vleugel verzameld, en zo warer geen slachtoffers te betreuren’. Het is een stichting van J-F. De Coninck, rechter, lid van het Nationaal Congres en volksvertegenwoordiger, geboren te Wijtschate in 1763 en overleden Ieper in 1846.

De streek om Wijtschate en heel het Ieperse ommeland was na de eerste wereldoorlog één woestenij; doch de Vlaamse landman sloeg dadelijk de handen aan de ploeg en reeds een paar jaren nadat de bewoners waren teruggekeerd, hadden deze door hun stoere arbeid wonderen verricht.

In een verslag van een reis doorheen de frontstreek in juli 1922 lezen wij de volgende passus: ‘Wanneer wij verleden jaar langs daar naar Armentiers reden, bevonden wij ons nog op vele plaatsen in een echte wildernis met puinen, obusputten en prikkeldraad. Daarvan blijven thans nog weinig sporen. De landerijen dragen een schone oogst, in de weiden graast weer het vee en heel in ’t ronde lachen, te midden van het groene landschap, de rode daken van de hoeven. Deze sector vertoont hier daar nog leemten van trechtervelden en het onverkwikkelijk schouwspel van de ijzeren nissenhuts en zwarte barakjes. Wat hier vreemd aandoet is, dat men, zo ver het oog reikt, geen enkel boomken meer ontwaart. Slechts steken hier en daar nog in de grond dode stammen. De zwarte massa van de Kemmelberg beheerst gans de vlakte.’

Alle bomen, elk bosje, elk struikgewas was inderdaad verdwenen maar reeds vroeg werden de vernielde partijen herplant, zodat reeds volwassen bos de wandelaar lokt. ‘Aber schon bedeckte sich die zerrissene Erde mit den ersten zarten Grün wiedererwachenden Lebens. . . Eines Tages würde das Trümmerfeld verschwunden sein … Menschen würden dort leben für die das Heldenlied von Wijtschate und vom Berg in Flandern Geschichte und Sage war.’

Het Hospiesbos (Wijtschaterwald), een der mooiste, heeft tal van wandelwegen en middenin ligt een vijvertje, de bron van de Wijtschatebeek, een van de takken van de Ieperlee, omringd met hoge rododendrons. Het is een heerlijk hoekje van deze Westlandse gemeente die haar schoonheid niet alleen vindt in haar gebouwen, maar die ook bekend staat om de weidse uitzichten die men van bijna elke plaats op de omringende vlakte heeft.

Toebak …

Wijtschate is in de eerste plaats een landbouwgemeente, waar ook aan de tabaksteelt een plaats wordt voorbehouden. Het staat vast dat vóór de ontdekking van Amerika door Columbus, in 1492, de tabak in Europa niet bekend was. Sedert dien heeft de tabak niet alleen Europa, maar heel de wereld veroverd. Ook in België wordt heel wat tabak verbouwd, waarvan een groot deel in de provincie West-Vlaanderen, en wel in de vallei van de Leie, hoofdzakelijk tussen Menen, Wervik en Waasten.

Drie soorten tabak worden voornamelijk geplant in West-Vlaanderen: inlandse tabak, een zware soort met groene blaren; Amerikaanse tabak, met groot, lang en breed blad, met gele tint; Filippijnse tabak, eveneens met groot blad, doch donkergroen van kleur.

JAAR NUL02

De tabakscultuur eist grote zorg en buitengewoon veel werk. Vooraf, in de eerste dagen van maart, laat men het zaad kiemen, waarna tussen 15 en 20 maart in broeikassen gezaaid wordt. Zodra de plantjes gekruist zijn, d.i. vier blaadjes hebben, worden ze uitgedund, om de groei van de overige te bevorderen. Intussen wordt het land in gereedheid gebracht – flink bemest met gier en goed verteerde stalmest, geen stikstofhoudende meststoffen – en omstreeks half mei, bij droog weer, worden de jonge plantjes in rijen, op een onderlinge afstand van 40/50 cm gepoot.

Reeds na 14 dagen moet de aarde, om de plant heen, goed bewerkt worden, opdat de zonnewarmte tot aan de wortels kunne doordringen. Daarna wordt de jonge plant, als ze zowat 10 cm hoog is, aangeaard. Enkele tijd nadien reeds, als de tabak een hoogte heeft bereikt van 20/25 cm, wordt de top – waarin later de bloem zou verschijnen – uitgeknepen, evenals de okselscheuten, opdat slechts een beperkt aantal grote blaren zich zouden ontwikkelen. Dit werk heet het ‘toppen en luizen’.

De tabaksblaren mogen niet geoogst worden vooraleer tot volle rijpheid gekomen te zijn, nl. wanneer de blaren gerimpeld zijn en hun toppen naar beneden buigen. Eerst worden de onderste vier blaren, het aardgoed of de ‘bokeblaren’ afgetrokken. Na een paar weken worden de middelste vier, het zandgoed, en daarna de vier topblaren, het bovengoed of bestgoed, geplukt.

Nu laat men de blaren verslensen en begint het naaien. De resems worden onmiddellijk opgehangen aan sterke ijzerdraden van een stelling, de ‘toebaksmikke’. Deze stellingdraden werden eertijds ondersteund door mikken, d.w.z. gaffelvormige stutpalen; vandaar de naam. Om de stelling heen worden ook, ter beschutting tegen de wind, strooien schutsels, zgn. vlaken gezet.

Elke avond worden de blaren in resems samen geschoven en bedekt met roggestrooien kappen, kapoetsen geheten; ’s morgens worden ze terug opengeschoven, de blaren goed geschud, soms gedraaid om de droging wel te doen lukken.

En als tenslotte de tabak een mooie donkerbruine tint heeft gekregen, is hij droog en kan hij worden weggeborgen in een droge plaats. ’s Winters nu, als er minder werk is op de hoeve, ondergaat de tabak een laatste bewerking, het tot bundels verzamelen, wat men in de streek het menotten (van het Fr. manoquer) heet. Sedert enkele jaren geschiedt het drogen in kunstmatig verwarmde droogplaatsen, de asten of eesten. De droging geschiedt hier namelijk veel vlugger dan in open lucht.

JAAR NUL03

De folkloristische gebruiken bij de tabaksoogst in zwang sterven uit. Zij geleken grotendeels op die van de hop, maar vas er heel wat verschil. De voornaamste elementen van het na de oogst gehouden, waren de liedjes der naaiers, het aanbrengen van de met bloemen versierde resem boven de ingangsdeur van de hoeve, en ten slotte de ‘toebakpap’.

Wereldbrand

Het oude Wijtschate werd tijdens de eerste wereldoorlog volledig met de grond gelijkgemaakt. Vier jaar lang was het dorp fel oorlogsterrein en stonden er de Britse legers tegenover de Duitse. Op 31 oktober en l november 1914 hadden er verwoede gevechten plaats, die eindigden met de inneming van het dorp, en ook Mesen, door de Duitsers. Aan de grens van Mesen staat het London Scottish Memorial dat aan deze gebeurtenissen herinnert en door Koning Albert in 1924 werd ingehuldigd.

Het London Scottish Batallion lag te St.-Elooi en snelde ter hulp van de 1ste Britse Cavalry Division die Mesen verdedigde tegen drie Wurtembergse infanterieregimenten. The London Scottish was het eerste territoriaal infanteriebataljon dat in België in het vuur kwam. Ook op 2 december 1914 woedde er een hevige veldslag. Een der Duitse regimenten die aan deze veldslag deelnamen was het 16e Beierse Reserve Infanterie Regiment dat in hoofdzaak uit vrijwilligers bestond die nog maar pas een paar maanden dienst hadden. In enkele dagen tijds verliest het regiment 2900 man op de 3500! Adolf Hitler die sedert 1 september deel uitmaakt van de lste kompagnie van dit regiment ontsnapt aan de dans. Na de slag zal hij, tijdens de rustdagen, de ruïnes schilderen van de St.-Niklaaskerk van Mesen.

In de voordracht voor het IJzeren Kruis eerste klas, ingediend in 1918 door zijn bevelvoerend officier, baron von Godin, wordt vermeld dat ‘Hitler ontving het IJzeren Kruis, tweede klas, voor dapper gedrag in de slag van Wijtschate op 2 december 1914’. Gedurende de volgende oorlogsjaren werd bijna gans het dorp, dat slechts tien maanden, van juni 1917 tot april 1918 in Britse handen bleef, door de Duitsers ondermijnd. Deze hadden er tot op diepten van acht meter, gangen en kamers gegraven voor het veilig onderbrengen van hun reserves, wat na de oorlog verscheidene verzakkingen veroorzaakte: de ergste en wel meest typische had plaats in het jaar 1922 in de keuken van de pastorij, waar de meid, Stefanie Duyck, in een meer dan zes meter diepe put werd bedolven. Om aan deze instortingen te verhelpen werden vele huizen op betonnen palen gefundeerd, maar toch ging er geen jaar voorbij of hier en daar hadden verzakkingen plaats.

Mijntrechters

Een eigenaardigheid van Wijtschate is het bezit van een reeks mijntrechters uit de eerste wereldoorlog. Ze liggen in een wijde boog aan de westzijde van het dorp, ongeveer halfweg Kemmel. Reeds in de loop van januari 1916 had de Britse legerleiding beslist dat, zodra de mogelijkheid ertoe zich zou voordoen, de bocht door het Duitse front gemaakt tussen St.-Elooi, Wijtschate en Mesen zou worden rechtgetrokken, omdat de Duitsers van op deze hoogten de Engelsen in de Ieperse Uitsprong konden observeren en zelfs in de rug schieten. Eigenlijk was deze operatie – over een frontbreedte van 9 mijlen – slechts de eerste fase van een groter plan, dat de verruiming van de Ieperse Uitsprong en mogelijks ook de doorbraak in de richting van de Belgische Kust tot doel had.

De voorbereiding tot deze grootse onderneming geschiedde maandenlang in het grootste geheim. Ergens aan de Scherpenberg (te Loker), was in een loods van het Britse leger, een grote maket in cement opgemaakt, waarop een stuk front, lopend van St.-Elooi tot Mesen, was uitgebeeld. Hier bestudeerden de troepen, samen met de legerleiding, het plan van de aanval.

Sedert het begin van het jaar reeds was men begonnen met ondergrondse gangen te graven in de richting van het Duitse front: 22 (of 23) in getal! Deze gangen eindigden op kleine kamers, waarin de springstof werd aangebracht. Op 7 juni 1917 zou de val plaats grijpen : in verband met de zichtbaarheid ’s morgens werd het ‘nul uur’ bepaald op 3 u. 10. Reeds vroeger, op 3 juni nl., werd nagegaan hoe groot deze zichtbaarheid was: te 2 u. 45 kon men een man onderscheiden op 75 yards (67,50 m), te 3 uur op 100 yards; te 2 u. 30 viel het lopen nog moeilijk op de granaatputten bezaaide grond, maar te 3 u. 15 konden de onregelmatigheden van de bodem gemakkelijk worden gezien. Vandaar de keuze op 3 u. 10.

‘Hoe goed herinner ik mij de vooravond van Mesen. Voor het in mijn leven ging ik te 9 uur naar bed. Ik kon niets meer doen. De troepen waren toen in beweging. Het ‘nul uur’ was 3 u. 10. We hadden allen het ontbijt genomen te 2 u. 30 met de bevelhebber. De overigen gingen naar de top van de Kasselberg om de mijnen te zien ontploffen. Ik kan de gloed in de hemel zien terwijl ik schrijf. Niet echter de legerbevelhebber. Hij zat geknield bij zijn bed en bad ‘for those gallant officers and men who were at that moment attacking.’

Op dat ogenblik ontploften dan ook 18 van deze mijnen te samen : 15 seconden later de 19de, die van Spanbroekmolen. De andere vier in de richting van het zuiden (Ploegsteertbos) werden niet afgevuurd omdat ze buiten de offensieve zone lagen. Eén ervan ontplofte 38 jaar later! Op 19 juli 1955, tijdens een geweldig onweer, viel de bliksem op een boom in de wijk ‘Le Pélerin’ van het gehucht De Geer (Ploegsteertbos), waardoor het vuur zich mededeelde aan een dezer landmijnen. Bij de ontploffing werd een krater geslagen van 20 m diepte en een omtrek van 125 m! Men kan zich enige voorstelling vormen van de geweldige ontploffingen in 1917 als men weet dat de mijnen in totaal 957.000 pond springstof bevatten: ongeveer 48 wagons van 10 ton! Lloyd George, van de gebeurtenis op de hoogte gesteld, was op de luister in het War-Office te Londen.

JAAR NUL05

‘De Kam van Mesen bood bij het morgenkrieken van 7 juni 1917 een van de meest ontzettende aanblikken uit de oorlog. Nul uur was 3 u. 10 ’s nachts en op dat ogenblik barstten 10 mijl dicht op elkaar geplakte Britse kanonnen in één verdovend gebrul los. Een lichtflits scheurde de duisternis, en alsof deze schicht een portaal van de hel had opengescheurd, de aarde ver wegslingerend, schoten vuur en vlam in bloedrode torens omhoog, gevolgd door draaiende kolken inktzwarte rook. Dit monsterachtig verschijnsel hing in de lucht, doorlaaid van stromen vuur. En beneden deze gruwel schudde de grond en braakte aarde, stenen en menselijke lichamen uit – een stuiptrekking zonder weerga, ooit door mensenhanden volbracht.’10

In een brief aan zijn vader schreef de pater jezuïet W. Doyle, aalmoezenier bij de 16de Ierse Legerdivisie (+ 16 of 17 augustus 1917 te Zonnebeke-Frezenberg) en ooggetuige van deze vreselijke ontbranding het volgende, in datum van 11 juni 1917:

‘Er bleef nog een half uur over tot het nul uur. De kanonnen zwegen. Ik stelde mij de Duitsers voor in hun loopgrachten en hun kazematten, onkundig van het bestaan der ontzaglijke mijnen onder hun voeten gegraven. Een vonkje kon hen dus in de eeuwigheid storten. De inspanning was pijnlijk, de wilskracht bijna ten einde. Men voelde zich gedreven om hen te verwittigen. Al wat ik doen kon was op de rand van de loopgracht blijven en hun de absolutie geven, mij op God verlatend om ze tot bij hen te dragen.

Ik kan niet aan het daaropvolgend toneel denken zonder te beven van afgrijzen. Stipt te drie uur tien ging er een diep, vlug gesmoord gezucht op; de grond vóór mij werd opgeheven alsof een reus, uit zijn slaap opgestaan, zich een weg baande naar de oppervlakte der aarde; dan zag ik zeven ontzaglijke zuilen van rook en vlammen, honderden voet hoog, de lucht ingaan, terwijl duizenden kilo’s klei en stenen naar alle kanten werden geslingerd. Niet alleen beefde de aarde, maar zij werd vóór- en achteruit geschud, zó, dat ik moeite had om mij staande te houden.’

Het resultaat was vernietigend! De Duitse lijnen werden, onmiddellijk na de ontploffing, door 9 divisies (+ 3 reserve-divisies) van de verenigde Australische, Nieuw-Zeelandse, Ierse en Britse troepen stormenderhand ingenomen. Vóór de middag van 7 juni waren Wijtschate en Mesen in de handen der Britten; te middernacht stonden zij voor Hollebeke, was Oosttaveme reeds lang gevallen en was het gedeelte van de steenweg Ieper-Waasten, tot de Gapaard (Vier Koningen) veroverd.

