’t Woajd lik de vroede bjeestn: het waait heel erg.
Een stout ransel: vrouw die niet op haar mond gevallen is.
Jeed een twien bien buk gedoan: hij heeft iemand beetgenomen.
Giv moa sjette,pulle,goaze: begin er maar snel aan.
Je kunt een gat in je kous hebben, je kunt een gat in je kop hebben, je kunt een knoopsgat hebben, je kunt in een verlaten gat wonen, je kunt al een gat in een hoop kolen zien, de wind kan uit het verkeerde gat waaien, je kunt een pint in een zwelg door je keelgat gieten, je kunt je vrouw in de gaten houden en ’t gat (bodem) van je bloempot kan zelfs uitvallen.
Hoe dikker ’t gat hoe groter de broek.
Den dezen die ’t onderste ut de kanne wil, krijgt ’t deksel up zinne kop.
Ge moet uplett’n van ’t achterste van è peird en ’t voorenste van è vrouwe.
Iemand het gat van de timmerman toogen’; hem de deur uitwijzen, buitenjagen.
‘Het gat schoon hebben, vinden of zien’; een voordelige gelegenheid hebben of zien om iets te doen. Hij had het gat schoon om te vluchten. Zohaast hij het gat schoon vindt, zal hij dat stelen, Ik zie ’t gat nog niet schoon om zo iets te beginnen.