Anno 1792, op de 16de juni. Na het verlopen van 48 jaar en één dag, verschenen de Fransen terug als vijanden te Roesbrugge. Dat was op de 16de juni, zijnde een zaterdag. Rond 11u zag men 300 mannen te paard aankomen. Op het eerste ogenblik waren de burgers goed geïnformeerd en ze beweerden dat het om émigrées ging die overliepen naar de Oostenrijkse kant. Maar ze hadden al snel door dat dit niet het geval was. Want nadat dit volk Roesbrugge gedwarst had en gekomen tot bij de molens, keerden ze op hun stappen terug.
Op de markt stapte commandant Decarle van zijn paard terwijl hij vijftig mannen opeiste aan hoofdman Ignatius Ruyssen, een nogal onbeschaafde boer die met zijn hoed op het hoofd niet direct akkoord ging. En daarop hadden de Fransen gedreigd met zwaar onheil indien die werklieden niet zouden geleverd worden. Griffier Smagge van Haringe schoot de boer ter hulp en legde uit dat hij de woorden die de militair tussen zijn tanden had ‘geklepperd’ niet goed begrepen had.
Uiteindelijk kwam advocaat Reyphins op het gezelschap af en die verzekerde dat die vijftig mannen geen probleem zouden vormen. Decarle was hiermee voldaan en zei dat niemand leed zou aangedaan worden.. Terwijl hij wat op en neer wandelde in de straat kwamen de pioniers toe en hij leidde hen naar de weiden die dicht van Roesbrugge lagen, te weten de ‘feestebilk’, de boomgaard van Pieter Boussemaere, de weide van Jacobus Deock en de gaaiweide aan de noordzijde van de Krombekestraat die gebruikt werd door Franciscus Desaeger.
Men kapte enige gaten in de hagen, vulde de grachten om wagens te kunnen laten passeren en men velde enige bollaards ofwel bovelingen zodat die vier weiden nu samen verbonden waren. En nu begon men hier een kamp te maken. Ondertussen hoorden we om 11u30 de trommel slaan en deed het voetvolk zijn intrede. Dat bestond uit drie regimenten die men schatte op 7.000 à 8.000 mannen, deels linietroepen en deels nationale gardetroepen. De eerste hadden witte kazakken en de tweede blauwe.
Ze sleepten een overgrote hoeveelheid van kanonnen en oorlogsmunitie mee, genoeg voor een leger van 25.000 mannen. Er werd beweerd dat de achterhoede zich nog aan de vijfwegen te Cassel bevond wanneer de eersten binnenkwamen in Roesbrugge. Ze sloegen hun tenten op in bovenvermelde weiden waar ze die nacht sliepen, met uitzondering van enkele officieren die in burgerhuizen gingen logeren en in sommige hebben ze zelfs hun eten doen klaarmaken. Wanneer dit volk voorbijkwam voor de comptoiren ofwel bureaus van douane en domeinen was er een garde national die het wapen van de majesteit beledigde en dat was de reden waarom de ontvangers het dan maar zelf ingetrokken hebben.
Enkele van de uitgeweken Franse priesters die hier in overvloed waren hielden Roesbrugge voor het aards paradijs. Ze stonden voor de deuren of wandelden in de straten. Eén van hen, de pastoor van Lefferynckhoucke, werd door een garde bedreigd met de bajonet en een andere moest in zijn huis vluchten. Nadat ze hun tenten opgeslagen hadden zag men die soldaten overal langs de straten zwieren, al vloeken en al lasteren, zonder nochtans enig kwaad te doen buiten enige bagatellen mee te nemen uit de winkels en herbergen.
Rond 16u zijn zes Franse boeren met een soldaat naar Haringe getrokken. Ze gingen er kenbaar maken aan een Roesbruggenaar van de Haringestraat dat ze de pastoor die ze bijzonder veel haat voor voelden omwille van zijn sermoenen en zijn boekjes die hij tegen hen opgesteld had nu te gaan beledigen. Deze burger liet het aan de oren komen van de bewuste pastoor die al komen kijken was naar het kamp. En toen hij dit hoorde verstopte hij zich in de woning van enkele particulieren.
Ondertussen waren de zes boeren met een soldaat naar zijn huis gegaan om hem te spreken. Maar, van zodra ze gezien hadden dat hij afwezig was stapten ze af op de koster met de mededeling dat ze op zijn orgel wilden spelen. Ze dwongen hem om mee te gaan naar de kerk. Maar toen hij de sleutel in het slot draaide weigerde de deur om open te draaien. Ze beweerden nu vloekend dat het opgezet spel was, sleurden de sleutel uit zijn handen en staken die met geweld in het deurslot, maar weer bleef de poort gesloten.
De Fransen begonnen nu op hun beurt nog meer te vloeken, ze klopten en stampten tegen de koster en tegen de kerkdeur. Tot uiteindelijk een zekere Isabelle De Breyne, een uitgeweken dochter uit Bambeke – die zich in de kerk had laten opsluiten – de grendel losmaakte die ze op de deur geschoven had en wegliep. De boeren die dat zagen zegen; ‘hoe is die teve daarin geraakt?’. maar ze deden haar geen kwaad. Ze gingen nu met de koster de kerk binnen, speelden een liedje op het orgel en keerden dan terug naar Roesbrugge. Ondertussen zat de heer pastoor vol angst en vrees. Voornamelijk omdat zijn vermaarde boekjes – waarvan er een grote hoeveelheid lag in zijn huis – en hij nu niet goed wist wat hij verder kon aanvangen. Hoewel de boeren vertrokken waren, iets wat hij dan nog niet kon weten.
Hij kreeg de raad van de Hollander Veneke die hij in 1790 bekeerd had van een rekwest te doen opstellen om af te geven aan de commandant. Een verzoek om zijn veiligheid terug te krijgen. Iets wat opgesteld werd door advocaat Reyphins en door de heer Decarle werd goedgekeurd. Hij stond toe dan dat de bewuste pastoor met een garde van vier fusilliers en een sergeant hem van Roesbrugge naar zijn parochie begeleidden zodat hij overnacht in zijn huis kon blijven slapen. En ze hebben hem geen verder leed bezorgd.
Dat was het begin geweest van alle angst, vrees en benauwdheid die we in Roesbrugge uitgestaan hebben gedurende deze wrede oorlog. Want we waren beducht dat ondanks de goede orde die deze eerste dag onderhouden werd. Maar ze vertrokken de volgende dag al in de vroegte zonder iemand te hinderen. Pas later begon men er over na te denken dat vier dagen voor ons Frans bezoek er hier officieren en zelfs een marechaussee voorbijgekomen waren die zich uitgaven als overlopers naar de Oostenrijkers. En dat het vermoedelijk die mannen geweest waren die de bewuste weiden aangestipt hadden.
Een kolonel van de Fransen die wat uitrustte op een bul aan de Beveren-calchie had er met enkele burgers gepraat terwijl het leger voorbij marcheerde. Hij zei openhartig dat de émigrées die gedoogd werden op de frontieren van de Oostenrijkse Nederlanden er de oorzaak van waren van deze oorlog waarvan we nu allemaal het slachtoffer van werden.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


