De kerk van Wervik was in maart 1800 nog altijd ontbloot van haar kap omdat […]
Het Vloedgad is dus dat schorrengebied rond het aangelegde kanaal. De natuur blijft natuurlijk ook […]
Er zijn ten gevolge van grafelijke besluiten haringtienden en vistienden te betalen aan de proosdij […]
In het gebied tot ver onder de Aa wordt er een onterechte ‘Gallo-Romaanse’ mythe opgebouwd […]
Eind mei 1644 staat deze bevelhebber klaar om de stad Grevelingen in de tang te […]
De steden en de Vlaamse edellieden starten een diplomatiek offensief om hun prinsessen Johanna en Margareta terug te zien in eigen land. Het is niet aan de koning van Frankrijk om de toekomstige gravin van Vlaanderen op te voeden en nog minder om een geschikte man voor haar te zoeken.
Aan de IJzerdijk ter hoogte van de ‘hoge brug’ bij de herbergen ‘het Fort’ en ‘De Kroon’, was er nog een concentratie van enkele huizen. Met zijn ± 633 inwoners op 843 ha, meer dan viermaal de oppervlakte van Diksmuide, kon men Kaaskerke toen dun bevolkt noemen.
Geen krieken zonder stenen,
geen vlees zonder benen,
geen mannen zonder willen,
geen vrouwen zonder grillen.
Mijn nieuwe kroniek ‘De pubertijd van Veurne-Ambacht’ staat volop in de steigers. De basistekst is geschreven en moet nu nog volop geredigeerd worden tot een sappig stuk tekst. Alvast de opener voor de liefhebbers van ‘De Kronieken van de Westhoek’.
Voor enige tijd leefde er te Ramskapelle een jager, Jan Tison genaamd, die nooit het wild miste waarop hij schoot en die aldus als jager een grote faam genoot.
De Dorpstraat op St-Michiels, tusschen Schoutteet en de kerk, is altijd, al van over ouds, een sukkelbaantje geweest waar men van alles – kan vinden: een kalsijtje pit-uut-pit-in lijk met de roefel opeen gesmeten.
Die van Cortryk trokken na ’t beleg van Doornyk met Artevelde en campeerden met 10.000 Gentenaers, Oudenaerders en Aelstenaers ontrent de zeven fonteyn poorte. Den 31e july trokken de Vlaemingen nog nader aen Doornyk, om die stad te belegeren. Den coning van Vrankryk quam met een zeer magtig leger ter hulpe van Doornyk en campeerde langs wederzijden der brugge van Bouvines.
De Franssprekende inwoner van Wervik-Zuid (Frankrijk) om, van zijn kant daarin niet ten achteren te blijven, gebruikt tal van Vlaamse woorden in zijn lopende uitdrukkingen. Zo zal men dikwijls horen zeggen; ‘Attends een beetje’, en wat weet ik al.
Daar was ‘ne keer een moeder, en z’hadde twee meiskes, en z’heetten alle twee Karlientje. Tegen ’t eene en zeiden de mensen niet anders als Wit Karlientje, omdat het zo schone was; maar zijn moeder en koste ’t onder heur ogen niet zien, omdat het heur eigen kind niet en was. En ’t andere was Zwart Karlientje bij de mensen, omdat het zo bruin en zo lelijk was; maar, Zwart Karlientje was het liefste gezien van zijn moeder, en ’t kreeg al wat dat ’t wilde.
(Nooit en had men zulke regen gezien!) Hij duurde tot drie uur na de noen zonder ophouden, maar dan heeft het wat beginnen te minderen en men zag tot Vlamertinge na het eindigen van de vespers, het water aankomen over de velden, weiden en hagen, met zo een gedruis dat het een bangelijk was om horen en zien als de eerste stroom aankwam, die kwam meer dan 4 voeten met de eerste dikke en het groeide gedurig aan tot omtrent om 4 uur in de achternoen, wanneer het heeft beginnen te vallen, dit water kwam aangedreven met groot geweld dat de huizen al doorliep; muren, galenten zijn ter aarde neergeveld.
Door het slechte weer van de laatste weken ging de grond weer aan het schuiven en bewegen. En woensdagochtend, om 9u30 is de ramp gebeurd. Met een oorverdovend gekraak is gans de brug de diepte ingestort. Slechts twee werklieden waren getuigen van de instorting.
Het duel speelt zich af ter hoogte van de brug over de Leie in Komen. De Vlamingen zijn in groten getale toegestroomd en houden de doorgang bezet. Een deel van de constructie wordt zelfs afgebroken en deels met mest gecamoufleerd waarop ze zich zelf verdekt opstellen en de komst van de bende van de Haese afwachten. Het wachten duurt niet lang. Ik schakel even over op de rechtstreekse commentaar van de jaarboeken voor me: ‘wanneer de ridders met gevelde lancien op hun aanvielen, zo dat zij de doortocht vrij ziende, op de brugge reden. Het gelukte aan omtrent dertig andere van daar over te geraken, maar de brugge dan brekende, onder de volgende, is er een deel van deze zwaar bewapende ruiters in de riviere gevallen en verdronken.’