‘In het jaar 1601 woonde op de parochie Koekelare aan de kant van Eernegem een landsman die geboren werd aan de Leie in Ariën waar hij al zijn eigendommen kwijtgespeeld was. Hier leefde hij armoedig. Twee melkkoeien en hele dagen hard werken volstonden maar net om zijn vrouw en kinderen te kunnen onderhouden.
Zeere te wapen’, roept de graaf, maar die van het Vrije kunnen wel eens traag van reactie zijn, schrijft Olivier van Dixmude. Lodewijk zit al goed en wel en zwaar bewapend op zijn hengst en trekt met die van Brugge te velde. ‘Zy quamen buuter de stede van Dixmude ende batelgierden an beeden zyden van de straete, ende scoten bussen in de rechte straete daer die van Ghent quamen.’ De opstandelingen zijn verrast door de plotse uitval van de graaf en roepen ‘velt, velt’, maar tijd om te vluchten in de velden is er niet meer. Ze worden compleet overrompeld. Wat nu volgt is een bloedbad.