Zuk ne schijnheiligaard

Posted by  ivan.vanherpe@westhoek.net   in       8 months ago     245 Views     Leave your thoughts  

Volkse heiligen

We willen de tachtigjarige jubilaris nog niet heilig verklaren, maar ik dacht dat een praatje van wijlen Jan Soete over volkse heiligennamen niet zou misstaan in een huldeboek, opgedragen aan een historicus die in zijn loopbaan ook al wel eens aan hagiografie heeft gedaan.

Zelden sieren de heiligen onze volkstaal met hemelse luister, vaker met bedenkelijke vroomheid. Ze krijgen toegang tot de volksspraak zowel door de Latijns-Romaanse triomfboog als door de Germaans-Dietse poort.

Een heilige heet in het Latijn ‘sanctus’, ons vooral bekend uit het sanctus van de mis, maar dat in het dialect’ de sanctus’ heet. Dit ‘sanctus’ werd vroeger ook geantwoord op de toverformule ‘hokus pokus wa(t) gaat ’t zijn?’, terwijl de bikkels, de noten of dobbelstenen gegooid werden.

De bikkels heten in het Kortrijks pekkels en waren oorspronkelijk kootbeentjes uit de hiel van een schapepoot, Het bikkelspel was eigenlijk een meisjesspel, wat o.m. blijkt uit Vondels’Uitvaart van mijn dochterken’ (1633), waarin hij het kinderspel van Saartje oproept’met bikkel en bonket’. Die bonket was de grote knikker of stuiter van elpenbeen, ook banket of bonker genoemd en in het Wvl. algemeen als’bolleket’ bekend. De bikkels zijn intussen kleiner geworden en van metaal (lood) gemaakt. Het is bovendien al lang een jongensspel geworden, dat wel nog niet helemaal in onbruik geraakt is, maar toch veel minder gespeeld wordt dan in mijn kinderjaren. Toen had op de speelplaats elk spel a.h.w. zijn eigen seizoen. Het bikkelspel werd gespeeld van maart tot mei. De jongens zaten in groepjes aan de randen van de speelplaats te bikkelen.

Maar terug naar onze ‘sanctus’, uitgesproken bij een heildronk – als met de glazen geklonken wordt – is vermoedelijk een volkse latinizering van het overbekende Franse ‘santé’, waarvoor we nu liever in goed Nederlands’gezondheid’zeggen.

De macht van God en het heilige vond makkelijk een afstraling in krachttermen en de overbekende bastaardvloeken. Zo zou het ons niet verwonderen als ‘sanctus’ook in’santewante’ (een oorveeg) schuilde, een synoniem van ‘fleter’ (draai rond de oren) en ‘kaaksmete’.

De oorspronkelijke betekenis van ‘sanctus’, namelijk ‘heilig’, vinden we terug in het West-Vlaams ‘zantje’ of het Kortrijks ‘zintje’ (een erg braaf en vaak schijnheilig kind), oorspronkelijk een ‘heiligenprentje, heiligenbeeldje’, dus een vroom plaatje met de afbeelding van een heilige. Zo was er het ‘eerste communiezintje’, dat evenwel – toen de communikantenleeftijd vervroegd werd en de communieplechtigheid met vormsel op 10-jarige leeftijd overgedaan werd – een ‘plichtige communiezintje’ werd. Een doodsprentje of bidprentje is een ‘doodzintje’. Maar Kortrijks’ zintje’ uit ‘zantje’ (vgl. Kortrijks ‘frindje’ uit ‘franje’) kreeg de ruimere betekenis van gewoon ‘prentje’, zoals bijvoorbeeld in ‘blaa(r)szintje’, het Kortrijkse woord voor een prentje uit mannekensbladen, die aan de hedendaagse stripverhalen beantwoorden.

Een paar voorbeelden in hun context: ‘kijk ze, a’je nog al(h)ier kom(t), ‘k ga u ’n santewante draaien, da je bluuf zitten lik ne plakwaaier; kijk ne keer (h)ier ’t e (s) nog ’t ee(r)ste communiezintje van mijn nonkel; drukt je gulder plichtige communiezintjes?; da(t) doo(d)zintjen e(s) ne ke(er) schoon(e) ipgestel(d), ’t es voorzeker van onzen ipperpaster; j’êd ievers me(t) zijn katte gevochten, zijn aanzichte ’t e(s) lik’n blaaszintje’.

Het latijnse sanctus werd in het Frans ‘saint’ en in het West-Vlaams ‘sent’, in het Kortrijks ‘sen’ of ‘sente’ uitgesproken. De vorm ‘sente’ komt voor ‘sente Pieter, sente Maarten, sente Baafs, sente Rokus, sente Kloos’. De onverbogen vorm sent verliest in het Kortrijks klankmatig de auslaut-t ; ‘sennikloos, sen Tomas, semmichiel, sennijs’ en ook ‘sen tsjozep’, dat intussen al helemaal verouderd is, maar dat onderscheiden werd van ”t sen zezif’ of het Sint-Jozefsinstituut. Als de heiligennaam met een klinker begint, kun je natuurlijk moeilijk horen, of de verbindingsklinker tot ‘sinte’ hoort, of de verdoffing is van de beginklinker van de heiligennaam :’sent Amang, sent Elooi, sente Lizabeth’.

De klinker is verdoft in ‘Sint-Anne, Sint-Jan, Sint-Jansstrate, Sint-Jansput’, ofschoon de naam van het feest en de kerk van Sint-Jan een gesloten i in sint heeft ‘sintjan’, waarschijnlijk onder invloed van de palatale klank van tsj(an).

Ook bepaalde ziekten worden in de volkstaal met heiligen geassocieerd: sen Marcou (koningszeer), sent-antoniusvier (gordelroos), sente katrienewiel (ringworm). De hele boel is de hele ‘sente boetiek’ en ‘sentewerk’ is een kinderspel, dat als volgt in zijn werk gaat: de ene speler beeldt door gebaren een beroep, werkwoord of werkzaamheid uit en de andere heeft er het raden naar; in dit ‘stommen ambach(t)spel’ moet telkens een pand worden gegeven, als de andere speler het niet raden kan. Het spel heeft zijn naam ontleend aan de straf die de kinderen tot inlossing van hun panden moeten ondergaan, want deken Debo verklaart sintewerk als ‘tegenspoed die ons overkomt als een straf van eenen heilige dien men beledigd heeft’. Achteraf worden dan de grilligste opdrachten gegeven, als de andere althans zijn panden terug wil krijgen.

De volkse heiligen komen vanzelfsprekend voldoende aan hun trekken in de volkse rijmelarij en de volksliedjes. Een vanouds zeer populaire heilige, de kinderheilige, is Sinterklaas. Er bestaan natuurlijk van stad tot stad en zelfs van dorp tot dorp varianten van deze volksdeuntjes.

In Gullegem zingen ze:

Sent Neklaais kapoentje
bring wad in mijn skoentje
en ool dat er nie in en kan,
geeft ’t an den arme man.

Van het laatste versje is er de variant : leg ’t ip de veisterbank.

De vorm skoentje, i.p.v. skoetje, verraadt natuurlijk de vreemde herkomst.

De geografisch ruim verspreide volksliederen zijn trouwens voor de studie van de dialecten over het algemeen weinig betrouwbaar.

In Kortrijk zongen de kinderen eertijds:

Sente Nikloos ga ’t avon(d) kommen,
me(t) zijnen tabbaar(d) g(eh)eel vul blommen,
en je bring zoveel bombong,
trommels en fluiten en violong

We wijzen hier weer op de uitspraak van ‘fluiten’ met de Nederlandse ui-tweeklank, wat ons nog eens duidelijk maakt, dat veel volksliederen eigenlijk in een soort benaderende standaardtaal gezongen werden.

Of het volgende liedje;
Sint Niklaas zal t ‘avond komen,
lekker en bon,
met zijn ezeltje zwaar geladen
’t kan niet gaan.
Kousen en schoenen staan te proenken
al in den heerd.
A’s we slapen dat we roenken,
komt er een peerd.
Komt er een peerd met enen groten heiligen man.
‘k Gaan zovele voor je lezen.
Breng maar bonbong, heilige man (bis).

of

Moeder, ‘k ê Sennikloos gezien
onder de boornen, onder de boomen,
moeder’k ê Sennikloos gezien.

Dit brengt ons meteen bij Sint-Maarten, die andere kinderheilige:

Sente Maartens aven(d)
den torre ga mee naar Gen(t),
en os mijn moeder wafelkes bak(t),
ik zitte’r zo gêren entren(t)
maak vier, staak vier
sente Maartens kondelier
me(t) zijnen blooten aarme
warme, warme liere
ter eere van sente liere
ter eere van sente lap, lap, lap,
‘k ete mijnen buuk vul zoetepap.

Er bestaan van dit lied talrijke varianten, waarvan M. Cafmeyer er enkele geeft.

We citeren hier alleen haar versie uit Sint-Eloois-Vijve:

Sinte Maarten avond, de torre gaat mee naar Gent,
en als de boerkens wafelkens bakken,
ze zitten d’er zo geern omtrent.
Waakt vier, maakt vier,
Sinte Maarten komt alhier,
met zijnen bloten arme,
hij zoudt hem zo geerne warmen
Warme, warme vierke,
’t is ter ere van Sinte Lierke,
’t is ter ere van sinte Lap.
‘k ete mijne buik vul zoete pap,
‘k ete mijne buik vul taarten,
’t is ter ere van Sinte Maarten
’t is ter ere van Sinte Boele, boele, boel.

Laten we nu eens de Kortrijkse volksrnens aan het woord, als hij het -vaak op oneerbiedige wijze- over onze heiligen heeft: ‘kijk ze, ‘k ê nog vandage al ’t sennekloosstratje gepasseer(d); ‘k ben der nu wel mee, ‘k ê mijne sente Pieter vergeten (ik ben mijn sleutel vergeten); sente treze stikkelbeze; sent antonius met zijn zwintje; ga je Cecilia vieren?;(h)oe, weet je ’t nie(t), ter es oolsan concert me(t) sen Cécile; j’ en kostege gene letter lezen (ook: geen note muziek) al zoo groo(t) of sente Maartens zijn torre; j ‘e(s) van sin tomasvolk (een ongelovige Thomas); z’ es ook bezig me(t) sint-anne te coifferen.

Aje zot zijt, ge moet ’t zeggen, me gaan u na(ar) sent anne voeren; wanneer es ’t nu sint jan in d’olie?; a’ je’n katrienewiel ê, ge moet er uje trouwrink ipleggen; j’ e(s) leelik angedaan van sente Marcou, ’t zijn al naan (naden) in zijne nekke (ook: j ‘ê ne krentenekke); j ‘e(s) vul sen Marcou in zijne nekke; wa(ar) moe je gaan dienen vo sent antoniusvier?; minschen, ga(an) me sentewerk spelen?; ja ‘m, a ’t geen duivelsspel en e(s); ze vloogen buten me(t) g(eh)eel (h)uldere sente boetiek.

Goedkope kinderrijmpjes werden trouwens vaak als scheldwoorden gebruikt;

‘Marianne sosepanne,
Renéte patéte,
Moniekske kiekske,
Jules den uil,
Sootje in zijn blootje,
Paul pak ’t al
Franste petanste,
Franste kadanste,
Franste vakanste,
Jan die koeken bakken kan,
Cécile met heuren automobiel

Zo gemeenzaam was bij het volk de omgang met zijn heiligen, dat het epiteton ‘heilig’of ‘sent’ vaak weggelaten kon worden, ja dat de heilige zelfs allervertrouwelijkst gediminutiveerd kon worden. Zo spreken ze in Kortrijk nog altijd van (Toontjes kêrke, Toontjes stratje; den kopernen tone; trezekes beel(d); Toontje, a ‘je mij me en ver(h)oor(t), ‘k ga nu met u aanzichte na(ar) de meur draaien; (of) …’k en ga u geen luchtje mê geven; (of) …’k ga u in de kelder steken ; ‘k ga ’n novene van nege(n) dagen begunnen vo trezeke; ge zoudt de madeliêne nie mê verkennen; ’t e(s) lik Maurus van Bavikhove, je knik(t); ze zijn na(ar) Cornelis gaan dienen vo de dexcessen; ‘k wits wonder wa(ar) da ‘k zou an Bamespruimen geraken’.

Sommigen vervallen dan wel ‘ns in het andere euvel en zeggen: ‘denen trouw, da(t) ga(at) vo(or) sent onze lieve vrouwe zijn’.

Het woord ‘heilig’ is natuurlijk van inheemse oorsprong. Heilig, in het Engels ‘Holy’, Duits ‘heilig’ heeft het onder invloed van de Angelsaksische missie gehaald op het andere Germaanse woord ‘wih’, dat we nog terugvinden in wierook en wijwater. Kijk maar naar Weihnachten dat het synoniem is van Heilige Nacht.

We vinden het woord ‘heilig’ terug in ‘den (h)eilige man Job’ naast ‘sent-Job’, ‘d ‘heilige Trezia’ of ’t heilig Trezeke’, ‘den heiligen Augustinus’, ‘d heilige Barbara’ tegenover ‘sen Barbe’ vieren en de herbergnaam ‘Sente Barbara’ en de voornaam ‘Barbelke’, die zeldzaam wordt. Dan is er nog ‘d ‘heilige Dinfna’ en ‘d heilige Clara’ tegenover ‘d aarme klaren’. Afleidingen en samenstellingen met ‘heilig’ zijn ‘heiligheid, schijnheilig, schijnheiligaar(d), schijnheilighei(d), heiligdag’.

Nu nog een korte allerheiligenlitanie: ‘ê je gij nog nooi(t) d’heilig haarpersessie gezien?; d’heilig bloe(d) persessie; de persessie van den heiligen doorn; dad en es (h)ier nie (h)eilig’; ‘ge zijt daar heilig mee ‘wil zoveel zeggen als ‘ge zijt er wel rnee ‘of ‘ge zijt er nen (h)iêre me’; ‘vo(or) wiens zijn heiligen moe ‘k nu al me(t) ne kê thuus bluven?; wêrken es zalig en niet doen es heilig; g(eh)iêl den heilige (of godsche) zundag êt ie ip schok gewes(t); z’e(s) gestorven lik ’n begijntje, zo (h)eilig; ’t es ook zuk ’n heilig bitje; da(t) ligt da(ar) buten alle gods (h)eiligen; je kan wel den (h)eiligen uut(h)angen; zuk ne schijnheiligaard, je zoud ‘ons (h)iêre ne vlassenen baar(d) andoen, je zoudt ‘ons (h)iêre van zijn kruus (h)alen (lezen), ge zoud ‘em ons (h)iêre geven zonder biechten; je stink van (h)eilighei(d); k ‘ê al d'(h)eiligen uut den (h)emel te kiêre gegaan’.

Uit de oneerbiedigheid van de volkse zegswijzen blijkt eens te meer de vertrouwelijke omgang van onze voorouders met de ‘ gemeenschap der heiligen’.

J. Soete en F. Debrabandere in ‘Leiegouw’ van 1976

No Comments

No comments yet. You should be kind and add one!

Leave a Reply

You can use these tags:   <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>