De aanleg van de weg Ieper-Menen
Reeds in 1625 kregen de provincies, kasselrijen, steden en gemeenten de toelating om wegen open te stellen en tolrechten te heffen. De grootste doorbraak kwam echter onder het Oostenrijks bestuur, tussen 1715 en 1792, wanneer de provinciale besturen nieuwe wegen moesten aanleggen en zelf de kosten op zich namen. Op 29 augustus 1739 richtte het lepere stadsbestuur een brief naar ‘son altesse Royale’, met een kopie naar het Menense stadsbestuur, met een pleidooi om een nieuwe steenweg te laten aanleggen tussen beide steden. Het duurde nog tot in 1755 vooraleer controleur de Gaine een plan klaar had en op 21 en 22 juli van dat jaar deed de technische commissie een terreinverkenning.
In een brief van 6 maart 1756 kregen de besturen van Menen en leper drie weken de tijd om concrete afspraken te maken en op 29 mei 1756 verscheen het octrooi van keizerin Maria Theresia, met globale voorschriften over financiering, de aanleg en het verkeersreglement. Voor de financiering van de aanleg van de nieuwe calchie werd beroep gedaan op privé- en openbaar kapitaal en werd een lening uitgeschreven tegen de laagst haalbare intrestvoet. Veel van de geldschieters die op het rentepapier hadden ingetekend waren kerkelijke instellingen.
De abt van Zonnebeke tekende in voor 6.299 £p’, de dis en parochie van Passendale voor 6.600 pond par. Moeder overste van de Zwarte Zusters van leper stond ingeschreven voor 3.500 £p en de kerk van St.-Niklaas van leper voor 2.800 pond par. De kerk en dis van Zonnebeke en de dis van Geluveld droegen ook hun steentje (calchie) bij, respectievelijk 1.400 £ en 2.100 guldens. Het gedeelte onder de kasselrij leper liep van de Antwerpenpoort te leper (nu Menenpoort) tot aan de Fonteinestraat (op Koelenberg Wervik) en bedroeg 2.808 roeden, het gedeelte onder de kasselrij Kortrijk was 1.498 roeden.
De breedte van de nieuwe calchie was voorzien op 70 voet, de grachten aan weerskanten meegerekend. Voor die grachten was aan beide zijden tien voet voorzien zodat er voor de calchie zelf vijftig voet overbleef. Voor het gedeelte onder de kasselrij Kortrijk stond vermeld onder punt 3 van het octrooi dat de steenweg veertien voet breed moest zijn met langs weerzijden nog een aarden weg van dertien voet (zomerweg genoemd) en daarbij nog voor grachten en bennen twee maal tien voet Voor personenvervoer met koetsen verkoos de koetsier de zomerweg omdat de passagiers dan minder geschud werden dan op de kasseien.
De aanbesteding in 1757 van het gedeelte tussen de Wervikse Fonteinestraat en herberg “t Hooghe’ (Zillebeke) was in vijf bestekken verdeeld. Zo werd het deel tussen De Nachtegaal (Wervik) en het kruispunt (nu rotonde) op het gehucht Kruiseke-Geluveld, groot driehonderd dertien roeden, voor vier gulden de vierkante vadem ingesteld door Pieter Decadt. Het werd hem toegewezen voor twee gulden, twee stuivers en zes denieren. Een ander deel, van de Fonteinestraat tot de Oude Beselarestraat was op grondgebied Wervik. De overige drie bestekken Hepen op het grondgebied van Geluveld en Zillebeke. Een deel was van aan Kruiseke (Geluveld) tot aan de elzerie van baron de Funaet. Deze elzerie was gelegen ter hoogte van de vroegere herberg *De Buizebakkerij’, nu de bar ‘Stardust’ doch door de plaatselijke bevolking beter gekend als de ‘Popeye*. Charles Frans Dorny deed de instel voor drie gulden de vierkante vadem… maar Charles Louis Breyne uit Wervik kreeg het werk voor een gulden en vijftien stuivers. De volgende 190 roeden, die begonnen aan het voorgaande en liepen tot aan de molen van Geluveld. werden ingesteld door Jean Baptist Guillebeert voor twee gulden en tien stuivers… en hij kreeg het toegewezen voor een gulden, twaalf stuivers en zes denieren. Het laatste bestek liep tot aan de herberg “t Hooghe’, waar ook een tolbarrière voorzien was. Het werd ingesteld door Albert Brivise… maar toegewezen aan Joannes Bodry voor een gulden, twaalf stuivers en zes denieren.
Tolrechten
Voor de financiering van de nieuwe calchie gaf het keizerlijk octrooi de toestemming om drie tolbarrières te plaatsen: één bij de Ieperpoort te Menen, één aan herberg ‘Nieuw Cruuseecke en een derde op ‘Het Hooghe’. De opbrengst van deze tolrechten moest op de eerste plaats dienen om de intresten te betalen van de leningen. In punt 6 van het octrooi van 29 mei 1756 werden de toltarieven vastgelegd. Per wagen moest men één stuiver betalen plus nog één stuiver per paard. Voor een os, een koe of een vaars werden twee oortjes gevraagd en voor een schaap of een zwijn één oortje. Vrijstellingen waren er onder meer voor de ridders van het Gulden Vlies, de legers en ambtenaren die voor hun werk daar voorbijkwamen. Ook boeren en plaatselijke bewoners die vrachten van of naar het veld voerden of dieren naar de weide brachten waren vrijgesteld.
Van 1 april tot 30 oktober werd de vracht beperkt tot 5.000 pond voor een wagen en tot 3.000 pond voor een kar. In de wintermaanden mocht de vracht niet zwaarder zijn dan respectievelijk 3.000 en 2.000 pond. Tijdens de dooi was er helemaal geen vrachtvervoer toegelaten, de calchie werd dan met dooibarelen afgesloten. In 1765 waren deze barelen gesloten van 2 tot 12 januari, van 21 februari tot 4 maart en van 8 tot 13 december.
Aan inkomstenzijde was er ook vanaf midden 1759 de pacht van de vaste diligencedienst tussen leper – Menen – Kortrijk. De diligence vertrok dagelijks te leper om 6u30 en kwam in Menen aan rond 9 uur. Vandaar vertrok ze om 9u30 opnieuw om rond 11 uur in Kortrijk aan te komen. De prijs was 1 schelling per uur reizen, 3 schelling voor de rit leper – Menen, twee schelling voor Menen – Kortrijk en vijf schelling voor het volledige traject. Een passagier mocht maximum 25 kg bagage meenemen.
Op 16 november 1844 stond te lezen in de krant ‘De Standaerd’: “De diligence van Yper naar Kortrijk is woensdag op een kwartier van Bissegem omgeslagen door het breken van den as De reizigers hebben geen ander leet dan enige kneuzingen bekomen”.
Het vervoer van diverse handelsproducten zorgde eveneens voor inkomsten. De voornaamste nijverheidstakken in de streek waren brouwerijen, zeepziederijen, zoutkoten. leerlooierijen, zadelmakerijen, kalkovens, ververijen, garentwijnderijen en pottenbakkerijen. Het garen voor de twijnderijen kwam van Kortrijk en Gent. Daarnaast was er een belangrijke handel in vlas, tabak, lijnzaadkoeken, meststoffen, kolen en kalk. Het transport van de goederen gebeurde door vrachtwagens (voitures de roulage) richting Kortrijk en leper. Op de heenreis vervoerden ze vooral vlas, vlaswerk en tabak. Op de terugreis brachten ze o.a. specerijen en granen mee.
Ook de schapenboeren die hun schapen het gras langs de nieuwe weg lieten afgrazen moesten daarvoor betalen. Pieter Hoet, schapenboer op St.-Jacobs buiten leper, betaalde voor de jaren 1773 en 1774 voor het afgrazen van de straatbermen van ‘Nieuw Cruuseecke’ tot aan de wijk ‘De Nachtegaal’ 326 pond par. Bij de betaling van de periode 1787 en 1788 klaagde Jozef Hoet erover dat de bermen en het gras veel verslecht waren, door de vele nieuwe gebouwen en woningen langs de nieuwe calchie. Er werd een betalingsvermindering toegestaan.
Zelfs Pieter Blieck die met twee helpers de bomen langs de calchie snoeide in 1781, werk waarvoor hij betaald werd, betaalde op zijn beurt 66 pond par om het snoeihout te mogen meenemen.
In 1789/90 kreeg ‘Nieuw Cruuseecke’ een nieuwe stenen barrière. Steenkapper Jan Baptist Delsalle zorgde voor het stenen gedeelte en Jan Baptist Wostyn, zoon van Théodoor de smid van4 d’Oude Cruuseecke’, verzorgde het ijzerwerk. In diezelfde jaren werden er ‘considerabele reparaties’ uitgevoerd aan de calchie. Niet minder dan 4.050 vierkante vadems werden hersteld door Carolus Van Hee, Pieter Drole en Andries Pattyn. Dit drietal werd ook betaald voor het steken van zand en de weduwe van Jacobus Lodior kreeg 100 £p. vergoeding voor het steken van zand op haar grond, gedurende acht jaar.
De tolheffing werd afgeschaft rond 1865.
Raoul Masschelein in Zonneheem van 2000


