Ze onttrekken het kustland aan de zee. Dijken en watergangen vrijwaren het veroverde land tegen overstromingen waardoor veel gebieden in poldergrond verandert. Langs alle kanten strekken zich uitgebreide ‘nieuwe landen’; ’terrae novae’ uit, die van jaar tot jaar de opbrengst en de levensvoorraad vermeerderen.
Tot de 13de eeuw, tijdstip van de grote ontginningen, bestond ons land vooral uit onvruchtbare grond.