De jaren 500 zijn zo goed als onbekend voor de meesten onder ons. Dat geldt […]
Vanaf de 7de eeuw krijgen we de eerste info over de infrastructuur in onze streek. […]
Het Oosterse Rijk, uiteindelijk, of het Oster-Rike, kwam aan Sigebert die in zijn deel Auvergne, het noordoosten van Gallië en Germanië tot aan de grenzen der Saksen en Slaven bezat’. Vlaanderen, met de Westhoek als uiteinde aan de grote zee was de ooit de tegenhanger van de oostelijke gebieden van Gallië. Ons land kon dus net zo goed Westenrijk genoemd zijn en net zoals Oostenrijk de tanden van de tijd overleefd hebben.
Gust Thierry wil geen geschiedenis schrijven van een natie, maar die van burgers. Van mensen. Om dat werkelijk te doen moet je mensen als mensen bekijken. Gust volgt het spoor van wezens alsof hij oprecht bezorgd de stappen van zijn vrienden tijdens hun gevaarlijke reizen mee beleeft. Hij keert terug naar de originele bronnen en probeert de gebeurtenissen van het ver verleden ook met de ogen van toen te bekijken. Zijn voornaamste bron is een erfstuk van bisschop Gregorius van Tours.
De Gallo-Romeinse aristocratie leefde op het land en van het land. De industrie van de oude dagen was bevolkt met slaven en alles wat ook maar rook naar handel en commerce werd geminacht. Wie geen bezitter was van landerijen, grote domeinen en ‘villae’, maakte nooit kans om ooit als vertegenwoordiger van het volk op te treden.
Na eeuwen van Romeinse bezetting zijn de oude Galliërs en de Romeinse nieuwkomers niet meer van elkaar te onderscheiden. De Galliërs bestaan niet meer, de oude Belgen zijn een herinnering. De Romeinse soldaten zijn gaan samenwonen met Gallische vrouwen. Het nieuwe volk mag dus inderdaad best als een mix van Gallo-Romeinen bestempeld worden, een normaal fenomeen na een intermezzo van 15 generaties van leven, werken en voortplanting.