Woden, de oppergod

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       9 months ago     301 Views     Leave your thoughts  

De oude bewoners van Vlaanderen en van België aanbidden Woden, de oppergod die ze de god van het licht noemen. De maand juni wordt aan Woden opgedragen. Maar er zijn andere goden voor onze voorouders: Thor, Niord, Frô, Tyr, Bragi, Heimdallr (de witte god), Balder, Widur, Vidar, Vali en andere. En dan hebben ze nog Loki, een boze geest die al het goede wat anderen beramen probeert te verijdelen. De Belgen geloven in de veelvermogende kracht van de Nekkers die zich in stromen, rivieren, beken en poelen ophouden. In hun zoektocht naar de godheden vereren de oude Belgen de zon, de maan en het water.

Daarenboven hebben ze huisgoden die ze Runen noemen. Naast een reeks goden bestaan een serie godinnen,, zoals Frigga (de gemalin van Woden), Freya en Isis die de vruchtbaarheid bevorderen. De zuidelijke (meer Keltische) Belgen geloven meer in de god Esus die door een eik wordt verzinnebeeld. Maar ook zij geloven dat de onsterfelijken zich bevinden in stromen, rivieren, meren, vijvers, bornen en putten. Uit die verafgoding van het water zullen geleidelijk aan en via mondelinge overlevering van generatie op generatie oude Keltische en Germaanse waternamen de roepnamen worden van onze Vlaamse dorpen en steden.

Godendienaars hebben een naam die betrekking heeft met hun functie: de offeraars worden Blodmannen genoemd. De bewakers van de heilige plaatsen heten Wihewart. De rechter krijgen de naam “Ewart” en de profeten staan bekend als “Weissager” of “Wetekey”.

De waarzeggers zijn verwant aan de priesters. Hun voorspellingen draaien rond toevallige of onbeduidende zaken die schrik of bijgeloof veroorzaken bij de mensen: het niezen van de ossen, de dampende mest van de dieren, het gezang en geschreeuw van de vogels, het gedruis van de waterstromen, de beweging van de ledematen, de vlucht van trekvogels, het aantal personen die zich aan tafel bevinden, enzoverder.

De wichelaars gebruiken een bepaald aantal witgemaakte stokjes waarop Runische tekens aangebracht zijn. Na het prevelen van een in de waarzeggerij aangenomen formule worden de stokjes op een witte doek gegooid en daarna één voor één opnieuw opgeraapt. De volgorde van het oprapen van de stokjes bepaalt uiteindelijk de inhoud van de voorspelling.

Wichelarij, geneeskunde en gosdienst zijn nauw met mekaar verbonden. Priesteressen hebben grotere profetische gaven dan de mannen: ze krijgen de autoriteit om dromen te verklaren, rampen en onheil te voorspellen uit de stand van de maan. Soms begeleiden ze de krijgers ten strijde, gekleed in een witlinnen wapenrok en met een leren riem rondom de lendenen. Blootsvoets en met wilde haren. Ze onthoofden overwonnen vijanden en gebruiken hun stromende bloed om voorspellingen te doen. De priesteressen zijn meestal oudere vrouwen die de naam hebben van Alrunen of “hazara”. Van die naam is trouwens het woord “heks” afkomstig.

De priesters van Woden’s leer verrichten op regelmatige tijdstippen of ter gelegenheid van bijzondere omstandigheden offerandevieringen om de goden gunstig te stellen. Elk jaar houden ze drie grote volksvergaderingen die als groot volksfeest bezien worden. De eerste volksvergadering vindt plaats in het begin van de lente ter ere van Eoster. De tweede vergadering gaat door als de zon zich in de zomerkeerkring bevindt (de langste dag van het jaar) en het derde feest vangt aan op de kortste dag van het jaar. Het feest van Eoster en van de langste dag zijn de plechtigste vieringen omdat op dat moment het “nodfyr” vernieuwd wordt, het heilige vuur verkregen door twee stukken tegen elkaar te schuren.

Naast de 3 plechtige offerdagen hebben er nog verscheidene andere offerandes plaats, dankoffers om de goden voor ontvangen weldaden te bedanken, zoenoffers om bij algemene rampen de goden te vragen om er mee op te houden en dan zijn er ook nog offerandes om in het geval van gewichtige zaken de hulp van de onsterfelijken in te roepen.

Tijdens de offerande worden dieren van het mannelijk geslacht aangeboden. Aan Thor offeren ze bokken en lammeren, aan Tyr worden paarden aangeboden. Freyr krijgt vette varkens en wilde varkens. Honden en hanen zijn bestemd voor de mindere goden. De watergoden krijgen zwarte lammeren of soms vissen. Alle offerandes worden volgens stricte principe gehouden: de offeraar keert zich naar het noorden, aanziet de hemel, prevelt tegen Woden en stapt rond het altaar.

De godsdienstplechtigheden gaan niet alleen door in de heilige bossen onder de lommer van grote eikebomen, maar gaan ook wel eens door op bergtoppen, aan de stranden of bij draaikolken van stromen en rivieren waarbij ze geroofde paarden en goud ten offer werpen. De eigenlijk offerplaats blijft echter in het heilige woud. Die plaats is omheind door een wal of een haag. In het midden van die besloten kring staat het overdekte en kruisvormige heilige altaar (wihhus). Dichtbij het altaar staat een vat om het offerbloed te ontvangen. Het altaar wordt tijdens de offerande helemaal met bloed bestreken.

De priesters van Woden’s dienst wonen, net zoals de druiden in gewijde bossen en spelonken. Daar wordt ook les gegeven aan diegenen die zich voorbereiden om priester, waarzegger of geneeskundige te worden. Naast de godsdienst, de kennis van de sterren, het menselijk lichaam werden ook de runen aangeleerd, de bijzonderste (oud-Duitse) taal van de Scalden.

Bij trouwplechtigheden wordt de bescherming van de goden ingeroepen. Bij de keuze van een partner spelen gelijkheid, vermogen, leeftijd en lichamelijke sterkte een belangrijke rol. Nadat de keuze gemaakt is wordt een offerviering georganiseerd ter ere van Frô, de god van de liefde en vruchtbaarheid. De priester zegent het nieuwe paar met de hamer van Thor. Man en vrouw geven elkaar een ring als symbool van vereniging. Eènmaal de plechtigheid voltrokken gaan ze aan tafel met hun vrienden en familie. De oude Belgen vergenoegen zich met één enkele vrouw en ook overspel is een schier onbekend gebeuren.

De oude Belgen geloven in de onsterfelijkheid van de ziel. Ze verbranden hun lijken nadat ze ossen en stieren hebben geofferd voor de goden en nadat ze een dodenmaal hebben gehouden. Het effectief verbranden van de lijken gaat door ’s avond, ter ere van Pluto, de prins van de duisternis. Van zodra de doden een bepaalde status hebben, worden hun lijken verbrand samen met de hond, het paard en de kamerknecht van de afgestorvene. De stoffelijke resten van de verbrande helden worden onder geroep van vreugdekreten in een prachtig vat gedeponeerd en in een begraafplaats geplaatst. De as van het gewone volk wordt slechts in aarden bussen gedeponeerd. Het veld waar de stoffelijk overschotten worden bewaard liggen nabij een woud en worden “hel” genoemd.

De rechtspraak is een heilige zaak en wordt gesproken door de priesters. De plaats waar recht wordt gesproken wordt “maelberg” genoemd. De rechters vonnissen veel meer volgens de oorspronkelijk gewoonten en zeden dan naar vastgestelde wetten. De straffen worden volgens de aard van de misdaad geregeld. De schelmen worden tijdens hun bestraffing als voorbeeld publiekelijk tentoon gesteld. Zware misdrijven worden met de dood bestraft, maar dat gebeurt vrij zelden. Verraders van het vaderland en overlopers naar de vijand werden opgehangen aan de bomen.

Sommige overtredingen kunnen met paarden, runderen vrijgekocht worden en een deel van de opbrengst dient gebruikt om de beledigden te vergoeden. De rest gaat naar het land. Overspelige echtgenoten, wat als een schandelijke misdaad wordt beschouwd wordt door de rechter bestraft met een verbanning, weg van de volksstam. Bij die verbanning komen zweepslagen te pas.

Het jaar is in twee delen onderverdeeld: de winter en de zomer. De winter begint met de nachtevening van September. De kortste dag wordt “halfwinter” genoemd en telkenmale wordt dan een joel- of keerfeest gevierd. De zomer vangt aan met de nachtevening van Maart. De langste dag vieren de oude Belgen met de midzomerfeesten. Die heidense feesten zullen later door de St.-Matheusdag en de St.-Jansdag vervangen worden. De mensen rekenen niet per jaar, maar per winters en per nachten (ter ere van Pluto, de god van de duisternis). De langste nacht van het jaar wordt de moeder of havik’s nacht genoemd. Het jaar is in twaalf maanden verdeeld, de “maenlopen” en elke maand is toegewijd aan een god. Elke maand heeft dertig dagen, het overschot aan dagen wordt bij de middenzomermaand gevoegd en gebruikt om feest te vieren. Hierbij speelt het Nodfyr een belangrijke rol.

Elke zeven jaar krijgen de oude Belgen een aanvullende week. De verordening van de tijdrekening wordt, net als andere overleveringen, in zang bewaard. De dagtekeningen worden in runische tekens op stokken gesneden. Het aandenken van de tijdrekening van onze voorvaderen is lang tijd in onze “schapers almanak” bewaard gebleven.

De eerste maand volgt op de korte dag en heet Giuli of Aeftera Geola, of gewoon “wolvenmaand”. De wolf staat hoog aangeschreven bij de oude Germanen die het dier als de overgang tussen de mensheid en het godendom beschouwen. Een andere naam voor de eerste maand is eveneens Thormonath verwijzend naar de god Thor die de stormwinden onder zijn beheer heeft.

De tweede maand wordt Solmonath genoemd, verwijzend naar de koeken (sollen) die tijdens die maand aan de goden worden geofferd. Andere plechtigheden die de latijnse schrijvers ons tijdens deze maand hebben leren kennen is onder andere de benaming “Sprorcalia”, dat later zal evolueren tot “sprokkelmaand”.

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>