banner
Jun 22, 2021
1096 Views

Brand aan de Kalfvaart

Written by
banner

24 april 1915. We staken in de vroegte ons hoofd op straat. Het was onze derde nacht in de kelder geweest. Een bange nacht. Een rode gloed verlichtte de stad. Vader en tante waakten om beurt en gingen elk kwartier naar de zolder kijken. Er was geen levend wezen te zien. De stad scheen uitgestorven, we voelden ons zo alleen. De zon scheen maar er waaide een koele noordenwind. Ons tuintje was helemaal omgewoeld, een trechter van ongeveer 1 meter diameter was er in geslagen.

We vonden er een zwaar stuk gebogen ijzer. Ons koertje lag vol brokken baksteen, pannenbrokken en aardklompen. We hoorden de muur van grimmig artillerievuur die ons sedert maanden beschermde achteruit wijken en terugplooien tot achter de stad. Ze vuurden driftiger dan ooit en kruisten hun fluitende bogen als lange degens met deze van de vijand in een hardnekkig aangehouden duel. We wisten op de duur niet meer welke we het meest te vrezen hadden.

We verbleven meestal in de kelder en namen er het noenmaal dat bestond uit een boterham met zwarte koffie. Kort na de middag grijnsde een zware granaat in onze richting. Een helse ontploffing deed de kelder wiegen. Wat later ging vader kijken aan de voordeur. Bij zijn terugkeer vertelde hij dat er een 420-er moest ingeslagen zijn op de Kalfvaart en dat heel de straat open lag. We waren nieuwsgierig en gingen ook kijken.

De brandgeur waaide ons tegen. Aan de westzijde van de Kalfvaart stonden een paar huizen in brand. Rook en vlammen sloegen door de glasloze ramen, wapperende gordijnen vatten vuur en gaven de brand door aan het aanpalende huis. De vlammen likten aan de kroonlijsten tot ze krakend naar beneden stortten. De brand had in principe kunnen geblust worden maar niemand stak een hand uit.

De bewoners moesten allemaal gevlucht zijn. Ieder huis veranderde in een vuurpoel. De daken stortten in en deden een zee van gensters opstijgen die door een krachtige noordenwind opgejaagd werden. Het was akelig om zien. Terwijl we buiten stonden, kijkend naar de brandende huizen viel er mij een geur op die ik niet terecht kon wijzen, een geur die ik voordien en achteraf ook nooit meer waargenomen had.

Mijn broer en zuster die naast me stonden grepen opeens naar hun keel, hun ogen traanden en hoestend en proestend liepen ze naar de kelder. Achteraf bleek dat de geur afkomstig was van de tweede gasaanval der Duitsers en dat het gifgas met de noordenwind vanuit Langemark tot bij ons was gewaaid.

Later op de dag ging ik nog eens kijken naar de brand. Boven de daken van de Torhoutstraat rezen enorme rookzuilen op. Het college en de Sint-Jozefschool moesten in brand staan. Ook de Sint-Jacobskerk leek te branden. Meer naar rechts gingen rook en vlammen de hoogte in. Volgens vader waren dat het gerechtshof en de bibliotheek. Het was een speciaal zicht, we waren bijna ingesloten door allerhande brandhaarden en vooral deze van de Kalfvaart naderde ons huis nu toch wel vervaarlijk.

Terwijl we op de branden toekeken raakte vader gekwetst. Een granaat ontplofte tussen de Diksmuidepoort en ons huis. Vader riep ‘ai’ en sloeg zijn hand aan zijn wang terwijl zijn hoed de gang inrolde. Vader hield zijn hoofd gebogen en liet het bloed neerdruppen terwijl hij zijn zakdoek zocht. Moeder werd ondertussen gerustgesteld, het was niet erg. Tante waste de wonde uit en legde een verband en wij vlogen in de kelder met een streng gebod om daar te blijven. Vader en tante hielden verder toezicht op de brandende straat en gingen daarvoor naar zolder.

Tot hun verrassing lag het dak open. De pannen waren af gedaverd tot in de dakgoot. De toestand zou nog dramatischer worden. Rond 17u werd er op de deur gebonsd. Het was onze buurman Elie Soete die kwam vragen of vader zou willen helpen met het blussen moest de brand overslaan aan onze kant. Wat mijn vader uiteraard wilde, vooral omdat Elie pompier was geweest en wel iets kende van blussen.

Later op de avond gingen we nog eens kijken naar de brand. Een tiental huizen waren aan het branden of waren reeds uitgebrand en wanneer de felle noordenwind de as deed gloeien leken de uitgebrande huizen op een reusachtig inferno. We waren nog niet op de hoogte van de gasaanval en het debacle aan het Franse front. Niemand van ons wist hoe er tussen de Boezingevaart en Sint-Juliaan een gat in het front was ontstaan, zodat 3 à 4 km onverdedigde grond ons van de vijand scheidde.

Zo werd de Kalfvaart, de meest noordelijke wijk van de stad – ooit nog de meest gespaarde – nu plots de meest bedreigde. De Duitse granaten gierden altijd maar driester en talrijker. Ze barstten open rond ons en lieten niets dan puin achter. Bogen van snerpende geluiden spetterden open tot krakende gewelven die ons overkoepelden bij nacht en bij dag. Het bevel van de militaire overheid tot ontruiming van de stad bereikte ons niet. Waarschijnlijke durfde de Engelse ‘nurse’ die belast was om dat bevel door te geven niet eens onze gevaarlijke wijk te betreden.

Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw

Article Tags:
· · · · · · ·
Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *