De jaerboeken van Veurne tonen niet de minste aandacht voor de dood van hertog Filips de Stoute in 1404 en springen in één ruk naar het gezegende jaar 1410. De geesteszieke Franse koning Charles VI is niet in staat om zijn land te regeren en Jan zonder Vrees, zijn belangrijkste vazal, wil dat in zijn plaats doen. Ik heb de hele periode al eerder beschreven in een ander hoofdstuk en ik ben toch wel benieuwd of ik hier in het hart van de Westhoek nog verdere informatie zal opsteken. Dat is niet echt het geval, maar opnieuw val ik voor de blitse taal van de kronieken.
‘Den hertogh van Bourgondien, grave van Vlaenderen, seer belangrijcke saecken in Vranckrijck te verrichten hebbende, ter oorsaecke dat hy de bestieringh van het rijck gedeurende den tijdt dat coninck Carel den VI buyten sijn sinnen was wilde hebben. Hy vont deswege grooten tegenstandt van wege de andere Fransche princen, by soo verre dat hy besloot gewelt te gebruycken om daer toe te geraecken.’ Onze onversaagde prins heeft natuurlijk geld nodig om oorlog te voeren in Frankrijk. En daar kunnen de Vlaamse steden toch wel van profiteren. De postjes in de magistratuur en in het bestuur van Vlaanderen worden verkocht aan de hoogstbiedende. De landerijen van de hertog worden verpand in ruil voor leningen.
De Vlaamse steden en kasselrijen kunnen vrijuit nieuwe voorrechten en privileges krijgen. Zolang ze er maar voor betalen. Op 13 april van 1410 is dat het geval in Veurne. De plaatselijke keurbroeders en keurzusters kunnen voortaan vrij beschikken over de nalatenschap van terdoodveroordeelden. Wat een lachertje moet justitie hier eigenlijk zijn? Ze krijgen ‘vrijdom van confiscatie van hunlieder goederen gelegen in Vlaenderen, ten ware om den misdade van moortpoogingh begaen jegens den hertogh, sijne huysvrauwe ende wettelicke kinderen ofte jegens quaeden aenslagh tegen den staet, mitsgaders tegen sijne canselier.’
De Veurnse keurbroeders mogen voortaan vrijuit wapens met zich meedragen overal waar ze zich in Vlaanderen verplaatsen. De schepenen en de magistraten blijven op hun posten voor de rest van hun leven. Het magistraat wordt uitgebreid tot negentien schepenen. Van enige democratie zal er in Vlaanderen en in Veurne zeker al geen sprake zijn. Aan al die nieuwe privileges hangt een pittig prijskaartje. ‘Over dese gunsten moesten die der Casselrie jaerlycx betalen aen den ontfanger-generael des hertogs de somme van drije hondert ponden paresys erfvelicker rente, telckens te voldoen op St. Jansdagh midzomers.
Bovendien gaf het magistraet voor dese previlegie een goede somme gereet geldt, doch hoe veel, en heeft men tot heden niet gevonden.’ Jan zonder Vrees houdt lelijk huis in Frankrijk. Hij heeft het nochtans niet onder de markt met die andere Franse prinsen. Je weet wel, onder andere die van Orléans. Een vuile oorlog is het, die op een bepaald moment onderbroken wordt door een staakt-het-vuren en een tijdelijke regeling waarbij de drie grote staten van Frankrijk samen zullen instaan voor het landsbestuur.
Tijdelijk is het minste wat je kunt zeggen van de regeling want de ‘vereenigde princens bleven noch altijdt seer gestoort jegens den hertogh van Bourgondien’. In 1411 barst de etterbuil nog eens in volle heftigheid open. Er volgt een regelrechte oorlogsverklaring gericht aan alle landen en steden van onze Jan zonder Vrees. Iedereen die wat in de pap te brokken heeft in Vlaanderen, wordt opgeroepen tot een spoedvergadering in Atrecht. Geld en manschappen heeft de hertog nodig. Hoe meer hoe liever. ‘Geldt ende hulpe om sijne vyanden te wederstaen.’
De staten van Vlaanderen tonen zich erg mild tegenover hun graaf, ‘maer om de selve geheel ten onderen te brengen, socht hy overal noch meer en meer geldt te crijgen, ende ten dien eynde sont hy van sijne hovelingen in alle de steden van Vlaenderen om er vande selve te becommen. Om in sijn opset te gelucken gebruyckte hy soo wel geoorloofde als ongeoorloofde middelen.’
Ik ga verder. ‘Alle de officien vercreegh men toen soo met vercoopinge ende verpandinge als andersins. Onder andere plaetsen gebruyckte hy tot Veurne oock sulckdanigen middel.’ De hertog stuurt zijn kanselier vergezeld van een omvangrijk gevolg van edelen naar Veurne. We zitten met een enorm gebrek aan middelen, weet de kanselier te vertellen. Veurne zal zijn steentje moeten bijdragen en met geld over de brug moeten komen. In ruil zal de hertog nog een keer de bestaande privileges en vrijdommen bevestigen.
Aan dat laatste hangt een ranzig kantje. Alles was toch vorig jaar geregeld en vereffend? En nu komt de hertog af met een regelrecht dreigement? Als ze niet meteen afdokken, dreigen ze dus hun voorrechten te verliezen. Het verwondert me helemaal niet dat ze zich blauw ergeren aan de chantage van de hertog daar in Veurne. ‘De magistraten waren over sulckdanigen voorstel verontweerdicht, ende sy antwoorden op desen: dat sy geeren den hertogh in sijn noot met lijf ende goet souden geholpen hebben maer dat sy niet het minste en wilden geven om hunlieder vrijdommen ende previlegien te coopen.’ Maar de kanselier blijft aandringen. In zoverre zelf dat het nieuws van de chantage van de hertog bekend geraakt bij het landvolk.
Ik ontdek weer een onbekend stukje Westhoekgeschiedenis. ‘Dewijlen den canselier op sijne vrage altijdt aendrongh ende hun van langst om meer daer toe plaechde, is deze mare geloopen tot onder het lantsvolck. Dese by eenichte der voornaemste inwoonders daer toe opgestoockt zijnde, hebben daerom groot gedruys gemaeckt, ende welhaest is het volck met groote hopen gewapent in de stadt gecommen ende sy hebben hun gestelt op de marckt, al roepende dat sy bereyt waren te strijden voor de vrijdommen van ’t vaderland!’
De kanselier reageert verbaasd op de bezetting van de Veurnse markt. Zijn aanhang slaagt er ternauwernood in om een stuk van die plaats vrij te houden. Ook de stedelingen beginnen nu ongerust en tegelijk woedend te reageren. ‘De borgers der stadt, hier door beroert, liepen corts daer naer oock ter wapen ende besetten eene derde partye vande marckt.’
Er zullen ongelukken van komen. Willem van Stavele, de burggraaf van Veurne en Jan, de heer van Gistel, allebei ridders, slagen er in om de kanselier tijdelijk te doen inbinden. Het zou beter zijn dat er de volgende dag verder gepraat kan worden. ‘Dan baden sy het volck dat ider sonder geruchte soude willen naer huys keeren; waer op sy seyden dat sy geeren wilden vertrecken, midts dat sy door macht niet bedwongen en wierden iets te betalen voor hunlieder vrijheden. Dese saecke wiert alsoo geslist niet sonder vreese van groote ongelucken.’
Het wordt dus een ‘njet’ in Veurne. Achteraf geraakt de weigering verzeild in de lokale archieven en dan nog in het Latijn; ‘pro libertate et privilegius taliter emendis nihil velle contribuere’, ook Latijn kan erg duidelijk zijn. Pauwel Heinderycx voegt er nog een opmerking aan toe: de volgende dag vertrekt de kanselier met zijn aanhang naar Sint-Winoksbergen. ‘Des anderdaegs hiel den kanselier eene gelijcke vrage aen die van Bergen voor; hy wiert op de selve wijse als tot Veurne geantwoort.’ Vermoedelijk moet de kanselier wat te ijverig geweest zijn in zijn haast om geld in te zamelen voor zijn baas.
Het voelt in elk geval aan alsof de beau monde van Veurne liever zelf eens met Jan zonder Vrees zou willen praten. Zonder dat die brutale kanselier er bij is. De gemeente en de edelen kunnen de man strikken in St.-Omer en nodigen hem uit om naar Veurne te komen. Op 10 juni 1411 is het zover. Er wordt een overeenkomst gearrangeerd waar alle inwoners van Veurne-Ambacht bij betrokken worden.
Het wordt een kort en aangenaam bezoek. Er moeten wat beslissingen genomen worden rond hangende geschillen, maar een vriendelijke graaf bevestigt genoegzaam dat de mensen allemaal hun voorrechten en hun privileges kunnen houden. Zonder dat daarbij ‘vergeld’ bij te kijken komt, ‘ende bovendies hun noch aanboodt er voordere te geven.’
Ook in de Veurnse verhalen komt de berekendheid en de sluwheid van hertog Jan zonder Vrees naar voren. Een slim manneke is hij. Eentje die er altijd voor zorgt dat hij zijn doel bereikt. Ook nu dus weer: ‘alle het volck verblijdt zijnde door de vriendelickheyt ende sachtmoedichheyt vanden prince, bedanckten hem ten uuttersten over sijne goede comste ende sijne minnelijcke offers, ende om van hunlieder cant te betoonen dat sy de goetwillichheden ende goetjonstichheyt des hertogen hooch achtten, beloofden sy van hem te geven thien duysent gouden croonen, met belofte van andere trouwe diensten als den hertogh die van noode mochte hebben.
Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek


