Prullen: prulde, heb gepruld, o. w. Beuzelingen vertellen, schertsen, leugens verdichten om te lachen, ijdele praat verkopen. Hij is bezig met te prullen. Hij prult graag, maar ik hoor hem niet graag prullen. Hij verdriet mij met zijn prullen. Dat prullen verveelde haar. Hij prult wederom.