banner
Jul 22, 2021
561 Views

Dat biechtgeval van mijn kinderjaren

Written by
banner

6 januari 1521. Nieuwbakken keizer Karel belegt zijn eerste rijksvergadering. Zes weken eerder, om precies te zijn op 23 oktober 1520, werd hij te Aken tot keizer gekroond. Jullie konden de jeugdjaren van deze Karel aan den lijve ondervinden in mijn kroniek genaamd ‘De jeugd van Keizer Karel.’ Na zijn kindertijd in Vlaanderen en zijn geanimeerde jaren in Spanje is mijn hoofdfiguur nu aanbeland in Duitsland. In die tijd nog het Heilig Roomse rijk genoemd waarbij de term ‘Rooms’ nog altijd verwijst naar ‘Romeins’. Keizer Karel is dus een late opvolger van keizer Octavianus en al die Romeinse pipo’s die dachten de wereld in eigendom te hebben.

En waarom is dat rijk dan ‘Heilig’, vraag ik me af? En dan nog met een hoofdletter geschreven? Dat zijn zo van die niet voor de hand liggende vragen die me intrigeren. Ik neem nu eenmaal niet graag de dingen ‘for granted’. In het Duitsland van de middeleeuwen is het al eeuwen de gewoonte dat de koning er verkozen wordt door de keurvorsten. Dat is ook zo geweest voor Karel. Omgekocht zou eigenlijk een betere naamkeuze zijn als ik zie welk fortuin Karel veil had om zich tot staatshoofd te laten kronen. Het is echter de paus die de koning van Duitsland de eretitel van ‘keizer’ schenkt en daarmee impliciet aangeeft dat de keizerlijke waardigheid eigenlijk een cadeautje is van God in eigen persoon.

Als ik dat allemaal mag geloven, bemoeit heer God zich dus persoonlijk met dat keizergeval en geeft hij de autoriteit volledig in handen van zijn rechterhand op aarde; in casu de paus. Ik geef geen kik en probeer deze baarlijke nonsens op mijn eigen manier te negeren. Vermoedelijk stoot ik nu al regelmatig een of andere gelovige tegen de borst met mijn cynische opmerkingen over dit al dan niet bestaand opperwezen. Maar goed, ik wil even niet verder uitweiden en houdt me bewust afzijdig van verdere sluikse commentaren. God en de paus hebben er toch maar netjes voor gezorgd dat Duitsland weer een nieuwe keizer heeft.
‘Wie denkt de paus van zichzelf dan wel te zijn?’ Het lijkt een atheïstische opmerking van ondergetekende, maar verrassend genoeg zijn een aantal mensen in Duitsland zich in het begin van de jaren 1500 diezelfde vraag gaan stellen. Karel is eenentwintig als hij plots te maken krijgt met iets wat de westerse wereld nog nooit eerder heeft meegemaakt. Dissidentie tegen het ware katholieke geloof is een volstrekt onbekend fenomeen waar mijn kersverse keizer plots mee te maken krijgt.

Ik keer terug naar het oude Hollandse boek uit 1772, een vertaling van de studie die de Schotse historicus William Robertson enkele decennia eerder heeft neergepend over het leven van Karel van Oostenrijk. In de brieven die uitgestuurd werden naar de verschillende vorsten die deel uitmaken van deze vergadering heeft hij het over één belangrijk agendapunt: de aanpak van een nieuwe godsdienst die blijkbaar geweldig de kop aan het opsteken is in Duitsland. Karel heeft het over ‘de voortgang van nieuwe en gevaarlijke gevoelens die de vrede van het land dreigen te verstoren en de godsdienst van de voorvaderen omver willen werpen.’

Hij heeft het over Luther en zijn leerlingen. De beeldenstorm die in de Westhoek pas 45 jaar later zal losbarsten, vindt hier al enkele jaren eerder zijn oorsprong. In 1517. Toen begon die Luther met het verspreiden van zijn mening dat de bestaande godsdienst absoluut dient te worden hervormd. Het christendom is voor Luther veel te streng, de paus te hardvochtig. Het geloof moet milder omgaan met mensen en met hun gevoelens. Daar kwamen die eerste basisgedachten van Luther wel op neer.

Het geloof is al eeuwen een samenraapsel van oude en diepgewortelde vooroordelen. In stand gehouden door macht en geweld. In de begindagen van het christendom stond de hemel nog open voor iedereen van goede wil. Gaandeweg is het katholiek geloof een aanhangsel geworden van de staatskunde. De koningen en de potentaten bepalen nu zelf wel wie er geschikt is om na de dood binnengelaten te worden door Sint-Pieter. De tijd dat Jezus de kant koos van de zwakkeren in de samenleving is iets van een ver verleden, godsdienst is verworden tot een kwestie van machtswellust. De wetenschap dat alles zuiverder en puurder moet terugkeren zoals het was in het begin, dat is precies het stokpaardje van die Luther.

Mijn schrijvers schenken gelukkig de nodige aandacht aan het ontstaan van Luthers afvallige gedachten en zijn dissidente geloofsdaden. Paus Leo X trof bij zijn aantreden als paus een lege kassa aan. Zijn voorgangers Alexander VI en Julius II moeten het geld blijkbaar door de deuren en de vensters van het Vaticaan gekeild hebben. En dat terwijl de nieuwe paus grote en ambitieuze plannen koestert. Ik citeer even: ‘zijn ontwerpen om het huis der Medici groot te maken, zijn praalzucht, zijn smaak voor ’t vermaak en de prachtige wijze waar op hij lieden van vernuft beloonde, wikkelden hem dagelijks in nieuwe kosten.’

‘Om dezelve goed te maken, nam hij toevlucht tot al de hulpmiddelen, welke de vruchtbare verbeelding van de priesters wisten uit te denken en door welke de lichtgelovige menigte uitgeput werd.’ Terwijl ik wat heimelijk moet gniffelen om de term lichtgelovig, vervolgt het oude boek zijn weg en moet ik me haasten om de schrijvers ervan bij te benen. ‘Onder andere bediende hij zich van de verkoop van aflaatbrieven. Volgens de leer van de Roomse kerk worden al de goede werken van de heiligen samen met de oneindige verdiensten van Jezus Christus in één en dezelfde schatkist bewaard, waarvan de sleutels eerst aan de heilige Petrus en dan later aan zijn opvolgers de pausen toevertrouwd.’

De oude verbazingwekkende volzin is nog niet ten einde: ‘de pausen kunnen deze schatkist naar welbehagen ontsluiten en die met een deel van de overtollige verdiensten en tegen bepaalde sommen geld aan een bijzondere persoon overdragen om hem vergiffenis van zijn eigen zonden te kunnen schenken en zijn ziel alsnog te verlossen uit het vagevuur.’

Het systeem van de aflaten werd voor de eerste keer ingevoerd in de 11de eeuw. Paus Urbanus II beloonde er zijn wapenmannen mee, zij die bereid waren om het heilig land te gaan heroveren tijdens de eerste kruistochten. Later zouden deze aflaten uitgedeeld worden aan iedereen die bereid was om geld in het pauselijk laatje te brengen. ‘Julius II had dezelve uitgedeeld aan de zulken die iets toebrachten tot het bouwen van de Sint Peterskerk te Rome. En terwijl Leo X dat prachtig en trots gebouw bleef voortzetten, bediende hij zich in het schenken van aflaten van het zelfde voorwendsel.’

In Duitsland wordt een zekere Albertus door Leo aangesteld om het aflatensysteem op punt te stellen en te reactiveren. Albert, keurvorst van Mainz en aartsbisschop van Maagdenburg in de rol van de nieuwe ‘minister van uitlaten’ als het ware. Uiteraard met de belofte van een percentje voor zijn inspanningen. Het komt tot een eerste proefproject in Saksen waarbij een monnik met de naam van Tetzel ingezet wordt om fondsen te werven. De man beschikt naar verluidt over een ‘vaardige geest en munt uit door een ruchtige en volksbehagende welsprekendheid’. Een type marktkramer denk ik bij mezelf. Twee kopen en drie betalen. Tetzel en zijn collega-monniken voeren de opdracht uit met de grootste ijver en vooral op een manier die allesbehalve netjes is.

Ik probeer een bijlage van twee bladzijden kleine lettertjes terug te brengen tot de kern. Tetzel pretendeert dat hij de absolutie kan verlenen, de kwijtschelding van de zonden, hoe zwaar en verschrikkelijk ze ook mogen zijn. Ik zie mezelf nota bene nog bangetjes zitten in dat biechtgeval van mijn kinderjaren, die houten kooi, waar een of andere paljas van een pastoor net hetzelfde claimde. ‘De poorten van de hel zullen gesloten blijven en de poorten van het paradijs der vreugde zullen geopend worden. Ofschoon gij niet terstond moogt sterven, zal deze genade echter in volle kracht op u blijven tot op uw sterfuur. In de naam des vaders, des zoons en des heiligen geestes en mits een zo groot mogelijk voorschot.’ Tetzel brainwasht zijn publiek, hypnotiseert de mensen, maakt ze zo zot als een achterdeur en laat ze aflaatbrieven kopen zoveel hij wenst.

Psychologische bedreiging, terreur van de simpele geesten. Hoe kan ik anders Tetzels woorden bestempelen? ‘Wie aflaten koopt, kan zijn ziel wegens haar zaligheid gerust stellen. De kracht van de aflaten is zo groot dat zelfs de gruwelijkste zonden daar door kwijtgescholden en vergeven en de persoon bevrijd zal worden van straf en schuld. Ziet, riepen zij: de hemel wordt geopend; indien gij nu niet op ons aanbod ingaat, wanneer zult gij het dan wel doen? Voor twaalf stuivers kunt gij uw ziel uit het vagevuur verlossen.’

Dergelijke praktijken stuiten tegen de borst van de andere keurvorsten. Hun bevolking wordt op droog zaad gezet om de schatkist van de kwistige opperpriester te vullen. En wat dan nog het meest stoort, is de wetenschap dat Tetzel en zijn kompanen al deze giften op hun beurt weer verbrassen; ‘zuipen, dobbelen en in ongebondenheden verspillen’. Er moest dringend paal en perk gesteld worden aan deze schadelijke praktijken die nadelig waren voor godsdienst en maatschappij.

Zo arriveer ik bij Maarten (Martinus) Luther. Hij kon geen betere tijdsomstandigheden aantreffen om zijn redevoeringen kracht bij te zetten. Hij trekt de kracht van de aflaten in twijfel en begint uit te varen tegen het ongeregeld gedrag en de valse leer van Tetzel en de zijnen. Luther werd geboren in Eisleben, in Saksen. Hij komt uit een familie van boeren. Zijn vader heeft echter zijn soelaas gezocht in de kopermijnbouw en heeft het in Mansfeld geschopt tot rijkste man van de stad. Maarten heeft dus zeker een degelijke opvoeding gekregen. ‘Hij liet zich al vroeg opmerken door de sterkte van de doordringendheid van zijn geest. Maarten vond plezier in de afzondering en besloot om kloosterling te worden en nam het kleed van de Augustijner monniken aan’.

Hij is de traditionele revue van schoolse wijsbegeerte en godgeleerdheid gepasseerd. Als pientere gast moet hij ongetwijfeld grote ogen trekken over al hetgeen zijn leraars hem op de mouw willen spelden. Hij beschikt over een karakter dat niet rond de pot draait en wil meestal direct ’to the point’ gaan. In de jaren 1700 illustreren ze dat eigenlijk wel perfect: ‘er ontbrak hem geen schranderheid van geest en de natuurlijke bondigheid van zijn oordeel, ver boven al het beuzelachtige verheven, kreeg ras een afkeer van deze nutteloze en ijdele wetenschappen.’

Uit deel 6 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

Article Tags:
· · · · · ·
Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *