banner
Jun 24, 2018
1967 Views

k Wete groot nieuws

Written by

Daar waren ne keer twee soldaten, Crabbe en Sparre, die te oud waren om nog in het leger te dienen en te lui om te werken. Daarom gingen zij bedelen; maar ze werden omtrent overal slecht ontvangen; ze en kregen bij kan niet: men zei hun dat ze kloek en gezond waren en maar en moesten werken om de kost te winnen

banner

De toveresseberg

Daar waren ne keer twee soldaten, Crabbe en Sparre, die te oud waren om nog in het leger te dienen en te lui om te werken. Daarom gingen zij bedelen; maar ze werden omtrent overal slecht ontvangen; ze en kregen bij kan niet: men zei hun dat ze kloek en gezond waren en maar en moesten werken om de kost te winnen. Dat begon onze twee gasten tegen te steken, z’hadden een hongerige mage die altijd riep, en niets om heur te voldoen!

‘Indien dat er een van ons blind ware,’ zei Crabbe ‘ne zekere keer, dan zouden we gemakkelijker aalmoezen krijgen; de mensen zouden medelijden met ons hebben en vele geven. Ik ben van gedacht dat we zouden moeten strooike trekken, en dat den dezen die het kortste strooike trekt, zou moeten laten zijn ogen uitsteken. De andere zou dan met de blinde man moeten rondgaan en den blinde zou moeten het geld dragen.’

‘Dat is wel gepeisd’ zei Sparre, ‘we gaan strooike trekken.’ En zo seffens werd er strooike getrokken, en het lot viel op Crabbe; hij moest zijn ogen laten uitsteken. Dat was hard, maar toch en sprak hij niet tegen, hij gaf hem gewillig over; en Sparre pakte een naalde en stak Crabbe zijn ogen uit. Alzo gingen ze nu alle twee het land af, en schooiden overal aan alle deuren. Nu ontvingen zij veel meer als tevoren; elkendeen had medelijden met die blinde man, en, na korte tijd hadden onze twee dompelaars een schoon ponkske vergaard.

Op zekeren avond dat ze vermoeid waren van op en neêre te gaan, legden zij hen neêre op d’hellinge van ‘nen berg. Crabbe viel allicht in slape, maar Sparre, die sedert lange niet geern meer het geld met zijn ongelukkige makker en deelde, had op deze kans gerekend om met heel den ponk weg te vluchten; zo in plaats van te slapen, hij lag te waken tot dat Crabbe vast sliep; dan deed hij stillekens de geldzak van zijn lijf en trok er meê van deure.

Als Crabbe nu wakker werd, hij begon met zijne maat te klappen; en, gelijk hij geen antwoord en kreeg, hij ging aan het roepen; maar alles bleef doodstil … hij en hoorde niet anders dan zijn eigen stem. Hij zocht naar zijn geld, maar het was al verloren gezocht, hij en vond het niet … Dan begon hij, bijna dood van ontsteltenis, te vatten wat dat er gebeurd was… ‘Sparre, Sparre’ zegt hij, ‘wat hebt ge gedaan? Ik heb het nog gepeisd dat het zo ging gaan … het geld is vertrokken!. Ik ben blind ‘k ben nu geheel alleen en doodarm.’

Hij verzuchtte als hij begon te peizen dat hij misschien op de boord van een afgrond lag. Hij tastte rond hem maar hij en voelde niet anders dan gras. Hij legde zich dan weêre neêre als om het einde van zijn leven af te wachten. ‘Misschien,’ peisde hij, ‘zal er toch wel entwien alhier voorbij komen, die medelijden met mij zal hebben, en mij zal helpen.’

Alles bleef doodstil, want het was rond den twaalven van den nacht, maar Crabbe en wist noch van ure noch van tijd. Maar al met ‘ne keer hoorde Crabbe op den top van den berg een hels gedruis… Zijn haren rezen te berge … Nooit en had hij duivel of helle gevreesd, en nu was hij toch benauwd; hij beefde lijk ‘nen tak hout … maar ook, het en was geen wonder: geheel de berg daverde en men zou gezegd hebben dat hij ging instorten. Al met ‘ne keer hield dat schrikkelijk gedruis op, en Crabbe en hoorde niet anders meer als dansen, lopen en schetteren.

Als dat zo enige tijd geduurd had, alles werd weêre stille, en eene oudevrouwenstem riep: ‘Ik wete nieuws!’ – ‘En wat voor nieuws is het dat ge gij weet?’ riepen ze wel met honderd gelijk. ‘Ja, ‘k wete groot nieuws,’ riep die oude weêre, ‘maar ge moet eerst wel gaan kijken of er niemand rond de berg en is om ons af te spiên; en als ge entwien vindt kraakt hem maar de nek!’

Als Crabbe dat hoorde, hij kroop voorzichtig, stillekens weg, een heel einde verder, en hij bleef daar doodstil liggen, hij en dorst om zo te zeggen geen adem halen; want nu en twijfelde hij niet meer of het waren toveressen die daar vergaarden: hij had trouwens nog van zulke dingen horen klappen en daar en was hij in ’t hele niet stout op.

De toveressen liepen dan rond en doorsnuffelden heel de berg; maar, door hun haast en vonden ze Crabbe niet liggen. Ze liepen naar omhoog en zieden aan de oude tooveresse dat alles wel was.

‘Als het alzo is,’ zei de oude toveresse ‘dan is ’t goed; en let maar wel op wat dat ik ga zeggen: ‘Die blind zijn, al waren ze blind geboren, al waren ze hun ogen uitgesteken, ze zullen ziende worden, als ze ze bestrijken met den dauw van deze berg, eer dat s nuchtends de zunne rijst,’

Dat is poed, peisde Crabbe, en hij en durfde niet roeren, uit vrees van een woord te verliezen van het gene dat er verteld werd.

‘Ik wete ook nog, ‘ zei de toveresse dat de dochter van de koning gevaarlijk ziek is: het is nu al meer als acht jaar dat ze te bed ligt, en niemand en kan ze genezen, omdat de oorzaak van haar ziekte niet gekend en is. Bijaldien dat het geweten ware dat er onder den tichel, onder den rechterpoot van het hoofdeinde van heur bedde, een toveresse zit in de gedaante van een pad, ze zouden ze wel kunnen genezen; want ’t en is niet anders of dat die heur ziek maakt.

Om daarmeê gedaan te maken en zouden ze maar in de kamer, waar dat de prinses ligt, een oventje moeten maken en het fel doen gloeien, en dan het bedde verschuiven, en dien tichel uitbreken en de pad met een gloeiende tang vaste stekken en in het oventje smijten. Alzoo en anders niet kan de koningsdochter genezen.’

Nu gingen de toveressen nog ‘ne keer aan het dasen en aan het zingen, en als dat zo nog enige tijd gedeurd had, viel alles weêre stille en het gespuis verdween.

Crabbe had alles wel verstaan en hij was blijde van twee zulke grote dingen te weten: een middel om het gezichte weêre te krijgen en dan een middel om rijke te worden; hij was er boven op. Van nu af bestreek hij gedurig d’holten van zijn ogen met de dauw van het gras, en waarlijk met het krieken van de dag kwam ook z!jn gezichte were; hij zag beter dan in zijn eerste jonkheid. Ge kunt peinzen hoe blijde dat Crabbe was!

Als het eene waar is, peisde hij, het andere gaat ook waar zijn, en hijging recht naar d’hoofdstad van het land. Hij trachtte nette kleêren te krijgen, en deed daar uit bellen dat er ‘ne wonderdoktoor in de stad aangekomen was, en dat hij alle ziekten kost genezen.

Dit kwam allichte aan de oren van de koning, die hem seffens naar zijn paleis deed komen, en hem de ziekte van zijn dochter uiteen deed. ‘Als gij ze kunt genezen,’ zei de koning, ‘ge moogt ermeê trouwen en ‘k zal u een groote fortuine geven.’

Crabbe stond bij het bed van de prinses, juiste lijk ‘nen doktoor: hij voelde heure pulst, keek naar heur tonge, en stond te peizen en te peizen, lijk, ge zoudt zeggen, hij moet het nog uitzoeken wat dat ermeê te doen is. ‘Ze genezen,’ zei hij, ‘dat kan ik voorzeker; ik heb het al vaste wat dat ermeê scheelt. Seffens moet er hier in de kamer een oventje gemaakt worden, en het moet fel gegloeid worden, dan moet ik nog ‘ne steenbeitel, ‘nen hamer en een tange hebben, en ik verzeker het u, sire, uw dochter zal tegen t’ avond fris en gezond bij u aan tafel zitten.’ Ge kunt peizen hoe blijde dat de koning was en hoe dat hij verwonderd keek; hij en kon het bij kan niet geloven.

Zo seffens was alles gereed; en als het oventje fel gloeide, dan ging Crabbe alleen in de kamer van de prinses. Hij verschoof stillekens het bed de en brak den tichel uit die onder den rechterpoot van het hoofdeinde van het bed was. Hij zag daar waarlijk een zwarte lelijke padde zitten. Hij stekte ze vaste met zijn tange die hij had doen gloeien, en smeet ze in het oventje. De padde gaf ‘ne grote schreeuw en brandde dood. reeuw

Van zo gauw of dat de padde dood was, hielden de pijnen van de prinses op; ze zette heur rechte en vroeg heur kleren. Voor de eerste keer in lange jaren kwam ze uit het bed, en ze was geheel en gans genezen.

Het is onzeggelijk hoe dat de koning en heel zijn familie, en bezonderlijk de prinses tevreden waren. Alles was in feest en overal werd die wondere genezmge verteld en gevierd. De koning hield zijn woord: hij gaf aan Crabbe grote sommen geld en liet hem met zijn dochter trouwen.

Nu was Crabbe rijke en machtig; en, op ‘ne zekere keer dat hij met zijn vrouwe in de stad rondwandelde, kwam hij Sparre, zijn oude maat, tegen, die hem een aalmoes vroeg.

Crabbe herkende hem seffens;’Ha Sparre’, zei hij, ‘dat is gij! Ik bedank u omdat ge mij zo over enige weken alleen gelaten hebt op de berg, en met het geld weggelopen zijt; maar zie ‘ne keer hoe dat ik daar gevaren heb.’ En Crabbe deed hem alles uiteen lijk of het gegaan was. Sparre, die verlegen was van nu voor zijn misdaad gestraft te worden, viel op zijn kniên en vroeg vergiffenis. – ‘Ik vergeve het u geern,’ zei Crabbe,’en ware ik in uw plaatse, ‘k zou ook ‘ne keer ‘nen nacht op dien berg gaan overbrengen; wie weet of ge daar ook geen wondere dingen en zult horen die u zullen gelukkig maken.’

Sparre was verwonderd van al die aardige dingen daar te horen; en gedwongen door de goeste naar geld, ging hij seffens naar de berg. Hij legde hem nog hoger of dat Crabbe gelegen had, om alles wel te verstaan. Hij hield hem stille, en verlangde om te weten of de toveressen nu ook gingen komen en of ze nog ‘ne keer zulke wondere dingen gingen vertellen; maar toch hij was geweldig benauwd, en wenste dat het al dag ware.

Ja rond den twaalven van de nacht, kwamen de toveressen af; en dat met zulk een danig geweld dat heel de berg daverde. Als ze lange gezongen, gedanst en gespeeld hadden, dan viel alles met ‘ne keer doodstille, en de oude toveresse riep: ”k Wete nieuws’ ‘En wat is het dat ge weet?’ riepen de jonge toveressen.’

‘Ja maar,’ zei de oude toveresse, ‘eer dat ik het zegge, ge moet wel onderzoeken of er geen verraad rond de berg en is; ge moet goed opletten;· want ge weet hoe dat wij over enige tijd gevaren hebben: het is door uw onvoorzichtigheid dat er een van onze zusters in het paleis van de koning dood gebrand is. Kijkt maar goed overal rond, en als ge entwien vindt, kraakt hem maar de nekke.

Sparre en had hem in geen leegte geleid lijk Crabbe, en hij zweette haast zijn doodzweet van benauwdheid; hij wilde weglopen maar · het was te late, de toveressen vonden hem gemakkelijk en hij werd de nekke gekraakt.

–

Uit ‘Oude Westvlaamsche volksvertelsels’ van Hervé Stalpaert (1889)

Article Categories:
sappige vertellingen
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *