In het jaar 1144 sluiten Brugge en Veurne vrede met elkaar. Zo komt er een einde aan de vijandschap die al sinds de tijd van Karel de Grote heerste tussen beide steden. Na een eerste kruistocht in 1138 vertrekt graaf Dirk voor een tweede keer naar het Heilig Land.
In het jaar 1144 sluiten Brugge en Veurne vrede met elkaar. Zo komt er een einde aan de vijandschap die al sinds de tijd van Karel de Grote heerste tussen beide steden. Na een eerste kruistocht in 1138 vertrekt graaf Dirk voor een tweede keer naar het Heilig Land. Daar etaleren hij en zijn Vlaamse metgezellen een grote dapperheid ten dienste van de christenen ter plekke. Zijn schoonbroer Boudewijn III van Anjou is op dat moment de koning van Jeruzalem.
Met toestemming van patriarch Fulco schenkt hij als dank een deel van het zogezegde Heilig Bloed van Jezus. Bloed dat Jozef van Arimathea persoonlijk zou afgewassen hebben van het lijk van Jezus nadat hij van het kruis werd gehaald. Dat spul moet dan al meer dan elfhonderd jaar oud zijn.
Gailliard omschrijft de terugkeer van Dirk van de Elzas met zijn fles geronnen bloed op een devote manier en dat wil ik mijn lezers niet ontzeggen: ‘Nadat de Turken volledig verslagen waren keerde de graaf met die onschatbare pand naar zijn landen terug. Hij oordeelde dat zijn handen die zo vaak door mensenbloed bezoedeld waren geweest, nu te onrein waren om het bloed van de goddelijke persoon, die de mensgeworden liefde was, te dragen. Hij vertrouwde het bloed toe aan Leonius, de abt van Sint-Bertinus te Sint-Omer die hem gedurende zijn kruisvaart trouw had bijgestaan als zijn aalmoezenier.
Leonius ontving het heilig bloed uit de handen van de patriarch van Jeruzalem. Het zat in een kristallen vat dat aan een ketting bevestigd was. Fulco legde het om zijn hals, en zonder het nog eenmaal van zijn borst te verwijderen legde hij de terugreis naar Vlaanderen af.
Zo kwam hij op 7 april 1150 in deze houding samen met de graaf aan in Brugge. De zo lang gewenste terugkeer van Dirk van de Elzas was nauwelijks bekend in Vlaanderen. Toen de inwoners vernamen met welke grote schat het land zou begunstigd worden, liepen ze hen met zijn allen tegemoet en lieten ze voluit hun vreugde blijken.
”Toen hij in de buurt van de stad gekomen was, gingen de magistraten hem tot buiten de poorten tegemoet. In het gezelschap van de geestelijkheid, de edeldom, de gilden en de ambachten, allen met hun vaandels, hun standaarden en met brandende fakkels in de handen. Ze waren vergezeld door een ontelbare menigte van volk. Nadat ze de graaf verwelkomd hadden, begeleidden ze hem stoetsgewijs door de stad die wel leek veranderd te zijn in een lustprieel. Al de inwoners, arm of rijk, hadden met de grootste ijver de hand aan het werk geslagen om de voorgevels van hun huizen op zijn prachtigst te versieren en te verlichten. De straten waren met bloemen bestrooid en geflankeerd door sparren. Toen Dirk eindelijk voor de poort van zijn paleis aangekomen was overhandigde Leonius de heilige relikwie die hij onmiddellijk in zijn hofkapel liet plaatsen.’
Nog tijdens datzelfde jaar 1150 laat Dirk van de Elzas een nieuwe kapel bouwen die hij opdraagt aan het heilig bloed. Het nieuwe gebouw komt er naast de bestaande hofkapel die nog gebouwd was door Boudewijn van de Ijzer. Achter het altaar van de oude kapel maakte men een brede opening zodat de relikwie zou kunnen gezien worden vanuit beide kapellen. Vier kapelanen krijgen de verantwoordelijkheid op hun schouders om zorg te dragen voor het bloed van Jezus. Het zijn kanunniken van de heilige Basilius die elk een toelage krijgen om er goddelijke diensten te verrichten.
Ze dienen dagelijks een mis voor te dragen in de H. Bloedkapel om dan achteraf ook deze in de Sint-Donaaskerk te gaan meevieren. De vier priesters krijgen elk een eigen woning met tuin, gelegen in de Brouwerstraat en met een toegang tot de Burg, in de Blindezelstraat tussen de kapel en het stadhuis.
13 april 1310. De aanbidding van het Heilig Bloed in Brugge is met verloop van de eeuwen uitgegroeid tot een heus cultgebeuren. Vooral de al dan niet vermeende vloeibaarheid van Christus’ bloed op de jaarlijkse Goede Vrijdag wakkert de fantasie van de gelovigen nog aan. Tot op vandaag13 april 1310 dus wanneer het stijf is en blijft. De chroniqueurs wijzen in de richting van lasterende woorden tijdens de zegening of verwijzen naar de opheffing van de tempeliersorde door Filips de Schone. Dat was je reinste majesteitsschennis en daardoor wil dat bloed niet meer vloeien!
Brugse afgevaardigden krijgen paus Clemens V zo ver om de verering van het Heilig Bloed met een pauselijke bulle te laten erkennen waardoor er nu een officiële vereringsdag, processie incluis wordt gecertificeerd. Robrecht van Bethune helpt het stadsbestuur om die festiviteiten te laten doorgaan tijdens de jaarmarkt van mei. Meer bepaald op 3 mei van elk jaar. Die toezegging is een prima excuus om het broederschap van het Heilig Bloed op te richten. Zesentwintig Brugse notabelen kiezen op de dag van de ommegang hun hoofdman die dan gedurende enkele weken de titel van proost van het Heilig Bloed mag dragen.
2 mei 1311. De oude kroniekschrijvers smullen van die Heilig Bloed ommegang. Tijdens de namiddag rond de vespertijd verzamelen de speellieden (de pijpers) van de gilden en de ambacht zich op de trede voor de kapel van het Heilig Bloed en spelen ze er enkele traditionele muziekstukken. Vanaf 4u van de volgende morgen begint de tentoonstelling van het Heilig Bloed, tijd voor eerbied, respect en hulde van de gelovigen die er dan nog heilig van overtuigd zijn dat ze hier werkelijk te maken hebben met het bloed van hun verlosser.
Het geluid van de grote klok roept iedereen op om 7u en 8u op om zich klaar te maken om volgens rang en status mee te gaan stappen met de processie. Om 9u reinigen de bezemmakers en de stadswerkers de straten waar de ommegang voorbijmoet. Om 10u laat de grote klok nog eens van zich horen. Een oproep voor de boogschutters om zich met hun vaandels en eretekens voor de halle te schikken. Al de processiegangers zijn nu op de been. De geestelijken brengen het Heilig Bloed uit de kapel, de processie zet zich in het gelid, met op kop een aantal ruiters gevolgd door een muziekgenootschap van wie de leden met hun zilveren speeltuigen enkele muzikale uitvoeringen brengen.
En daarmee openen ze de processie. Het is nu tijd voor de gilden en ambachten om mee te stappen. Elke gilde voorafgegaan door vier of zes van hun eigen muzikanten. Voor die muziekspelers draagt men geflankeerd door twee vergulde kruisbeelden en met wimpels en veelkleurige linten versierde triomfkaars, voorzien van de eretekens van elke respectieve gilde.
Na de passage van de diverse gilden is het nu de tijd voor enkele pelgrims uitgedost in grauwe linnen kleren, gevolgd door het broederschap van het Heilig Bloed die de magistraat van de stad en de geestelijkheid voorafgaan. Uiteindelijk komt dan de onschatbare relikwie die beurtelings gedragen wordt door kerkvoogden, bisschoppen en andere leden van de hoge geestelijkheid, ik denk dan vooral aan de abten van zowat al de West-Vlaamse abdijen.
De processie met het Heilig Bloed sluit af met een groep toneelspelers die met enkele bedrijven het lijden van Christus visualiseren. De stoet volgt zijn weg langs de Breidelstraat, de Steenstraat en de Boeveriestraat tot aan het gasthuis van Sint-Juliaan waar het stadsbestuur, de gildebroeders van het Heilig Bloed en enkele hoge geestelijken naar binnen gaan om aan te schuiven aan tafel voor een maaltijd die klaargemaakt werd in het rechtovergelegen gasthuis van Sint-Hubert.
Terwijl de mannen hun eten verorberen vervolgt de processie zijn weg tot buiten de Boeveriepoort. Het gaat nu langs de buitenvesting tot aan de Ezelpoort waar de groep nu weer de stand binnenkomt en zijn weg verder zet via de Claravesting tot aan de Dampoort.
Hier treden de processiegangers weer buiten de stadsmuren en zetten ze hun weg verder tot aan de Katelijnepoort naar de binnenstad om via de binnenvesting weer het gasthuis van Sint-Juliaan te bereiken. Tegen die tijd hebben de prominenten hun maaltijd naar binnen gespeeld en nemen ze nu weer hun plaatsen in bij de stoet. Het Heilig Bloed wordt nu opnieuw langs de Boeveriestraat, de Steenstraat en de Breidelstraat naar zijn rustplaats gedragen.
Het gezelschap bereikt de Heilig Bloedkapel pas tegen de avond, zo lang was de weg die de stoet moest afleggen. En daar blijft het niet bij! De vijftiendaagse devotieperiode voorziet dagelijks een ommegang langs hetzelfde parcours, een processie die nu aanvangt om 5u, om beurt uitgevoerd door de geestelijkheid van de diverse parochiekerken, de kloosterorden, de paters predikheren, de augustijnen, de karmelieten en de recoletten. De begijnen nemen de eerste en de laatste dag voor hun rekening.
–
Dit is een fragment uit ‘Kroniek van Brugge’ waar ik momenteel aan verder schrijf….


