banner
Jun 17, 2018
3892 Views

Oude kwene babbelboone

Written by

Het derde hoofdstuk in mijn verweerde boek uit 1844 handelt over de dagen. De zeven namen van onze dagen zijn vermoedelijk de woorden die door ons mensen worden uitgesproken terwijl we er geen enkel besef van hebben waar die vandaan komen.

banner

Het derde hoofdstuk in mijn verweerde boek uit 1844 handelt over de dagen. De zeven namen van onze dagen zijn vermoedelijk de woorden die door ons mensen worden uitgesproken terwijl we er geen enkel besef van hebben waar die vandaan komen. De schrijver begint met onze zevende dag: zondag, ‘Zunadag’, ‘Sonntag’ of zoals met het leest: ‘de dag van de zon’. Deze dag werd opgedragen aan ‘Zuna’ of ‘Sunna’, de zus van ‘Sinthgunt’ (tum incantaviteum Sinthgunt Sunnaque ejus sorror). Germaanse mythologische figuren uit ver vervlogen tijden. Het Zoniënwoud herinnert ons aan het woud waar Zuna vereerd werd. De schrijver heeft het ook over Zonnegem in de Denderstreek en Zonnebeke in de Westhoek die volgens hem identieke betekenissen hebben. In de middeleeuwen vinden we nogal wat vreemdsoortige zondagnamen terug. Zoals bijvoorbeeld in de tijd van keizer Karel; ‘Heilig licht zondag’, de zondag voor Driekoningendag die nog deel uitmaakt van de twaalf heilige nachten. De christenen geven die trouwens een anderen naam: ‘Sterzondag’. De twee eerste zondagen van de vasten worden in Henegouwen en Namen ‘behourdich zondagen’ genoemd. Ik had het er al eerder over in deze tekst. De derde zondag van de vasten wordt ‘Stomme duivel zondag’ genoemd, een term die in verband staat met een of ander Jezus-verhaal.

‘Witte zondag’ is Pasen. Vaernewyck is er zeker van dat Mercurius vereerd werd in Odnea (het toenmalige Gent). Mercurius was gemaakt van zilver en werd daarom in Gent genoemd als ‘de witte god’. Een bewering die vermoedelijk berust op fantasie van oude kroniekschrijvers. Het is waarschijnlijker dat ‘witte god’ iets te maken heeft met de oude verering van Balder die in het noorden van Nederland en in Scandinavië vereerd werd. In Drenten wordt ‘Swantewit’ er nu nog vereerd. De ‘god van het licht’, ook wel ‘Arkona’, ‘Swate’ of ‘Swante’ genoemd, waarbij Swate staat voor heilig en ‘Swit’ voor wit of licht. De ‘Witte god’ zou evenwel Balder geweest zijn, de lichtgod, de Noorse god van het licht en de lente. Hij was de zoon van Odin en stond bekend om zijn goed humeur en zijn zin voor rechtvaardigheid.

Moet ik dat nu als een toeval beschouwen dat Jezus Christus nu precies verrezen is op diezelfde dag van het licht? De schrijver daar in 1844 reageert op mijn kritische opmerking. Alsof hij het kon voorzien dat ik weer ambetant zou zijn. Grimm heeft het in zijn oeuvre over een ‘witten irmin god’ en vertelt daarbij dat overal waar er feesten gevierd werden op ‘zomerdag’ de meisjes altijd in het wit waren gekleed. De schrijver twijfelt er geenszins aan dat het woord ‘wit’ direct gelinkt was met het feest van de lente en dat dit gebruik zeker en vast van heidense origine is. De benedictijnen en de kerkelijke gezagsdragers hadden er achteraf geen probleem mee om die oude heidense gebruiken zonder scrupules te gaan kopiëren en na te apen in hun (voor wat mij betreft) al even heidense rituelen. In plaats van wit getooide meisjes droegen de kindjes nu een wit kleedje op hun doopsel dat bij voorkeur doorging op ‘witte zondag’ of ‘dominica in albis’.

‘Oude kwenen zondag’, de Franstalige schrijver vertaalt die titel nog eens in ‘Dimanche des vieilles matrones’ zodat ik daar zelf dan maar ‘Matronezondag’ van produceer. Die al te gekke dag valt blijkbaar op de tweede zondag na Pasen. De schrijver gaat niet dieper in op de betekenis ervan, dus zie ik me wel verplicht om dat zelf te doen. Het Vlaams woordenboek biedt me de antwoorden en heeft het over ‘Kwenenzondag’, een naam die nota bene in Ieper ooit ‘als ‘Quene-sondagh’ werd gevierd samen met ‘Stomduivelzondag’ op de derde zondag van de vasten. Men verbrandde de winter onder de gedaante van een oud wijf of een oude kwene. De Ieperse kinderen liepen dan met een popje met de afbeelding van een oud vrouwtje in een afgedekte korf terwijl ze zongen;

Oude quene babelboone,
Isse oudt, s’en is nid schoone;
Gheeft se doch een ey,
Daer me looptse wey.

Aan een zondag zijn enkele volkswijsheden verbonden die toch wel het vermelden waard zijn. Zo wordt een kind dat geboren is op een zondag een gelukkig kind of een zondagskind genoemd. Ja, die kennen we. De volgende niet. Wie zijn woning bouwt op een zondag trekt daar voor de rest van zijn dagen muizen, ratten, vlooien en bedwantsen aan. Wie niet werkt op zondag beveiligt zijn veld en zijn tuin van veldmuizen en muizen. Diegene die op zondag naait zal lijden en afzien vooraleer hij of zij sterft, totdat al de naden van zijn kledij ontrafeld zullen zijn.

Maandag. ‘Mondag’, ‘Monday’, ‘Mändag’, ‘Mandag’. Letterlijk vertaald als dag van de maan. De maandag was opgedragen aan Monan of Manan, een godin, en dat was de zuster van ‘Sonna’, misschien ook wel ‘Sinthgunt genoemd’. Monan was de godin van de schippers en de zeelieden aan wie de oude Germanen een dag in de week aan wijdden: ‘Monag-tag’. De Saksen zouden de ‘monans-dienst’ over het kanaal gebracht hebben waar naar verluidt de naam ‘Monday’ van voortgekomen is. Caesar schreef in zijn tijd dat de maand een Belgische godheid was. De Edda, zowat de oudste verzameling mythologische werken uit het middeleeuwse Ijsland, beweert dat de maan (Máni) en de zon (Sól) broer en zus waren en ‘Mundilfari’ genoemd werden naar hun vader.

Veel soorten van maandagen. Wie zich aansluit bij de inhoud van ‘I don’t like mondays’ van de Boomtown Rats zou beter deze opsomming overslaan. Eerst en vooral is de ‘Egyptische maandag’ een oude benaming voor ‘Verloren maandag’. Die heeft alles te maken met een ommegang die ooit gehouden werd in Vlaanderen en Henegouwen, om de vlucht van Jozef en Maria naar Egypte te herdenken. Dat was in de tijd dat Herodus aangekondigd had dat hij al de pasgeborenen zou doden om zeker de komst van de nieuwe messias te blokkeren. En daar dus niet in slaagde, het was verloren moeite. Bij ons is het vooral ‘Verloren maandag’ of ‘Gezworen maandag’ die actueel gebleven zijn. ‘Verloren maandag’ is de eerste maandag na dertiendag. De dag heeft alles te maken met de traditie van ons middeleeuws ambachtswezen. Gerespecteerde gildemeesters kregen de kans om één keer per jaar mee te dingen om schepen te worden in hun stad en als ze daar in slaagden dan werden ze geacht om te trakteren aan de leden van hun eigen ambacht. Geen duur banket, goedkope zaken als worstenbroden of appelbollen. De restanten van de winter kwamen hier goed van pas om de ingezworen ambachtslieden te vieren. Anno 2018 zijn de worstenbroden nog altijd populair gebleven.

De grootste verdienste van ‘Verloren maandag’ is ongetwijfeld de hand- en spandiensten die deze dag leverde voor de ‘Blauwe maandagen’ die vermoedelijk al actueel waren in de eerste eeuwen van de antieke geschiedenis. De metgezellen van de gilden wilden zich verzekeren van de goodwill van de heer Maan en plaatsten die boven zijn zuster Zuna. Iets wat de schrijver in 1844 geenszins verwondert omdat de oermensen altijd al de maankalender verkozen boven de zonnekalender. De maan speelde sowieso de hoofdrol in hun dagelijks leven, vandaar ook het groot belang dat ze hechtten aan de ‘dag van de maan’.

Vanaf de 12de eeuw begonnen onze christelijk geworden voorouders af te rekenen met die oude gewoonte van de ‘blauwe maandag’ die ze gaandeweg als heidens, goddeloos en wanordelijk gingen bezien. Misdaden die op een blauwe maandag gepleegd werden konden op een strengere straf dan anders rekenen. In Duitsland begonnen de monniken speciale gebeden uit hun mouw te schudden om de ambachtslieden te doen afzien van hun blauwe maandag die daar blijkbaar ook bekend stond als ‘Poefmaandag’ of ‘Vrije maandag’. Hun inspanningen leverden niet zo veel op want de blauwe maandagen bleven overeind. Dat de finefleur van de steden iets tegen die blauwe maandagen had heeft ongetwijfeld iets te maken met de fysieke toestand van de leerjongens die de maandagmorgen gebruikten om weer wat op de plooi te geraken na een zondag vol drankgelag en feestvieren. Die maandag werd dus vaak als excuus gebruikt dat er nog eerst wat eigen zaakjes dienden te geregeld te zijn vooraleer de werkweek kon aangevat worden. Zonder het te beseffen is ‘I don’t like Mondays’ een regelrechte zinspeling op ‘ik ga niet graag werken met een houten kop op deze blauwe maandag’. Het middeleeuws gebruik om op de eerste maandag van de vasten de kerken aan te kleden met blauwe lakens moet daar zijdelings mee te maken hebben gekregen, al is het maar dat ze synoniem waren aan die speciale gebeden van die paters in Duitsland.’

En er zijn er nog: ‘Gerstmaandag’ is de eerste maandag van de Vasten. ‘Rode maandag’ herinnert in Vlaanderen aan de veldslag van Bergues in 1206. Daar heeft de regio van Veurne alles mee te maken. De vete tussen de Blauvoetijnen en de Ingerijkers was al eerder uitgevochten in de dorpen Houthem en Wulvergem en vond achteraf zijn beslag te Sint-Winoxbergen in dat jaar 1206 wanneer Christiaen van Praet de leider van de Ingerijkers er in slaagde om de Blauvoetijnen op bloedige manier te verslaan en waarbij velen onder hen gedood werden. Die dag betekende het einde van een jarenlange burgeroorlog en wordt sindsdien als ‘Rode maandag’ herdacht. Het rood van het vergoten bloed der Blauvoetijnen. ‘Kwade maandag’ heeft een beetje een gelijkaardige betekenis. In de jaren 1344 en 1500 rekenden Gentse wevers op drieste manier af met hun collega volders die massaal in de Leie werden gegooid.

Wat je al dan niet mag doen op maandag? Meneer Maan houdt allerminst van kredietverstrekkers en bankiers. Je moet absoluut vermijden om iets te lenen of te ontlenen op een maandag. De dienster die haar job op een maandag begint zal op zaterdagavond uitgaan met de heksen. En wat men onderneemt op een maandag zal geen week blijven bestaan. Misschien precies daarom dat velen die ‘Blauwe maandag’ als excuus gingen gebruiken…

Dinsdag. ‘Dingsdag’, ‘Desdag’, ‘Disdag’, ‘Dissedag’, ‘Dienstag’, ‘Tuesday’, ‘Tisdag’, ‘Tirsdag’. ‘Tuissonsdag’. De grote dag van Tyr, de god van de overwinning en de gerechtigheid. Ooit beweerden onze voorouders dat deze dag opgedragen werd aan ‘Dyssen’, anderen brachten hem in relatie met ‘Tuisco’, de god die op aarde geboren was en de vader geacht werd van al de Germanen. In zijn naam zien sommigen de term ’tweeling’ (’twins’). Tacitus van zijn kant beweerde dat ze het hier hadden over ‘Treggi’ één van de bijnamen van Wodan, de stamvader van de goden en de mensen. Maar de meest klassieke uitleg is toch deze die dinsdag linkt met het Germaanse ‘Disdaeg’ of ‘Ziewestag’ en dat die dag speciaal opgedragen was aan ‘Ziu’ of ‘Zyr’, ‘Tir’ of ‘Tyr. De god van de overwinning en de zege. In ‘Ziewestag’ ontdek ik zo vrij gemakkelijk ‘de dag van de zege’.

Tyr is een god uit de Noorse mythologie, de oorlogsgod die met het zwaard zorgt voor gerechtigheid. En daarbij grote wijsheid, moed en eer toont tijdens de strijd. Tyr wordt bij de oude Germanen de god van het ‘ding’ genoemd (de Germaanse volksvergadering). Het woord ‘rechtsgeding’ vindt hier zijn oorsprong. Het ‘ding’ was dus een synoniem voor de samenkomst van de vierschaar en de jury, die vaak op een dinsdag doorging. In Beieren en Luxemburg wordt de datum van de rechtspraak in de aktes omschreven als ‘Erietag’ of ‘Erchdag’ en daarmee bedoelen ze dus inderdaad ‘dinsdag’.

‘Vette dinsdag’ staat algemeen bekend als de dinsdag na carnaval. De dag voor vastenavond, het oude ‘Spurkel’ was zonder twijfel een ‘vette’ dag in voorbereiding van de magere tijden die er tijdens de vasten zouden volgen. De carnavalsdagen van zondag tot en met dinsdag werden trouwens ook ‘Vette dagen’ genoemd. Precies één week later was de dinsdag een veel minder leuke dag: ‘Broederlijke tuchtiging dinsdag’, de eerste dinsdag van de vasten. Op veel plaatsen straften de schoolmeesters de leerlingen die zich het voorbije jaar niet van hun beste zijde hadden laten zien.

‘Vette Dinsdag’ of vastenavond is een belangrijke dag in het kalenderjaar en staat zeker gecatalogeerd als een lotdag. Wie op vette dinsdag een glas melk drinkt zal de rest van het jaar geen last hebben van de zon. Wie koortsvrij wil blijven vast beter al op vastenavond. Het gras dat gezaaid wordt op vette dinsdag zal lang groen blijven, goede ondernemingen beginnen op vette dinsdag. Goede diensters beginnen hun diensten enkel op een dinsdag, want die staat niet voor niets voor ‘dienstdag’.

Woensdag. ‘Wudensdag’, ‘Vaderdag’, ‘Godendag’, ‘Fintzdag’ en in het Engels ‘Wednesday’ of ‘Wodnesday’. In het Deens ‘Onsdag’ of ‘Odinsdag’. Het is dus letterlijk de dag van Wodan die tot op een bepaald moment in de tijd moest luisteren naar Mercurius. Nogal een verwarrende kwestie voor de Germanen, maar heel West-Europa ligt hoe dan ook aan Wodans voeten. Vreemd genoeg wordt zijn naam in het Latijn vertaald als ’tyran’. Wodan was de god die heel de wereld onder zijn controle had en daarbij beschikte over een extreme wijsheid en intelligentie.

Wodan regelde de uitslag van de veldslagen en wie het voor hem niet waard was om te winnen of de strijd verloor was een vogel voor de kat. Dan stuurde hij zijn Walkuren die op de rug van hellehonden de slagvelden doorzochten naar gevallen helden en die dan hun zielen met zijn ‘woenswagen’ liet wegvoeren, op weg naar het Walhalla. Overal in de Germaanse gebieden is er nog altijd sprake van gelijkaardige benamingen als ‘zielwagens’, ‘brandende wagens’ en ‘hellewagens’ die vooral opduiken tijdens de heilige nachten en altijd maar weer in relatie gebracht worden met de legende van Wodan.

In de Nederlanden zijn er ontelbare getuigenissen overgebleven die herinneren aan de oude Wodan. Woensdrecht verwijst naar de passage van Wodan. Woensel (zijn woonplaats), Wodecq in de provinie Namen (Wodans eik). Wodan heerste in de onherbergzaamste bossen die natuurlijk naar hem genoemd werden als zijnde ‘wouden’. Het woud als heilig bos van Wodan. Omdat men in Duitsland voor woensdag de term ‘Mitwoch’ gebruikt veronderstelt de schrijver in 1844 dat Wodan vooral erg populair is in de gebieden van de Belgen, de Bataven, de Friezen en de Nedersaksen.

In Ieper bestaat ‘Kattenwoensdag’ of ‘Kattendag’ nog in de 19de eeuw, die dag stond voor de tweede woensdag van de vasten want op die dag werden de katten uit het belfort naar beneden geworpen. Een ritueel dat herinnert aan de tijd waarin de Ieperlingen hun geloof in Wodan en zijn zus Freya afzworen om zich te hechten aan het christelijk geloof. De derde woensdag van de vasten draagt ook een naam: ‘Overleveringswoensdag’, de dag van de tradities. Een week later is het de beurt aan ‘Geboren blinde woensdag’, de vierde woensdag van de vasten die volgens het evangelie verwijst naar het sprookje van de blindgeboren kinderen waarbij de heer slijk maakte met zijn speeksel en daarmee de kinderogen bestreek tot de blinden plots weer konden zien. De woensdag voor Pasen was ‘Schortelwoensdag’ of ‘Schorteklokwoensdag’. Ik keer terug naar de tijden van de lakennijverheid en het kantklossen. Tijdens die dag werd het luiden van de kerkklokken opgeschort zodat die hun weg naar Rome konden aanvatten. De kantwerksters profiteerden van die dag om elkaar eens een flinke poets te bakken.

Op woensdagen zijn er zaken die je al dan niet moet doen. Trouw nooit op een woensdag. Een kind dat op een woensdag voor het eerst naar school gaat zal er niets leren. Een jonge koe mag je nooit voor de eerste keer melken op een woensdag anders zal het nooit goed aflopen met het beest. Alleen de heksen koesteren zich op die dag. Wie kent nog het volgende vers?

Woensdagkatten
duivelskatten
Rode baard
Duivelse aard

Ik stap maar beter over naar donderdag. ‘Donardag’, ‘Thunardag’, dag van de donder of in het Duits ‘Donnerstag’. In het Engels ‘Thursday’. In Zweden is het ‘Thorsdag’ en in Denemarken ‘Torsdag’. Het lijkt niet moeilijk: de naam van donderdag lijkt een samensmelting te zijn van ’thunar’ en ‘donnar’. Thor was voor onze voorouders de god die regeerde over de atmosferische fenomenen. Donder, regen, hagel, sneeuw. Het was Thor die met een immense hamer op de wolken sloeg. Het was hij die de bliksem deed losbarsten, de wind gehoorzaamde hem, hij temde hun woede of deed die losbarsten. Caesar liet zich vangen aan het symbool van Thors hamer en verwarde hem met Vulcanus, de smid die bliksemschichten maakte voor Jupiter. Later gingen de Romeinen zich vooral focussen op Jupiter zelf als god van het weer.

De naam van Thor is nog altijd aanwezig in de wereld van nu. Torhout: het bos van Thor. Thorembais (Thorenbeek) in Waals Brabant. Thoricourt in Henegouwen werd door de vroegere Vlamingen in de buurt genoemd als ‘Thorhoren’ of ‘Thorhoven’: de erfenis van Thor. De geschiedenis vertelt ons dat de oude Teutonen, Germanen uit de noordelijke gebieden van Denemarken en Zweden zich gingen vestigen in de Nederlanden. Ik heb het over de Saksen, de Friezen, de Katten, de Franken, enzoverder. Veel van die bevolkingsgroepen, vooral die met hun roots in het hoge noorden verkozen de woensdag of de donderdag als de beste dag van de week. Tegen deze praktijk probeerde het Concilie van Leptines iets te doen, maar toch konden de katholieke strebers niet vermijden dat de donderdag het statuut van een halve feestdag bleef behouden. Dat was vooral het geval in Brabant.

In Antwerpen gaat ‘Vette Donderdag’ vooraf aan ‘Vette Dinsdag’ of ‘Mardi Gras’. ‘Vette Donderdag’ kwam op zijn beurt exact één week na ‘Witte Donderdag’ of ‘Heilige Donderdag’ waarop een van die lentefeesten plaatsvond. Wodan, Thor en Freya waren er alomtegenwoordig. Het was Thor die de reus van de winter verdreef. Ik vraag me af waarom die donderdag nu speciaal ‘wit’ genoemd wordt. Op Wikipedia lees ik dat de term “Witte Donderdag” verwijst naar de gewoonte om kruisbeelden en andere beelden met een wit kleed te bedekken en die dan na de dienst door een paars kleed te vervangen. Ik geloof er geen snars van en vraag me af of de katholieke kerk ook al deze betekenis van de heidenen heeft gejat.

Ik kan mijn stelling niet voor het volle pond hard maken. Ja, in de middeleeuwen zal er wel sprake geweest zijn van een gelukkige, blije en gezegende donderdag, het equivalent van een ‘goede’ donderdag en met die betekenis zal de kerk wel vertrokken zijn om daar een liturgische betekenis aan vast te knopen en er hun ‘witte’ donderdag van te brouwen. Toch lijkt het me bij nader inzien dat de symboliek van Witte Donderdag misschien voor één keer geen afgietsel is van een vroeger heidens feest. Nu ja; ‘Heilige Donderdag’, het heidense feest van de lente ligt toch wel dicht in de buurt van een happening waarbij het wit van de dagen het haalt op het zwart en de duisternis van de winter. Een donderdag is de beste dag voor wiel- en slotenmakers, politiemensen en molenaars. Vraag me niet waarom, maar dat staat zo beschreven in 1844. En wie trouwt op een donderdag mag rekenen op een goed huwelijk.

Vrijdag. ‘Vreyadag’, ‘Freitag’, in het Engels ‘Friday’, in het Zweeds en Deens: ‘Fredag’. Letterlijk dus: de dag van Freya, de zus van Wodan. Die godin speelt een grote rol bij de oudste mythes. Ze beschermde de vrijheid van de mensen en was uitdrukkelijk aanwezig op liefdesnachten en bruiloften. Ze gaf haar zegen aan trouwe geliefden en aan deugdzame vrouwen. Freya beschermde loyale krijgers wanneer ze vochten. Ze was er te zien op een wagen die door twee reuzenkatten voortgetrokken werd en ze was gekleed in een mantel van valkenveren waardoor Freya zich kon transformeren tot een vogel. Ze kwam op bezoek bij vrouwen die moesten bevallen waar ze trouwens vaak vervangen werd door haar priesteressen. Ik moet niet ver zoeken naar de betekenis van haar naam. Freya wordt in Scandinavië ‘fru’ genoemd, ‘frau’ in het Duits en ‘vrouw’ in het Nederlands. Ze wordt geassocieerd met het woord ‘free’, ‘vrij’, ‘frei’, fri’ en ‘vrijen’.

De verering van Freya heeft lange tijd stand gehouden tegen de bemoeienissen van het christendom. Het uiteindelijk verdwijnen van hun godin zorgde voor verdriet bij de bevolking. Een oude saga, die van troubadour Eckhart, vermoedelijk Belgisch van oorsprong, lag aan de basis van Wagners opera ‘Tannhauser’ of ‘Danhuyser’. De arme man onderging een pijnlijke strijd tussen zijn spirituele liefde voor Onze-Lieve-Vrouw en zijn fysieke aanbidding voor vrouw Vreke (Freya). Deze godin werd in onze contreien zeker vereerd tot diep in de 8ste eeuw, dat was ook het geval in Ieper. De predikers van het christelijk geloof moesten al hun fantasie en creativiteit gebruiken om de Ieperlingen van die tijd te doen afzweren van de in hun ogen heidense verering voor Freya. De priesters slaagden er met veel moeite in om de inwoners te doen verzaken aan haar. Het bleek achteraf wel noodzakelijk om hen jaarlijks nog eens te herinneren dat ze nu christenen waren en dat ze Freya overboord hadden gegooid. Anders zou dat oud gebruik zeker opnieuw de kop hebben opgestoken. Tijdens die jaarlijkse ‘reminder’ gooiden ze Freya wel erg letterlijk overboord. De oude godin werd verpersoonlijkt in levende katjes die van een toren werden gegooid. Dat gebruik is blijven bestaan. Ieper, de kattenstad met zijn nu gelukkig pluchen namaakdiertjes die van de hallentoren worden geworpen. De kattenstoet is hoe dan ook een herinnering gebleven aan de dag dat ze Freya hier buiten gebonjourd hebben.

De plantenwereld in Ijsland kent species als ‘freyjuhar’, ‘friggjargras’ en ‘friggjarskrud’. Bij ons noemen we die planten gewoon ‘vrouwenhaar’, ‘vrouwengras’ en ‘vrouwenkruid’. In Noorwegen zijn dat ‘mariagras’ en ‘mariahaar’ enzoverder. Ook in de dierenwereld en de plaatsnamen krioelt het naar de verwijzingen naar Freyaatje. Natuurlijk bestaan er ook speciale vrijdagen. ‘Wijnboervrijdag’ is volgens het evangelie de tweede vrijdag van de vasten. ‘Jodendagvrijdag’ is de vrijdag voor Palmzondag en herinnert aan de dag dat de Joden Jezus Christus vogelvrij verklaarden en dat ze besloten om de sukkelaar te kruisigen. Tijdens de middeleeuwen bleven de Joden het best binnen in onze steden. Want als ze op straat kwamen dan kregen ze de grofste verwijten naar het hoofd geslingerd. Er zijn meerdere gevallen van slachtingen van Joden bekend die op ‘Jodendagvrijdag’ zijn doorgegaan.

Een weekje later krijgen we ‘Goede Vrijdag’, een dag vol tristesse. ‘Koude vrijdag’ is de laatste vrijdag voor 1 oktober, vaak ook ‘Koudendag’ of ‘feria frigida’ genoemd, vermoedelijk nog erg gerelateerd met de oude feesten van ‘Winterdag’. Op een vrijdag mag je sowieso nooit luidop de naam van een heks uitspreken. Als je je nagels knipt op een vrijdag dan is dat een goede remedie tegen tandpijn. Wie op een vrijdagmorgen voor zonsopgang in de velden gaat wandelen zal genezen van jicht. Men mag geen granen zwengelen op vrijdag en al zeker geen badje geven aan de kinderen. Leg op die dag geen eieren onder een broedhen want er zullen ongelukskuikens uit geboren worden, kippen die zullen kraaien als een haan. Regent het op vrijdag dan zal het de zondag ook regenen.

Zaterdag. ‘Saterdag’, ‘Zaturdag’, in het Duits ‘Samstag’ of ‘Sonnbend’. In Engeland ooit ‘Sætresday’, nu natuurlijk ‘Saturday’. In Zweden: ‘Lördag’, Noorwegen en Ijsland: ‘Laugarddag’ of ‘Kaugardgr’. In het noorden van Duitsland benoemen ze hun zaterdag ooit als ‘de dag van Sater’. Een sater kan ik het best omschrijven als een boosaardig persoon met bokkenpoten. Half duivel, half mens. De dag van Sater heeft ook diezelfde betekenis in Engeland: ‘Saters day’. In het oud Engels was er sprake van ‘sæterdæg’, ‘sæternesdæg’, letterlijk de ‘dag van de planeet Saturnus’, van Sæternes het genitief van Sætern. Eigenaardig genoeg heeft die dag in het zuiden van Duitsland een andere benaming: ‘Samstag’ misschien afkomstig van ‘Sabbathsdag’. Het Franse ‘samedi’ is duidelijk dichte familie van ‘Sammtag’. In Scandinavië krijgen we een derde betekenis: ‘laugardgr’ betekent ‘dag om een bad te nemen’.

De relatie tussen Sater en Saturnus stoort me meer dan ik kan zeggen. Ja maar: wat is het nu? In de grote vuilnisbak van het wereldwijde web vind ik de wildste verklaringen. De Romeinen worden er bij gegooid want blijkbaar hebben die ook een relatie met Saturnus. Sater blijkt dan ook een op en top Saksische god te zijn. Maar waarom zou iemand de zesde dag in de week nu moeten noemen naar een duivel of een planeet? En wie van beide is het nu dan wel? Een handschrift van broeder Gheraert uit het begin van de jaren 1300 kan me misschien op weg helpen. Hij heeft het over de vermenging van de Noordse en Germaanse godenleer met wat de christenheid er intussen al heeft aan toegevoegd. De boze geesten waren onder de indruk van de predikers en werden voor een belangrijk stuk vervangen door één gemeenschappelijk fenomeen waar ze best bang voor moesten zijn: de duivel.

Ik geef toe dat het best handig was wat de christen moraalridders aanrichtten met de lange lijst natuurfenomenen die de mensen niet kenden en er dus verschrikt voor waren. De boze geesten hadden veel handlangers: nachtridders, hagedissen, varende vrouwen, elven, nikkers, maren en minnen. Voor de katholieke kerk werden ze één grote cultfiguur: de duivel zoals ook wij ondervonden toen we in het eerste leerjaar door zuster overste bang werden gemaakt dat de duivel ons naar de hel zou sturen.

Bij de Noordse en Germaanse volkeren was de onkunde compleet. De blote hemel betekende voor hen een bron van bijgeloof en verbeelding. Het luchtruim stak vol met wezens van lichtere stoffen, lucht, damp en vuur. Flikkeringen of elektrische verschijnselen werden ‘vliegende draken’ en ‘huppelende geiten’ genoemd. Vallende sterren waren vuurkloten of dwaallichtjes. Veel van wat ze dachten te zien bestempelden ze als luchtgeesten die wel in de lucht leken te rijden, te varen en met elkaar te vechten.

En er liep wel wat rond in de lucht! Vrouwelijke of mannelijke nachtridders die tijdens de nacht uitreden. In de Edda werden ze genoemd als ‘Qveldridha en Myrkridha’. De heidense fantasie kende geen grenzen. De nachtridders lieten zich voeren en begeleiden door wolven en slangen. Daar ligt nogal tijd de reden waarom een boosaardige vrouw nu nog altijd als een ‘serpent’ beschouwd wordt. Dat waren oorspronkelijk de ‘varende vrouwen’ in de hemel. Ook de heksenvervolging vindt zijn oorsprong in dit bijgeloof. En daarnaast zat het heelal vol met hagedissen, asen en elven. Cobbouden, rabauten en kobolden zien ze ook aan het firmament. Dwerggestalten met rode hoeden, onze latere kabouters natuurlijk, plaaggeesten die er alleen maar waren om de mensen te plagen. De elven of de elfen waren lichte, witte en goede geesten. De hele vroege Nederlandse literatuur bulkt uit van de verwijzingen naar elven en hun betekenis.

De nikkers waren zeer vijandige watergeesten, van het mannelijk geslacht. Hun van wreedheid en bloeddorst doordrongen wijfjes heetten nixen. Duivels genoeg in de lucht. Maren en (meer-)minnen die ’s morgens het vuur kwamen stelen. Ha: hier vinden ik onze vervelende nachtmaren en nachtmerries terug. Ze maakten de mensen bang. De ‘nachtmar’ was een paard dat door elven bereden werd. Maren waren afgrijselijke vliegende wezens. Ik kan zo wel blijven doorgaan. Het lijkt me duidelijk dat ‘Sater’ en ‘Saturnus’ allebei exponenten zijn van de menselijke angst voor de nachtelijke hemel. Daar zaten de duivels. De kerkelijke ‘rewriters’ vonden die angst voor de duivel, vertaald in ‘saterdag’, prima om die in stand te houden. Sater als synoniem voor de duivel, ideaal om de heidenen bang te houden en een perfect alibi om hun zieltjes te wassen. En zo kom ik dus zonder dat ik het zelf besef bij de Noordse baddag. Hoewel dat laatste natuurlijk louter toeval is!

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *