banner
Jan 3, 2019
2088 Views

Acht parochies op weg naar vrijheid

Written by

Vlaanderen was aan het einde van de 9de eeuw tot het einde van de 18de eeuw een graafschap, waarvan het grondgebied thans gedeeltelijk tot België, Nederland en Frankrijk behoort. Het was verdeeld in ‘Kroonvlaanderen’, en ‘Rijksvlaanderen’. Eerstgenoemde omvatte ‘Vlaams-Vlaanderen’ en ‘Waals-Vlaanderen’.

banner

Vlaanderen, de kasselrij van Veurne en de acht parochiën

Vlaanderen was aan het einde van de 9de eeuw tot het einde van de 18de eeuw een graafschap, waarvan het grondgebied thans gedeeltelijk tot België, Nederland en Frankrijk behoort. Het was verdeeld in ‘Kroonvlaanderen’, en ‘Rijksvlaanderen’. Eerstgenoemde omvatte ‘Vlaams-Vlaanderen’ en ‘Waals-Vlaanderen’. Tot ‘Waals-Vlaanderen behoorden de kasselrijen van Rijsel, Dowaai en Orchies. ‘Vlaams-Vlaanderen’ omvatte het Vrije van Brugge en de negen kasselrijen; Gent, Oudenaarde, Kortrijk, Ieper, Belle, Cassel, Broekburg, Wint-Winoksbergen en Veurne.

Door het verdrag van Utrecht (1713) gingen ‘Waals-Vlaanderen’ en het gebied tussen de Aa en de westgrens van het huidige West-Vlaanderen met de kasselrijen van Sint-Winoksbergen, Cassel, Belle en Broekburg (huidig Frans-Vlaanderen) voorgoed in Franse handen over.

Na de verovering van de Oostenrijkse Nederlanden door Frankrijk in 1794 werd Vlaanderen in twee departementen ingedeeld; Lys en Escaut, die naderhand de provincies West- en Oost-Vlaanderen werden.

In 1713 bestond de westerhelft van het huidige West-Vlaanderen, met Ieper als hoofdplaats, tevens zetel van het bisdom en de gewone verblijfplaats van onze landsheren uit 1)De stad Ieper, 2)De Zale en de kasselrij van Ieper, 3)De stad en ’t Ambacht van Veurne, 4)De stad en de kasselrij van Waasten, 5)De stad en de jurisdictie van Poperinge, 6)Wervik, 7)Menen, 8)Diksmuide, 9)De stad en de poorterij van Lo en 10)Roeselare.

Een band die voorzeker van grote en weldoende betekenis moet geweest zijn voor de betrekkingen tussen de veelal vijandige landheren, lag in het meerbezit, dat ten gevolgde van het ontstaan van de parochiën en naderhand van de burgerlijke instellingen, tot stand kwam tussen gebieden van zeer uiteenlopende aard. Ook de bescherming van het allodiale of familiebezit moest er veel bij winnen.

Een groep dorpen, of ambachten, vormden een soort van graafschap, dat de naam van kasselrij verkreeg, toen een van de landgraven zich de titel van graaf van Vlaanderen had weten te verwerven en tevens het bevel ging voeren over de gewestelijke graven, die van dan af als kasteleins in aanmerking kwamen.

De streek waarin Reningelst gelegen was lag in de kasselrij Veurne, die de stad Veurne als hoofdplaats erkende, als wezende één van de acht parochiën die tot dit gebied behoorde. Die acht vormden een wezenlijk deel uit van de Ambachten van Veurne, die moesten bijdragen tot 27,50% in de uitgaven van algemeen belang, door hen veroorzaakt. Ze kozen gezamenlijk een magistraat of schepenbank voor bestuurszaken en rechtspleging.

Veurne-Ambacht of de kasselrij van Veurne bestond uit 1) 42 parochiën verdeeld in Noord- en Zuidvierschaar, 2) De acht parochiën; Elverdinge, Vlamertinge, Watou, Noordschote, Zuidschote, Reningelst, Loker en Woesten en 3) De lenen, branchen en heerlijkheden van het Vrije van Rijsels, Nieuwkapelle, het Vrije, deken en kapittels van Sint-Omaars in Alveringem, het hofland van Cassel (bestrekkende in Oost- en Westvleteren), Berckele (het Vrije van de vrouw van Mesen te Elzendamme), de heerlijkheid van Den Noordt ende Zuyt-Vlierschaere in Krombeke en Stavele, Zwijnland, Coppernolle, de heerlijkheid van de tempeliers, de heerlijkheid van Diepezeele (toebehorend aan het klooster van Eversam in Krombeke), de heerlijkheid van den Couthove, het Vrije laetschap van Reninge en tot slot het Hofland van Reninge.

De oorsprong van de acht parochiën lijkt nogal duister. Geschiedschrijver Poullet geeft dit toe en is geneigd te geloven dat ‘in de 12de eeuw hun grondgebied een uitgestrekte, onbebouwde en onbewoonde streek was’. De graaf van Vlaanderen die dit gebied wilde bruikbaar maken, zou het vrijgesteld hebben van lasten, belastingen, afpersing en verplichting om naar de oorlog te trekken, behalve in tijden van bezetting van hun gebied. De gemeenten die zouden opgericht zijn, zouden ontheven worden van de wet van Veurne, door hen onder zijn rechtstreeks gezag te onderwerpen. Ook ‘zijn’ wensen waren veeleisend.

De bijdragen die iedere gemeente moest leveren, leidden tot voortdurende twisten en een lange reeks van processen. Welke uitgaven waren van algemeen nut? Dit was de vraag! Lodewijk van Nevers maakte een einde aan de kwestie door middel van een reglement van 1 mei 1323. Nieuwe conflicten lieten niet op zich wachten en een vergelijk werd goedgekeurd door Lodewijk van Male op 28 januari 1372. De twisten namen echter toe. In 1603 legden meerdere reglementen de verplichtingen van beide partijen vast, maar deze slaagden niet in hun opzet. De hoop op een akkoord tussen de gemeenten en de ambachten was tevergeefs. De goede verstandhouding was onherstelbaar.

In de loop van de verscheidene eeuwen zagen we de afgevaardigden van de acht parochiën protesteren tegen hun positie welke hun te beurt viel vanwege de ambachten, en anderzijds was het de betiteling van een brief die van de gebruikelijke bewoordingen afweek. In de meeste gevallen was het een twistgesprek over de uitgaven waarvan de acht parochiën hun deel te betalen hadden.

In 1596, wanneer de gemeenten hun onafhankelijkheid uitriepen of bevestigden, namen ze samen de titel van ‘acht parochiën van West-Vlaanderen’. Deze stoutmoedigheid ontketende de verontwaardiging van de ambachten die steun zochten bij de aartshertogen. Een besluit van 17 januari 1683 verplichtte hen opnieuw te schrijven ‘de acht parochiën van Veurne-Ambacht’.

Door het besluit van 30 augustus 1759 werd uiteindelijk het twistziek huishouden gescheiden. De achter parochiën werden onafhankelijk verklaard onder de naam ‘Generaliteit der acht parochiën’. Van dan af schreef men op de officiële akten: ‘Elverdinge; eerste der generaliteyt van de acht parochiën’. De afgevaardigden vergaderden in de herberg ‘De Zwaan’ of ‘St.-Georges’, onder het voorzitterschap van de baljuw van Elverdinge. Deze vergaderingen hadden soms plaats te Ieper in de zaal van de griffie, ‘het comptoir’ of ‘huis van de conchiërgerie der acht parochiën’, waar vele heren hun winterverblijf hadden.

Elke parochie had haar afzonderlijk bestuur, haar begroting en rekening, haar gerechtshof of tribunaal en haar politie.

Uit ‘Reningelst door de eeuwen heen’ van Willy Delestrez uit 1971

Article Categories:
vergeten geschiedenis
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *