Zonnebeke voor de grote oorlog

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       2 years ago     701 Views     Leave your thoughts  

Van op de kerktoren te Zonnebeke kan men aan de horizon minstens een dozijn windmolens tellen. Deze bevinden zich meestal in de omliggende gemeenten. Op eigen grondgebied zijn er in 1914 nog slechts vijf bewaard gebleven. De laatste kwarteeuw ziet er nog twee verloren gaan dicht bij de dorpskom, nl. :

– De kasteelmolen, tussen kasteelhoeve en Iepersteenweg, eertijds duiventoren van de abdij. De erfgenamen De Laveleye hebben hem, samen met de hoeve tekoop gesteld op 21-1-1843. De familie Iweins, die reeds eerder eigenaar geworden is van kasteel en park, verrijkt hiermee nogmaals haar bezittingen. De hoevebewoner Henri Verfaillie is er lange jaren molenaar. Een najaarsstorm in 1890 verwoest het stenen bouwwerk, en het wordt niet heropgebouwd.

– De Grote Molen, ook genoemd Abtsmolen of St. Antoniusmolen, is waarschijnlijk de oudste van Zonnebeke. Hij verheft zich op de noordelijke hoek van de Grote en Kleine Molenstraat. Edward Hooghe is er de laatste molenaar. Hij bewoont de hoeve aan de zuidzijde van de Grote Molenstraat. De molen is zeer bouwvallig, en wordt omstreeks 1905, onder het oog van talrijke kijklustigen, met dikke touwen omver getrokken.

Over de vijf nog in werking zijnde molens, deze korte gegevens : 1. De Broodseinde-molen, gelegen aan de noordwestzijde van het kruispunt met dezelfde naam. Opgericht in 1799 is hij de hoogstgelegen molen op de gemeente. De onderste van de drie verdiepingen heeft vele jaren gediend als stampkot om olie te persen. In 1867 wordt de molen verkocht aan Louis-Edward D’Hooghe, die beslist alle olievaten e.d.m. weg te maken, en alleen nog graan te malen. Vóór de wereldoorlog is het maalbedrijf in handen van zijn zoon Désiré – Henri D’Hooghe.

Te vermelden : de houten staak wordt in 1912 door de bliksem gekloven en vervangen door een ijzeren staak. Tijdens de eerste oorlogswinter zal deze ijzeren staander boven de puinen van Broodseinde blijven opsteken.

2. De Kleine Molen op de hoogte voorbij het station, rechts van de Langemarksteenweg. Deze houten molen is eigendom van Henri Maertens. Hij koopt hem in 1866 van Désiré Verfaillie. Het molenhuis, tevens klein landbouwbedrijf, staat aan de overzijde van de straat. Van hier loopt een veldweg naar de verdwenen Grote Molen. Beide waren immers in de vorige eeuwen eigendom van de abdij.

3. De Oliemolen of Stampkot, langs de Kleine Molenstraat. Deze houten molen op stenen onderbouw dateert van 1750. Gebouwd op abdijgrond, staat hij bekend als snuifmolen. Hij wordt als dusdanig verkocht op 12-9-1832. De koper Franris Renty laat de snuiffabricage varen, en specialiseert zich in het persen van koeken uit kool-en lijnzaad.

Voor de oorlog berust het bedrijf bij de gebroeders Kamiel en Sylveer Leuridan, familieleden van voornoemde.

4. De Frezenbergmolen is een achthoekige molen op stenen onderbouw. Hij staat ten oosten van de Frezenbergstraat op ongeveer 150 m van het kruispunt met de Iepersteenweg. Hij werd gebouwd in 1815 door Francois Vandevivere. Na zijn dood blijven de zonen het bedrijf voortzetten : Désiré als bakker en Edward als molenaar. In 1914 staan als molenaars bekend : Jules en Achille Vandevivere, zonen van Désiré.

Als snelste molen uit de omgeving beschikt hij over twee paar molenstenen op de zolder en een paar op de benedenverdieping. Deze laatste kunnen ook in werking gesteld door een stoommachine, geleverd door Henri Hoflack uit Zonnebeke.

5. De Westhoek-molen van de gebroeders Felix en Henri Mylle. Beide broers, echte knutselaars die reeds talrijke nimiatuunnolenfjes hadden getimmerd, hebben deze houten molen opgericht rond 1900. Achthoekig van vorm vertoont hij veel gelijkenis met de bekende Hollandse molens, en is de enige van dit soort in de provincie. Rondom is een houten gaanderij op ± 1 meter hoogte. Hij bevindt zich langs de Oude Ieperweg ten oosten van de Frezenbergstraat. Felix Mylle is er de eerste molenaar, opgevolgd door zijn zoon Jules.

Samenwerkende Melkerij Sint Jan.

Deze eerste Zonnebeekse zuivelfabriek wordt opgericht door de Boerenbond aan de rechterkant van de Iepersteenweg, halfweg tussen het klooster en de « Voerman ». Met Pasen 1907 treedt ze in werking, met als directeur Jozef Pil, oudste zoon van het schoolhoofd. De machines worden geplaatst door een firma uit Enghien. Weldra trekken de melkvoerders met paard en kar van hoeve tot hoeve om de melkkruiken op te halen. In de fabriek wordt de melk ontroomd en gekamd. De afgeroomde melk wordt aan de landbouwers terugbezorgd.

Er zijn vier werklieden tewerk gesteld, onder wie Jules Dewulf als machinist. Men produceert alleen maar boter, die elke avond met de stootkar naar het station wordt gevoerd, vanwaar ze de volgende morgen met de eerste trein naar Brussel wordt gestuurd.

Constructiewerkhuizen.
Gezien Zonnebeke hoofdzakelijk een landbouwgemeente is, telt het dorp meerdere ambachtslui waar de boer terecht kan voor de aankoop of het herstellen van zijn hoevetuig. Enkele voorbeelden : Langs de Ieperstraat ontmoeten we achtereenvolgens hoefsmid Charles Vanbiervliet (café « Het Wit Peerd »), gareelmaker Charles-Louis Vanhaele, en wagenmaker Henri Degraeve die het bedrijf heeft overgenomen van de overleden Charles-Louis Dehouck.

Verder woont smid Edmond Devos, gekend uren in het ronde om zijn spaden. Voor de oorlog gaat hij ook fietsen maken en opent een « café des Sports ». Op de Frezenberg woont timmerman Kamiel Masschelein, die in alle bladen reclame voert voor zijn gebreveteerde broedmachine «la Parfaite ».

In de nabijheid van het station wonen Emiel Vallaey en Arthur Wullepit, beiden handelaars in zaaimachines, aardappelrooiers en allerhande landbouwalaam. Doch de grootste bekendheid verwerven twee constructiewerkhuizen, waarover een paar bijzonderheden:

a. Werkhuizen Hoflack.
Henri Hoflack is een landbouwerszoon, geboren in 1864. Van jongsaf heeft hij bijzondere belangstelling voor de lokomotieven die over de pas aangelegde spoorweg heen en weer rijden. De boerenstiel lokt hem niet aan. Veeleer wil hij zijn schrandere geest en technische aanleg ten dienste stellen van de landbouw. De zware handenarbeid wil hij lichter maken met mechanische middelen. De stoommachine is voor hem het wondertuig dat alle problemen zal oplossen.

Na zijn huwelijk met Eugénie Nollet uit Passendale, bouwt hij een eerste constructie-atelier langs de Roeselaresteenweg. Hoewel de logge stoomtuigen (ook « duivels» geheten) geen eigen beweegkracht hebben, en slechts moeizaam door drie paarden worden voortgetrokken, betekenen zij een enorme vooruitgang, vooral in de oogsttijd.

Met een zelfgebouwde dorsmachine rijdt hij van hoeve tot hoeve om in enkele uren het werk te verrichten dat vroeger meerdere weken vergde.

In zijn werkhuis bouwt hij een maalinstallatie. En omdat hij het vertrouwen en de gunst geniet van de landbouwers, wordt hij meteen een geducht concurrent van de andere molenaars. Wind of geen wind, bij Hoflack wordt steeds gemalen. Bekend geraakt hij ook bij de foorreizigers als bouwer en hersteller van draaimolens.

Hij ontwerpt een overdekte kermismolen met op- en neergaande paarden. Deze wordt verkocht aan een zekere Bekaert uit Brussel. 60 jaar lang zullen de honderden elektrische lampjes en het glanzend koper van deze « caroussel» een feeërieke sfeer brengen op de hoofdstedelijke kermis.

In opdracht van foorkramer Lagae uit Menen bouwt hij op het terrein naast zijn atelier een tobogan. Iedereen spreekt over deze « Montagne Russe », die van stad tot stad reist, zelfs in Noord-Frankrijk. Elk jaar worden er veranderingen aangebracht, en er gaat zelfs een familielid mee om te helpen bij het opstellen of voor gebeurlijke reparaties.

Op de Zonnebeekse kermis komt tot in de 30-er jaren de zwiermolen van Bintein uit Staden. Ook voorzien van het merk « Hoflack ».

In 1907 volgt een andere stunt. Ter gelegenheid van de pastoorsinstallatie rijdt hij in de feeststoet met een locomobiel. Een stoommachine, geplaatst op een wagen, duwt puffend en rokend de wagen vooruit, net als de eerste automobielen. Aan elke bocht van de weg moet het tuig met mankracht in de goede richting verplaatst worden.

In hetzelfde jaar gaat hij zich specialiseren in het bouwen van zelfkruiende molens. Op een ijzeren gebint van ± 15 m hoog plaatst hij een.horizontale as van 4,5 meter lengte. Aan de ene kant van die as zit een groot wiel met beweegbare schoepen. Aan het andere uiteinde van die as zit de staart, die door de wind in de juiste richting wordt gedreven. Dergelijke zelfkruiers bouwt hij te Langemark, te Boezinge, te Beveren-IJzer, te St. Jans Cappel, en ook te Zonnebeke op de hoeve van Henri Knockaert langs de Maerlestraat. Als vader van een groot gezin zal hij ook zijn zonen opleiden tot bekwame werktuigkundigen, die na de oorlog de faam van het huis Hoflack verder hoog zullen houden.

Uit ‘Zonnebeke 1914-1918 – Dood en heropstanding van een dorp’ – door Aleks en André Deseyne (1976)

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>