Zeven wonderlijke mannen

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       1 month ago     41 Views     Leave your thoughts  

VAN ZEVEN WONDERE MANNEN.

Een zoon kreeg bij de dood van zijn vader een erfdeel van vijf duizend kronen. Daarmee trok hij de wijde wereld in, want hij vond het te nauw op zijn klein geboortedorp.

Hij kwam aan den kant van een bos. Daar stond een man geladen met twee eiken zoo dik als meulenassen.

– Wat doet gij hier? vroeg onze reiziger.

– Ik heb hier twee stokskens hout geraapt om mijn vuurken te stoken.

– Gaat gij mee met mij? ik geef u dagelijks zeven stuivers en den kost. – Ja ik, zeide hij.

En zij gingen voort ….

Daar zat een man op zijn hurksken : hij schudde en beefde alsof ’t in ’t putje van den winter ware, en toch, de zon brandde gelijk een oven.

– Wat doet gij hier? vroeg onze reiziger.

– Ik zit mij hier wat te warmen; want ik heb hier zeven winters in mijn zak zitten en, laat ik éen uit, dan vervriest alles twee uren in ’t ronde.

– Gaat gij mee met ons? ik geef u dagelijks zeven stuivers en den kost. – Ja ik.

En zij gingen voort.

Daar zagen zij ‘nen man lopen zoo rap als een hert, al waren zijn voeten met een koord samengebonden.

– Wat doet gij? antwoordde onze reiziger.

– Ik vang hazen, antwoordde hij.

– Maar uwe benen zijn gebonden.

– Ja, want anders liep ik de hazen voorbij.

– Gaat gij mee met ons? ik geef u dagelijks zeven stuivers en den kost. – Ja ik.

En zij gingen voort.

Daar lag een man met de oren tegen de grond. – Wat doet gij hier? vroeg onze reiziger.

– Ik hoor vijftig uren ver en luister wat er in ander landen gebeurt.

– Gaat gij mee met ons ? ik geef u dagelijks zeven stuivers en den kost. – Ja ik.

En zij gingen voort ….

Daar lag een man in de grond te bijten met tanden zo groot als spitspaden.

– Wat doet gij hier? vroeg onze reiziger.

– Ik maak grachten en sloten.

– Gaat gij mee met ons? ik geef u dagelijks zeven stuivers en den kost. – Ja ik.

En zij gingen voort ….

Aan de duinen van de zee stond een scherpschutter met een boog van vijf meter lang.

– Waar mikt gij naar? vroeg onze reiziger.

– Naar de zwaluw die ginder twee uren ver boven de zee rondvliegt.

– Gaat gij mee met ons? ik geef u dagelijks zeven stuivers en den kost. – Ja ik.

En zij gingen voort ….

Daar lag een man : hij dronk eens en de zee zakte een meter; dan spuwde hij ’t water uit en de omliggende akkers stonden onder.

– Gaat gij mee met ons? vroeg onze reiziger ik geef u dagelijks zeven stuivers en den kost. – Ja ik.

En zij gingen voort ….

Zij kwamen in de hoofdstad van het naburig land. De koning had in zijn hof een hardlooper en schreef juist die dag een wedstrijd uit voor ’t lopen: wie zijn draver overwinnen kon, kreeg zoveel geld als dat een mens dragen kan.

Onze reiziger trok er naartoe met zijn mannen en werd tot de prijskamp toegelaten.

De loper, een der zeven, zou tegen de man van de koning opkomen. De af te leggen weg was vier en twintig uren ….

De lopers waren reeds vijf uren weg.

– Luistervink, zei onze reiziger, luister eens hoeverre onze loper al is.

De man legde zich met de oren tegen de grond. – Hij is, riep hij, zijn tegenstrever een uur vooruit; maar nu ligt hij te slapen met het hoofd op een stuk hout.

– Scherpschutter, beval onze reiziger: tracht hem eens wakker te maken.

De man nam zijn boog en schoot het hout van onder de loper zijn hoofd.

Hij ontwaakte, sprong direct recht en viel terug aan ’t lopen : hij kwam toe vier uren voor de man van de koning.

Nu moest er betaald worden.

Onze reiziger ging om ’t geld met zijn reus. De koning nam een groten zak en vulde die.

De reus kwam er met zijn éen vinger aan en hief hem op.

– ’t Is maar een pluim, zei hij al lachend. De koning bracht een nieuwe hoop geld.

De reus nam den zak, wierp hem met zijne hand omhoog en ving hem terug.

– ’t Is maar een speelding, zei hij.

Nog werd er geld aangebracht; maar altijd was het pak de reus te licht, tot dat de koning kwaad en beschaamd belijden moest dat al zijn kassen en kisten leeg waren.

Nu trokken onze mannen blij voort: zij waren rijk zonder einde of maat.

Maar de koning die al zijn schatten kwijt was, liet hen niet lang gerust. Hij deed in de haast al zijn soldaten bijeenroepen en zette zich op weg om onze reizigers aan te randen en hun goud te bemeesteren.

Op de baan legde de luistervink, uit enkele nieuwsgierigheid, zijn ooren eens tegen de grond.

– Vrienden, sprak hij, de koning zit ons op de hielen; wij moeten ons haasten of wij vallen in de handen van zijn soldaten en verliezen al ons geld.

Ja!… weldra zou de koning hen inhalen: zij zagen hem reeds op de baan naderen.

– Graver, zeiden de gezellen, toont uw kunsten.

Onze man zette zijn tanden in de grond en op korte tijd was er achter hen eene grote diepte.

– Dronkaard, nu is ’t aan u, zeiden zij.

De gezel liep naar den naaste stroom en spuwde de diepte vol water, zodat zij een wijde gracht werd.

– Laat de soldaten maar in ’t water komen, zei de vriezeman, ik zal ik ze wel vastzetten.

De koning kwam met zijn leger voor de gracht. – Baadt door het water, gebood hij.

Wanneer al de soldaten samen met den vorst tot aan de buik in het nat stonden, liet de vriezeman een winter uit zijn zak vliegen: al het water werd ijs en gans het leger zat vast.

Nu waren onze mannen vrij. Zohaast zij over de grenzen van het vijandelijk land waren, ledigden zij hun zak, verdeelden rechtvaardig het goud onder elkander en scheidden, met een hand en een groet, gelijk beste vrienden.


Uit ‘Rond den Heerd’ van 1888

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>