Het valt mij in hoe ik op een zondagnamiddag toen ik nog een kleine jongen was, met grootmoeder ging wandelen. Het was in het hart van de zomer. En dat we, dorstig geworden van stof en hitte, binnen trokken in een landse herberg van de oude stempel.
Voor mijn beste lezers heb ik hier nog iets speciaals weggelegd, namelijk de tien geboden van het lang leven. Ik heb ze in een oud boeksken gevonden en er steekt verdorie veel waarheid in. Hier gaan ze:
Wat, riep onze boffer, ge durft laten horen dat mijn beestjes maar vorderen als een slak tegen een boomstam. We zullen het eens gaan zien. Morgen zal ik mijn nieuwe langoor inspannen en naar Ieper rijden. Ge zult eens zien hoe ik zal vorderen, als een pijl uit een boog.
Den dezen die vele werkt, he’t geen tijd om geld te verdienen.
Die twee honden kunnen toch wel erg moeilijk akkoord geraken over dat ene been!
Het is gie zelve die het boek van joen leven schrijft.
Lacht è keer: het verbetert de weirde van joen oanzichte!
Ik heb mijn hart verloren.
Langs een groene weg.
Op stap,
met alleen maar mijn gedachten.