Het liefdesavontuur tussen onze eerste Boudewijn en Judith, de dochter van de Franse koning Karel de Kale, heb ik al een keer verteld in mijn kronieken van de Westhoek en helemaal onverwacht kom ik er nu op terug. Ik vertel nog even de historie in het kort: op kerstdag 861 ontvoert Boudewijn zijn Judith en hij komt zo in een openlijk conflict met haar vader.
Door toedoen van de paus komt het in 862 tot een verzoening en als schoonzoon van koning Karel de Kale krijgt hij Vlaanderen als bestuursgebied toegewezen. Professor Jan Dhondt komt met harde bewijzen dat Boudewijn I al voor die schaking al een ‘vassus dominicus’ is van Karel de Kale en in die hoedanigheid deel uitmaakt van de Frankische aristocratie. Zo is hij goed bevriend met Lodewijk de Stotteraar, de broer van Judith, en blijkt hij dus min of meer kind aan huis bij het Franse hof van die tijd.
Vandaar dat hij vermoedelijk ook in contact is kunnen komen met zijn geliefde. Boudewijn was dus ongetwijfeld al graaf voor het jaar 862. Over welk gebied hij precies regeert, kom ik voorlopig al iets te weten. Vermoedelijk over de gouw Mempiscus, de streek rond Torhout en Beernem met Brugge als meest noordelijke punt.
En ook over de gouwen van Vlaanderen en Aardenburg en de regio van Waas. Dat laatste weten we omdat Boudewijn tijdens zijn vlucht met Judith op een bepaald moment soelaas gaat zoeken bij de Noorman Rorik die als graaf van het kust- en Scheldegebied zijn dichtste buur is. Die Rorik vormt zowat de grootste bedreiging voor het rijk van de Franse koning. De alliantie van Boudewijn met de Noorman komt ongemeen hard aan voor zijn vertoornde toekomstige schoonvader.
De overgebleven brieven van de paus, de koning en Hincmar, de betrokken aartsbisschop, spreken boekdelen over hun schrik van de gigantische dreiging die van deze unie uitgaat. Ondertussen al in de ban van de kerk geslagen, dreigt Boudewijn er zelfs bij paus Niklaas I mee om dat duivels bondgenootschap met de Noormannen te sluiten. De boodschap van Boudewijn wordt door de paus bijzonder ernstig genomen.
Dat lezen we in volgend citaat uit zijn brief aan Karel de Kale: ‘Verum etiam metuentes, ne propter iram et indignationem vestram, ipse Balduinus se impiis Nortmannis et inimicis ecclesiae sanctae coniugat.’
Noterdaeme besluit in 1953 terecht dat Boudewijn al voor 862 een man moet geweest zijn met de nodige macht en gezag over enkele graafschappen die in de buurt lagen van Roriks gebied. De kerkelijke druk die bisschop Hincmar uitoefent, concentreert zich vanuit de bisdommen ten zuiden van het gebied van Boudewijn.
Zijn gebieden, de kleine gouw van Waas samen met de gouwen van Vlaanderen en Aardenburg, komen zo geprangd te zitten tussen de Fransen en de Noormannen. Om het met de woorden van Loys te zeggen, behelzen deze gebieden het Forest Wasda met de regio van Brugge, Aardenburg en Oostburg. Precies die plaatsen waar de forestiers zich de voorbije eeuwen hebben gemanifesteerd. Na de verzoening met zijn schoonvader zal onze graaf wel volledig in eer hersteld worden en zullen daar in 862 nog wel gebieden bijgeschonken zijn.
Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek


