Wit Karlientje en zwart Karlientje

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       3 months ago     136 Views     Leave your thoughts  

Daar was ‘ne keer een moeder, en z’hadde twee meiskes, en z’heetten alle twee Karlientje. Tegen ’t eene en zeiden de mensen niet anders als Wit Karlientje, omdat het zo schone was; maar zijn moeder en koste ’t onder heur ogen niet zien, omdat het heur eigen kind niet en was. En ’t andere was Zwart Karlientje bij de mensen, omdat het zo bruin en zo lelijk was; maar, Zwart Karlientje was het liefste gezien van zijn moeder, en ’t kreeg al wat dat ’t wilde.

Er ging daar ‘ne keer ’n en oude schaper voorbij, en hij hadde drie lammekes bij hem, en hij lachte naar Wit Karlientje, en hij streelde ’t op zijn hoofdeke en zijn Iammekes lekten aan zijn groen kleedje omdat Karlientje zo bevallig was. En, Wit Karlientje was zo blij: maar al met ‘ne keer, Zwart Karlientje trekt de bovenste halve deure open, en ’t klemt achter de klinke om dat ook te zien. Maar, van als de oude schaper Zwart Karlientjes hoofd geware werd, ging hij voort, en de drie lammekes bleetten en bukten, omdat Zwart Karlientje zoo lelijk was, (maar ’t was algelijk brave).

En de moeder en koste dat in heur herte niet verdragen, en, ze zei : Wit Karlientje moet kost wat kost dood. En, ze liep al zeven dagen gedeurig al peizen hoe dat ze Wit Karlientje ging van kante krijgen.

En; ze. ging achter een oude hage; ‘Hage, doornhage’, zei ze, ‘geef mij ‘ne keer twaalf stekedoorns van twee duim en half ieder.’ – En, die hage gaf twaalf stekedoorns van twee duim en half ieder; en de moeder ging ermee naar huis, en ze toonde ze aan Zwart Karlientje.

‘Kijkt ‘ne keer, Karlientje’, zei ze, ‘als ge t’avond naar uw beddeke gaat, ge moet u alvoren leggen, en Wit Karlientje laten achter slapen, want, ‘k ga al deze stekedoorns in zijn hoofdkussen steken, en als het zijn hoofdeken er gaat op leggen, ’t gaat ervan dood moeten, en ge gaat gij toen nog honderd keren meer geheel aleene moeders frulleke zijn.

En, Zwart Karlientje zei dat het geheel wel was. Maar ’s avonds, als Wit Karlientje wilde in zijn beddeke terten, Zwart Karlientje hield zijn beentje vaste; en ‘Wit Karlientje’, zei het, ‘Ik zie u toch zoo geern, maar ge en moogt het aan moeder niet zeggen, ze wil u vermoorden, en er zitten twaalf lange stekedoorns in uw hoofdkussen; laat ons alle twee slapen met ons hoofd aan ’t voeteinde. En Wit Karlientje pakte Zwart Karlientje in zijn armkes van blijdschap en ze deden ’t alzo.

’s Anderdaags ’s nuchtends, tikkepattikke op de trap.
‘Ha, Zwart Karlientje, zijt ge daar?’, riep moeder van omleege.
‘Wel, moederke lief, t is ik’, zei ‘Wit Karlientje.
En, de moeder werd al met ‘ne keer zo kwaad omdat het niet dood en was. En, ze liep zere naar boven gaan kijken om te zien of heur Zwart Karlientje nog leefde; en, t had hem al zeere gekeerd met zijn hoofd aan ’t hoofdeinde, en geheel alvoren, en ’t leefde; maar moeder en verstond er heur niet aan, dat Wit Karlientje niet dood en was en ze gloeide van kwaadheid.

’t Gebeurde nu ‘ne keer dat er daar ‘ne speleman voorbij ging, en hij had drie hondjes bij hem, en lijk of dat hij Wit Karlientje zag, hij speelde op zijn orgel ’t schoonste liedje dat ge kunt peinzen, en zijn drie hondjes begosten in een rondeke te dansen. En Wit Karlientje had zoveel leute, en de speleman deed dat voor nieten, omdat Karlientje zo bevallig was.

Maar, al met ‘ne keer, Zwart Karlientje trekt de bovenste halve deure open, en ’t klemt achter de klinke om dat ook te zien. Maar, van als de speleman Zwart Karlientjes hoofd geware werd, hij stopte, en de drie hondjes kropen onder ‘ne zak, omdat Karlientje zo lelijk was, (maar ’t was algelijk brave).

En, de moeder en koste dat in heur herte niet verdragen, en, ze zei: ‘Wit Karlientje moet kost wat kost dood.’ En, ze liep al zeven dagen gedeurig al peinzen hoe dat ze Wit Karlientje van kant ging krijgen. En, ze ging achter een oude toveres, met pijpen en fabela aan haar muts van drie ellen lang; (en de jongens en dorsten de die nooit te bij of te omtrent komen); en, ze kocht bij die toveres, van ’t hardste vergif dat er koste gesmeierd worden, en de padden hadden er toen hun vergif nog bijgespogen.

En, de moeder kreeg er een heel kleen groen zakske, niet groter of ‘ne vingerhoed. En, ze toogde ’t aan Zwart Karlientje, ‘Kijkt ‘ne keer Karlientje’, zei ze, ‘als we t’ noene brui eten moet zeggen dat ge zeer in uw hoofd hebt’ en uw brui laten staan; want, ‘k ga al dat vergif in de brui doen, en als Wit Karlientje ervan zal eten, het gaat ervan dood moeten, en ge gaat gij toen nog wel honderd keren meer geheel alleen moeders frulleke zijn.’

En, Zwart Karlientje zei dat het geheel wel was. Maar, ’s noens, als Wit Karlientje uit zijn teele wilde scheppen, Zwart Karlientje hield zijn armke vaste; en, ‘Wit Karlientje’, zei het, ‘Ik zie u toch zo geern, maar ge en moogt het aan moeder niet zeggen; ze wil u vermoorden en z’ heeft vergif in de brui gedaan; laat ons zeggen dat we bachten gaan eten, omdat de kat de veugel niet en zou pakken, en de kraaien ’t graan niet en zouden uitpekken, en ge moet al uw eten in ’t vertrek smijten.’ En, Wit Karlientje pakte Zwart Karlientje in zijn armkes van blijdschap; en ze deden ’t alzo.

Daarachter, rikketikketik aan de achterdeure, –’ Ha, Zwart Karlientje, zijt ge daar?’, riep moeder van albinnen.
‘Wel, moederke lief, ’t is ik’ zei Wit Karlientje.
En, de moeder werd al met ‘ne keer zo kwaad, omdat het niet dood en was. En, ze liep zere naar buiten gaan kijken om te zien of het Zwart Karlientje nog leefde; en ’t had nog zijn telloore vol brui, en ’t krees zulke bloedige tranen, omdat het zulk een zeer in zijn hoofd had. En, moeder en verstond er heur niet aan, dat Wit Karlientje niet dood en was; en ‘ze gloeide van kwaadheid.

Er ging daar toen ‘ne keer ‘nen oude kramer voorbij, met drie neutekrakerkes bij hem; en, lijk of dat hij Wit Karlientje zag, hij pakte zijn bagge van zijn rugge, en hij toogde hem al zijn zoet en zeur, en zijn kransterlingen, en de drie neutekrakerkes aan zijn riem kraakten hazeneutjes voor Karlientje.

En, Wit Karlientje had zulk een goeste. En de kramer gaf hem van alles voor nieten, omdat het zo bevallig was. Maar, al met ‘ne keer, Zwart Karlientje trekt de bovenste halve deure open, en ’t klemt achter de klinke om dat ook te zien. Maar, van als de kramer Zwart Karlientjes hoofd gewaar werd, hij nam zijn bagge op zijn rug; en, zijn neutekrakerkes kogelden naar Zwart Karlientjes aanzichte omdat Karlientje zo lelijk was, (maar ’t was algelijk brave).

En, de moeder en koste dat in heur herte niet verdragen, en, ze zei: ‘Wit Karlientje moet kost wat kost dood.’ En, ze liep al zeven dagen gedeurig al peizen hoe dat ze Wit Karlientje ging van kant krijgen. En, ze ging achter ‘ne oude dulle meulenare, die op zijne meulewal bezig was met zijn meulensteens te zetten.

En, als die meulenare wilde, hij koste de duivel zijn hekkens doen draaien zonder wind. – En, ze vroeg aan die meulenare als hij zijn meulestaens zoo lijze tegen vier stokskes koste zetten, van weerkanten de wegel, dat men er van de vier maar één en moeste aanraken, om geheel de meulesteen op zijn lijf te krijgen.

En, de meulenare zei van ja, dat hij alzo koste zijn steens wippe zetten, binst veertien dagen lang.
En, hij ging dat seffens gaan doen. En, de moeder was zo blij, en ze toogde aan Zwart Karlientje hoe dat die meulesteens stonden. ‘En kijkt, Karlientje’,zei ze, ,, als ge morgen te gare met Wit Karlientje de zak graan naar de meulen doet, ge moet u laten vallen eer dat ge aan de stokskes zijt, en Wit Karlientje alleen de zak tegen de stekskes laten slepen. En, als ’t er zal aankomen, ’t gaat dood. moeten in gruizelamenten, en ge gaat gij toen nog wel honderd keren meer heel alleen moeders frulleke zijn.

En, Zwart Karlientje zei dat het heel wel was .Maar, ’s anderdaags, als Wit Karlientje met de zak wilde over de stokskes terten, Zwart Karlientje hield het vast; en, ‘Wit Karlientjs’, zei het, ‘Ik zie u toch zo geern, maar ge en moogt het aan moeder niet zeggen, ze wil u vermoorden, en z’ heeft die stokskes alzo doen zetten omdat de meulesteens op uw lijf zouden vallen, en dat ze u geheel in gruizelamenten zou smeieren; laat ons de zak zelve tegen de stokskes. smijten.’.

En, Wit Karlientje pakte Zwart Karlientje in zijn arrnkes van blijdschap; en ze deden ’t alzo – En, ’t was juist wel gepast, want er zaten vijf ratten in de zak, en ze waren alle vijve kapot.

Daarachter, tik tik tik aan de voordeure – ‘Ha, Zwart Karlientje, zijt ge daar’? riep de moeder van albinnen.
‘Wel, moederke lief, ’t is ik;’, zei Wit Karlientje. En, de moeder werd al met ‘ne keer zo kwaad omdat het niet dood en was.

En, ze liep zere naar buiten te stratewaard op, naar de meulewal om te ziene of haar Zwart Karlientje nog leefde ; en, ’t lag daar gevallen, en ’t krees bloedige traantjes omdat het zoveel zeer aan zijn beentje had, en niet verder meer voort en koste. En moeder en verstond er heur niet aan, dat Wit Karlientje niet dood en was. En ze gloeide van kwaadheid.

En, ze pakte haar Zwart Karlientje op, en ze droeg het voorzichtig naar huis, en ze legde ’t boven. op zijn beddeke en ze dekte ’t met een schone witte spreê. En, ze liep toen naar ’t zwijnskot, omdat ’t zwijn Wit Karlientje had opgeslokt; en, ze pakte zelf een kapmes om Wit Karlientjes hoofdeke af te kappen; maar, Wit Karlientje vluchtte weg al de kelder en ’t keldergat; en ’t liep zover, zover tot dat zijn moeder het nooit meer en koste krijgen.

En ’t kwam daar nu voor een heel groot water en, ’t en had van verre geen brugge gezien, om over dat water te gaan. Maar, lijk of dat het dichter kwam, staken er ‘ne gehele hoop pekzwarte arms uit, boven het water, een hele, hele reke, wel duizend achtereen en al die handen te gare, dat miek lijk een bree planke om over te gaan.

Maar, Wit Karlientje en dorste niet, en ’t en dorste niet weêrekeren ook, en ’t begoste zo bitter te krijsen. Maar, eindelijk ’t maakte een kruiske, en ’t ging erover. Maar, als het te midden was, die handen waarop dat het tort wierden klauwen; en, ze gingen toe, en ze wilden Wit Karlientje bij d’ hielkes van zijn kloefkes in ’t water trekken.

En, dat waren al waternekkers en bloedzuipers. Maar, al met ‘ne keer kwam er daar een schone witte vrouw over die handen ook gelopen, en, van de die en dorsten de klauwen d’ hielen niet bijtrekken; en, ze pakte Karlientje vast, als het al tot aan zijn elleboogskes in ’t water zat ; en, ‘koest, koest!’ zei ze tegen de waternekkers en bloedzuipers, en ze liep met Karlientje naar de andere kant van ’t water, en ze zag het zo geerne, en ze omhelsde ’t omdat het zo bevallig was.

En, die witte vrouw was daar meesteres van al dat water, en van al de bossen die er rond lagen, en ze had al wat dat ze begeerde. En, ze begoste Wit Karlientje zodanig geern te zien, dat het al hadde gekregen wat dat zijn hertje lustte.

‘Wilt ge schone blauwe druiven eten, Karlientje?’, zei ze, en ze sloeg met een roede op ‘ne wijngaardtak, en hij stond vol schoone druiven.

‘ Wilt ge schone kleeren hebben, Karlientje?’, zei ze; en ze sloeg met heur roede op ‘nen boom, en de boom ging open en hij zat vol blauwe en zijden kleren en linten.

‘Wilt ge varen, Karlientje?’, zei ze en ze sloeg met heur roede op ’t water, en er lag daar seffens een schoon schoon schuitje, met brede roeiers. En de waternekkers en bloedzuipers en dorsten er niet aankomen. En Karlientje woonde daar zo gelukkig, m’en kan niet meer.

Maar, er kwam daar ‘ne keer ‘ne koning voorbij, en hij trompte langs het water en in het bos. En, zere, zere kwam de witte vrouw naar Karlientje gelopen. ‘Karlientje, ‘k moete voort’, zei ze en ge en gaat mij nooit niet meer zien, maar ge moogt twee wenssen doen, en ’t gene dat ge wenst zal alzo zijn; . en de witte vrouw vloog weg.

En, Karlientje wenste nu dat Zwart Karlientje bij hem mochte zijn. En, de blaren van de hoornen ruisten, … en Zwart Karlientje was daar. En de twee Karlientjes waren daar nu te gare.

Maar, Wit Karlientje was altijd spijtig omdat Zwart Karlientje zoo schoon niet en was, of dat het zelve was, en ’t peisde gedeurig om ‘ne wensch te doen, dat ze zouden alle twee gelijk zijn. En, ’t wenste dat ze alle twee hadden veranderd in entwat dat voor alle twee gelijk was. En, lijk of dat het niet en wiste wat dat ze nu gingen worden, kwamen er van de schoonste fijne witte pluimen aan hunne schoêrkes, en ze kwamen eindelijk overal geheel vol met witte pluimkes, en ze werden de twee schoonste zwaantjes die ge kunt peizen; en, ze zwommen sedertdien altijd op het water. En, de waternekkers en bloedzuipers en kwamen er nooit bij of omtrent om ze kwaad te doen.

Maar ’t water wierd ‘ne keer bloedrood, en ze en wisten niet waarvan; maar ’t was de doornhage die hun moeder nu zelve met twaalf stekedoorns gesteken hadde, en ’t was ’t bloed van hun moeder dat in ’t water gelopen was.

Op ‘nen andere keer, hadde ’t water zulk een vergiftigde reuk, en ze en wisten niet waarvan ; maar ’t was de toveres, die vergif van padden in hun moeder haar brui gedaan had; en, ze was half dood van er de ene helft van uit ’t eten, en z’had de anderen helft laten in ’t water vallen.

Maar, ’t water bracht nu ‘ne keer wel honderdduist stikskes vleesch meê, en ze en wisten niet waarvan ; maar, ’t was van de meulenare die zijn meulesteens wel van een ure hooge op hun moeder gesmeten had, dat ze geheel in gruizelamenten vloog, en in ’t water viel, en de smeieringe vaarde nu alzo in kleine stikskes op ’t water. En, de waternekkers, als ze dat nijdig vrouwevlees zagen, z’ hebben er hagedissen van gemaakt; en, ’t is van daar dat d’ hagedissen voortkomen.

…En, Uit patuit, ’t Vertelselke is uit.

Uit ‘Oude Westvlaamsche volksvertelsels’ verteld door A.J. Witteryck in 1889

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>