Zeisel over katten en honden

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 year ago     313 Views     Leave your thoughts  

Het is algemeen gekend en geweten, dat katten en honden zelden of nooit overeenkomen: van daar zelfs de volksspreuk: ‘ze komen overeen als katten en honden’, die ongelukkiglijk zo dikwijls met reden toegepast wordt op mensen, die door staatsverband of van natuurswege geschikt zijn tot innige vriendschap.

Maar wat minder gekend en geweten is, is de oorsprong of de oorzaak van die ingeboren afkeer tussen honden en katten. Ik zal pogen u dat zo duidelijk mogelijk te verkopen zoals ik het ingekocht heb. Luister:

In de streek waar vandaan alle dieren herkomstig zijn, was er, ik weet niet in welk jaar, een buitengewone droge zomer, bij zover dat de gedurig brandende en blakende zon alle grachten, beken en rivieren had uitgedroogd en dat er in geheel de streek maar één kuil of diepe put meer overbleef, waar er nog water was. Leeuwen en tijgers, beren en olifanten, van de grootste en de wreedste tot de kleinste en de vreedzaamste dieren allen kwamen naar die kuil gestormd, om hun brandenden dorst te laven.

Dat was mij daar een huilen en brullen en klagen; het was drummen en stoten, het was vechten en verscheuren, dat het deerlijk was om aan te zien; en dat alles om de muil in het water te kunnen krijgen.

De vos, de slimme vos, die dat verschrikkelijk toneel stond af te loeren en stil en loos zijn dorst laafde aan het bloed van de gekwetsten of verscheurden, kon het niet langer meer verkroppen noch verdragen. Hij klom op een hoge, hoge boom en riep, met luid gekerm en geschreeuw, al die woedende dieren om zich heen. En toen ze daar allen vergaderd stonden, sprak hij hen toe met deze woorden :

‘Machtige en geduchte broeders, sedert lange tijd reeds zoek ik naar de oorzaak waarom gij, zo machtig, zo fier, zo talrijk, moet onder doen voor de zwakke, kranke mens: waarom gij als slaven uw prachtig lijf moet buigen voor hem; waarom gij moet liggen en kruipen op zijn woord, en vandaag heb ik het gevonden ! Als ik u daar elkaar zag verminken en verscheuren om een druppel water, brak mijn hart en, was het mogelijk, ik zou er bij geweend hebben.

Ah! edele dieren, de twist en de tweedracht zijn de oorzaak van uw krankheid, de oorzaak van uw ellendige toestand: omdat er onder ons geen eenheid bestaat en wij geen bestuur hebben, daarom zijn wij de slaven van den mens geworden.

Zie eens, hoe de mensen het allen eens zijn, eens van wil, eens van gedachte; hoe zij allen onder één hoofd, één koning staan, die hun gebiedt en hen bestuurt; hoe zij allen verenigd hun vijanden bevechten en weten te overwinnen; hoe zij in nood elkaar helpen en ondersteunen; hoe zij behendig degenen weten te straffen, ja zelfs van kant te maken, die onder hen die rust, die eendracht zouden willen storen.

Daarin, en daarin alleen, is de macht van den mens gelegen, daar is de oorzaak van zijn heerschappij over u, edele en machtige broeders. Gij kunt de mensen uitroeien, of ze tot slaven maken naar believen; en, door uw schuld, zijt en blijft gij de ootmoedige dienaars van de mensen. Welnu dan, volg het voorbeeld van den mens; schaar u onder één hoofd, kies onder u een koning, die u zal besturen, gehoorzaam aan zijn wetten en geboden, help en ondersteun elkaar tegen uw aartsvijand, de mens; en, eer deze maneschijn zal voorbij zijn, ligt die nu zo machtige mens bevend en verschrikt aan uw voeten en gij zwaait de scepter over de hele wereld.’

De vos hield op met spreken en zijn woorden hadden diepe indruk gemaakt op de dieren; allen waren overtuigd en wilden zijn raad volgen. De leeuw werd met eenparigheid van stemmen tot koning verkozen en uitgeroepen. Hij aanvaardde zonder veel omhaal en zei, dat hij de vos als raadsman wilde hebben, om naast hem het dierenrijk te besturen. De vos vond het raadzaam nog zeven ministers te kiezen onder de grootste en de prachtigste dieren:

‘Zo is het ook bij de mensen’, sprak hij, en het werd goedgekeurd. Daarna werd er beslist en besloten, dat men, altijd op het voorbeeld van de mensen, zou overgegaan tot het benoemen van andere ambten in het bestuur, en dat ieder die verlangde ergens een plaatsje of postje te vervullen, verzocht was in de volgende dagen te komen wandelen onder de vensters van het paleis van koning Leeuw, waar deze met zijn raad zetelde.

Gij kunt u inbeelden, wat er gebeurde gedurende die dagen: het was een ware processie van dieren van alle slag en grootte, die allen, zo mooi en blinkend mogelijk gewassen en gelikt, in fiere zwier en houding voor het paleis heen en weer wandelden.

Koning leeuw lag met zijn wrede muil door het venster en bezag heel ernstig elk dier of diertje dat voorbij trok. Opeens werd zijn aandacht gewekt door een hond, die flink en preuts voorbij trok, en koning leeuw geheel hoofs en beleefd met kop en staart wist te groeten.

Dat behaagde de koning en hij zei tot zijn ministers: ‘ Dat dier bevalt mij nogal; daarbij is het bekend als trouw en vlug te pote: ik meen, dat men daarvan een allerbeste commissaris zou kunnen maken.’

De ministers waren het met de koning eens en de hond werd, tot zijn grote vreugde en blijdschap, binnen geroepen en tot commissaris benoemd hij was belast met al de bijzonderste boodschappen en zaken van de koning en van zijn ministerraad.

‘s Anderendaags kwam het katje ook langs daar gewandeld: het had zijn kneveltje net gewassen en gewreven, zijn pootjes en zijn borst wit gelikt, en het kwam aan met een lichte zachte tred. De koning had het gauw opgemerkt en het beestje beviel hem; hij zou daarvan een veldwachter maken met stekelknevels voor het ontzag.

Ja maar, de koning wist niet wat voor een beestje het was, noch waar het woonde en de hond werd geroepen en belast dat diertje op te zoeken en zijn naam en woonplaats te vragen. De hond vertrok, rook en snuffelde overal rond, vond weldra het spoor en ging op weg.

‘Verduiveld!’, dacht de hond, ‘ik heb heel mijn leven bij de mensen aan den ketting gelegen; ik weet weg noch steg, ik zal verdwalen en dan … in ongenade vallen bij de koning, mijn plaats verliezen en in armoede moeten leven!. .. Wacht, ik zal het anders doen! Ik zal op alle hoeken en kanten en kruisstraten zo hoog mogelijk met mijn achterpoot mijn naam zetten; zo zal ik mijn weg terugvinden! Verduiveld, nu heb ik het gevonden!’

De slimme hond deed het zo en kwam al snuffelend en ruikend in het land van de katten. De eerste kat, die hij tegenkwam, sprak hij aan en vroeg haar naam. ‘Ik noem kameel ‘, zei ze en stak haar rug op.

‘En uw huismerk?’, vroeg de hond. ‘Op de grenzen van het muizenland, langs de stroom van het kikkergras’, was het antwoord. En de hond met dit bericht naar de koning! Toen hij in de zaal kwam waar koning leeuw met zijn raad vergaderd was, groette hij links en rechts en sprak: ‘Heer koning en heren ministers, dat beestje heet kameel en het woont op de grenzen van het muizenland, langs den stroom van het kikkergras.’

Die woorden waren nog maar pas uit zijn muil of de koning en zijn ministers schoten in zo’n onbedaarlijke lach, dat de hond van schaamte zijn staart stilletjes liet zinken en diep tussen zijn achterpoten introk.

‘Gij hebt u laten bedriegen, commissaris,’ zei de leeuw. ‘Een kameel is een groot beest met een of twee bulten; de mensen gebruiken hem bijzonder voor lastige en verre reizen; tijdens uw afwezigheid, is het ons bekend geworden: mijnheer de tijger kent het beestje en meent, dat het tot zijn ras moet behoren en ‘kat’ heet.’

De hond mocht gaan en hij moest het geen tweemaal gezegd zijn. Maar toen hij buitenkwam, zwoer hij een eeuwige haat tegen alle katten. Sedertdien, als de hond ergens een kat ziet, kookt zijn bloed en hij achtervolgt ze, maar de kat vlucht en, om hem nog bozer te maken, steekt ze haar rug op en spuwt in de hond zijn muil ‘Ik ben een kameel!’.

Uit ‘Zeisels en Vertellingen’ van Jules Leroy uit 1944

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>