‘De volgende dag reed ik over de kam, deels met de tank, en nooit zal ik de aanblik vergeten. Ik herinner mij zo goed hoe ik, bij het betreden van een betonnen schuilplaats nabij Spanbroeken, onze grootste trechter, er vier Duitse officieren vond om tafel gezeten – allen dood – getroffen door de weerslag. Zij hadden kunnen bezig zijn met bridge te spelen. Het was een akelig zicht – geen van hen had enige verwonding. Ik zie hun spookachtige witte wezens nog terwijl ik schrijf. In de tas van een van hen vond men het afschrift van een bericht verzonden te 2 u. 40 ’s nachts – 30 minuten vóór nul – en meldend “toestand betrekkelijk rustig’.

JAAR NUL04

Na een hevige tegenaanval van de Duitsers in de ochtend van 8 juni bleef de stand in dit gebied nagenoeg ontgewijzigd tot op 31 juli van hetzelfde jaar, toen de ruk naar het oosten begon, vooruitgang die echter ellendig was, 150.000 doden kostte, en na 3 maanden gevechten in een door voortdurende regens doorzopen terrein, te Passendale eindigde, dat op 6 november door de Canadezen werd ingenomen.

Veldmaarschalk H.C.O. Plumer (1857-1932) werd in 1919 tot de adelstand verheven met de titel van Viscount of Messines. Zijn overblijfselen werden na zijn dood bijgezet in de ‘Warriors Chapel’ in Westminster Abbey.

Shamrock-blad en ‘Pool of Peace’.

Even buiten de dorpskom van Wijtschate, in de richting van Kemmel, ligt Wijtschate Military Cemetery, een der 174 militaire begraafplaatsen uit de Ieperse omgeving. Vlak naast het kerkhof rijst een mooi gedenkteken op: een Iers kruis met het Shamrockblad en een Ierse inscriptie: tot Gods glorie en ter ere van Ierland. Het monument herinnert aan de overwinning van de 16de Ierse Divisie, (de enige volledige Ierse) welke op de beruchte 7 juni 1917, zijde aan zijde met de 36° Ulster Divisie, Wijtschate veroverde; tevens is het een hulde aan de doden van die dag. Van deze plaats af heeft men een enig mooi zicht op de vlakte om Ieper en op de Kemmelberg.

Rechts en links van die weg liggen nog een drietal mijntrechters; de voornaamste echter een halve km binnenwaarts, in de richting van Mesen, te midden van een stuk omheind verwilderd land. Het is de Spanbroekmolentrechter of Lone Tree-trechter, naar de naam van een vroegere herberg “In de Spanbroek”, waar ook een molen bijhoorde, en in de onmiddellijke omgeving van het Lone Tree Cemetery. Bij de ingang van het terrein werd een stenen plaat aangebracht met, in het Engels, de afmetingen van en enkele bijzonderheden over deze reusachtige trechter.

Deze mijntrechter, evenals de overige trouwens, staat vol water en werd door de Engelsen herdoopt tot ‘Pool of Peace’, Hier eindigde een der 19 ondergrondse gangen, onder de Duitse lijnen, aangelegd door de 171th Tunnelling Company, die hoofdzakelijk uit Engelse mijnwerkers bestond. Deze mijntrechter en de omgeving worden bewaard dank zij de bemoeienissen van Eerwaarde P.B. Clayton, eerste ‘padre’ van het ‘Talbot House’ te Poperinge, en van Major P. Slessor. Hij werd aangekocht door een vermogend Engelsman, Lord Wakefield of Hythe, en samen met Talbot House aan de gelijknamige stichting geschonken.

JAAR NUL06

Hoog riet waait langs zijn boorden, waterhoentjes en rietzangers zitten er in te kweken, waterlelies laten hun brede hart-blaren in de zomerzon blinken; witte wolkengevaarten spiegelen zich in het rustige water binnen de hoge oevers van deze miniatuurkratermeren : het vredigste natuurtafereel dat men zich kan indenken, als men niets afweet van de tragische gebeurtenissen welke zich hier afspeelden.

.

Uit ‘De Westvlaamse Bergen Verloren Hoek – Vergeten Heuvels’ van René Buckinx (1963)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>