De eerste Bellebrand was gedaan ten jaren 900, door de Noormannen, die uit Noorwegen, Zweden en Denemarken bij grote menigte jaarlijks gedreven werden om roof te gaan zoeken. Zij vielen binnen in het beste deel van Frankrijk en ook in Vlaanderen. Ze verbrandden, verwoesten en plunderden overal waar ze binnenvielen, zowel kloosters, kerken, abdijen als kastelen, steden, dorpen en alle huizen.
Elke dag opnieuw loert de tegenslag om het hoekje. De prijzen van het voedsel hangen in hoge mate af van het succes van de oogst op het land. Slechte zomers zorgen voor hoe prijzen voor tarwe en gerst, brood en bier. Wie niets kon sparen tijdens de redelijke jaren, is er direct de pineut van en moet proberen zich in leven te houden van de liefdadigheid. Mensen die ziek zijn of invalide of oud kijken angstvallig richting stadsbestuur en naar de kerken. Of naar welwillende rijke mensen. De nood naar brood, bonen, erwten, kledij en dekens is prangend. Een gezongen mis zal ongetwijfeld veel te hoog gegrepen zijn voor de modale inwoners van Ieper-stad, en dat in deze zogezegd goedkope tijden.
Gemak voor eere, zei de vint, en è reed terikke op ze zwijn deur de markt.
Hoe meer volk hoe meer neringe, zei Uilenspiegel en é zette z’n kraam in è fruttenierenest
Ha maar me kind Gods, zei Bogaert tegen z’n hoendje, je zijt gelukkiger of ik, je moe’ gij niet te biechte gaan.